woensdag 6 juli 2011

Economisch beleid in het vooroorlogse Italië en Duitsland

Door een “plan van nationale zelfvoorziening” wisten Fascistisch Italië en Nationaal-Socialistisch Duitsland bijna de gehele werkloosheid uit te roeien en daarbij al hun productieve middelen in een actieve rol te brengen. De Fascistische landen kenden een compleet andere planeconomie dan de Sovjet Unie. Het belangrijkste principe binnen de Fascistische doctrine was dat vrij ondernemerschap en privé bezit behouden en bevorderd moesten worden. Het was de staat die controle op de industrie uit moest oefenen in plaats van de industrie te controleren. Volgens de Fascistische theorie was de werkgever gelijk aan alle arbeiders en andere burgers, een dienaar van de staat die moet handelen in het belang van de gehele natie. De functie van de werkgever was om binnen zijn eigen bedrijf te handelen als een leider en vertegenwoordiger van de nationale economie.

Als er onenigheid ontstond tussen werkgevers en arbeiders voorzag de staat in regelingen via speciale rechtbanken die voor dit doel waren op gezet; de besluiten van deze rechtbanken waren bindend voor beide partijen. Er was dus een gelijkheid tussen werkgever en arbeider onder de wet van de staat om industriële onenigheid af te handelen. Fascistisch Italië vertegenwoordigde het principe van corporatieve organisatie gericht en gecontroleerd door de onafhankelijke staat. In het Italië van Mussolini werd de nadruk gelegd op het principe van gedelegeerde corporatieve autoriteit, met corporatieve instituties die elk hun toegewezen gebied van collectieve rechtsbevoegdheid hadden. Il Duce beweerde dat de dominantie van de functionele groep ondergeschikt was aan de coördinerende discipline van de staat.




In het Nationaal-Socialistisch Duitsland werd Dr. Schacht, Gouverneur van de Rijksbank en Minister van Economische zaken, door Hitler gedwongen om zijn grote macht over buitenlandse handel en valuta te gebruiken om de politieke invloed van Duitsland in het buitenland te versterken en een beleid van nationale zelfvoorziening of autarkie af te dwingen.         

In zowel Italië als Duitsland ging staatsbemoeienis in het economische veld veel verder dan dat het voor de wereldcrisis en depressie van de jaren ’30 ging. In beide naties dwong het element van economische problemen de staat om in te grijpen en daarmee zowel de financiële als industriële structuren te redden. De banken moesten hervormd worden met hulp van de staat. In beide landen vroeg de valuta situatie om een stugge controle op alle buitenlandse valuta operaties, uitgevoerd door de Centrale Bank namens de staat. Deze noodzaak om de valuta te beschermen leidde tot een strenge controle op de import, niet enkel van tarieven maar ook van allerhande quota’s, embargo’s en restrictieve handelsbeperkingen met andere staten. In zowel Italië als Duitsland leidde de noodzaak om te vechten tegen de werkeloosheid tot uitgebreid openbaar werk beleid en het subsidiëren van private industrieën om deze over te halen om extra arbeidskrachten aan te nemen. In beide naties leidde dit beleid tot interne monetaire expansie en pogingen om de levenskosten terug te brengen door staatscontrole over prijzen. Er werden inspanningen gedaan om de productie van voedsel thuis te stimuleren zodat de noodzaak tot het importeren van producten zou verminderen en eveneens omdat, zowel het Fascisme als het Nationaal Socialisme ernaar streefden om de boeren te beschermen tegen de catastrofale effecten van de val van de landbouwprijzen wereldwijd.

In Duitsland organiseerden de Nationaal Socialisten de arbeiders in een Arbeidsfront, waarmee de regulatie van arbeidsomstandigheden compleet onder controle van de staat viel. Echter door de Mark te behouden met de onveranderlijke waarde van goud kon geen enkele kostenbesparing een afname in export voorkomen. Onder deze omstandigheden werd het onmogelijk om nominaal op de goudstandaard te blijven zonder dat de export drastisch werd ingeperkt. Dit leidde tot een autarkisch systeem van bijna absolute bescherming voor de meeste producten van de Duitse industrie; en tegelijkertijd werd bijna complete bescherming over de Duitse landbouw uitgeroepen. Het werd onmogelijk om zonder toestemming van de Rijksbank goederen te importeren in Duitsland. Deze toestemming was moeilijk te verkrijgen met uitzondering voor onmisbare grondstoffen of met duidelijke afspraken over wederzijdse uitwisseling van producten. Onder Hitler bouwde de Duitse regering een structuur van economische controle die invloed had op elk vlak van zakelijk ondernemerschap.

Minister van Papen introduceerde een methode om kapitale investeringen te stimuleren door belastingverlaging en uitstel, dit speelde een grote rol in de heropleving van zware industrie en het terug brengen van de werkeloosheid. Het Derde rijk en de Rijksbank begonnen via subsidies ook te investeren in zakelijke ondernemingen om nieuw constructief werk te financieren. Dit economisch nationalistisch en expansionistisch beleid zorgde voor een grote afname van de werkeloosheid en een grote toename van de productie die verder ging in de constructieve industrieën dan enkel diegenen die consumentengoederen leverden. Er was een substantieel herstel binnen deze grenzen en dit herstel omvatte een voortzetting van de meest brede vormen van publieke controle. De productie kon enkel uitbreiden in die takken die zonder geïmporteerde middelen konden produceren; om het zakenleven te compenseren voor de sterke staatscontrole kregen kartels een verzekering van een beschikbare markt door restricties en verboden op nieuwe concurrerende ondernemingen. Kartels, gebaseerd op verplicht lidmaatschap, werden meer dan staatsgereguleerde monopolies op het gebied van productie omdat deze werkten op door de staat gecontroleerde kosten en verkoop via door de staat gereguleerde prijzen. De staat moest de balans vinden tussen het toestaan van winst voor de monopolies om hen aan te moedigen nieuwe investeringen te doen en het beschermen van de consumenten wiens inkomen door de staat beschermd werd tegen exploitatie van de monopolies.


De staat werd eigenaar van een groot deel van het economisch apparaat en de activiteit van dit apparaat was deels afhankelijk van regeringsbestellingen voor publieke werken, regeringssubsidies aan de industrie voor kapitaal constructie, kwijtschelding en uitstel van belasting, regeringsbewijzen, restricties en bevelen, regeringsregulatie van loon en prijzen om te voorkomen dat de koopkracht verdween, regeringsmanipulatie van buitenlandse handel en valuta, regeringsaanmoediging voor de landbouw en het drukken van nieuw geld door de regering.

In 1933 kwamen de Nationaal-Socialisten aan de macht als de uitgesproken vijanden van het groot kapitaal en de vrienden van de kleine man en de Duitse arbeider die werd onderdrukt door de grote kapitalistische trusts. De NSDAP was de verstokte vijand van het Marxisme maar was de vertegenwoordiger van een Nationaal-Socialisme dat het belang van het gehele volk ver wist verheffen boven sectionele belangen. De boeren en arbeiders profiteerden van het Duitse economisch beleid; omdat de Nationaal-Socialisten een zelfvoorzienende voedsel productie in Duitsland wilden realiseren, dit was niet mogelijk zonder de boer profijt te geven van hoge prijzen voor zijn productie. De industriële productie nam sterk toe nadat de Nationaal-Socialisten aan de macht kwamen en meer en meer arbeiders van werk werden voorzien. De vraag naar werk werd omhoog gehouden door publieke werken. Wegen werden in grote mate aangelegd evenals vliegvelden; veel energie werd gestopt in het ontwikkelen van de luchtvaart.

Om immuniteit te verkrijgen voor een internationaal boycot van Duitse goederen die konden dienen als middel om de bevolking te laten verhongeren, werd de thuisproductie van Duitse etenswaren sterk verhoogd. Walter Darre, minister van landbouw voerde dit programma uit. Het was ook noodzakelijk om het land meer zelfvoorzienend te maken voor essentiële grondstoffen en de voorraad van vreemde valuta in Duitsland te gebruiken om materialen op te slaan die Duitsland niet binnen haar grenzen kon verkrijgen. Om deze noodzaak zo klein mogelijk te houden werd er veel geld besteed aan intensief onderzoek naar in eigen land geproduceerde substituten. Import werd beperkt tot een minimum en bepaalde goederen en substituten zoals rubber en brandstof werden in Duitsland vervaardigt in plaats van te importeren zoals men eerder deed. Dit proces van vervanging leidde tot een nieuwe constructie van kapitaal en zorgde voor handel voor enkele van de investeringen die plaats vonden om de expansie van economische activiteit te waarborgen. De interne expansie van de Duitse economie werd behouden door de stimulans in investeringen door de actieve vervanging van export goederen voor eigen geproduceerde substituten. De werkgever verspilde zijn winsten niet aan import of hamsterde deze niet, maar de staat leende deze winsten en investeerde in publieke doeleinden.

Terwijl de efficiëntie van de productie steeg nam de koopkracht verder toe. De Nationaal-Socialisten wensten een hoge levensstandaard en voorzagen hierin door de lonen te verhogen, de prijzen te verlagen en een verzoenende autarkie te realiseren met hoge winsten en een hogere efficiëntie in de productie. De Duitse regering deelde met vroege Nationaal-Socialistische theoretici zoals Gottfried Feder het Nationalistische vooruitzicht en de vastberadenheid om de werkeloosheid sterk terug te dringen.     

     

1 opmerking: