maandag 27 februari 2017

Revolutionair Syndicalisme: Een Franse Specialiteit


"Het Franse syndicalisme ontstond als reactie van het proletariaat tegen de democratie."  
- H. Lagardelle


In de historie van de Europese arbeidersbeweging heeft het Franse revolutionaire syndicalisme een speciale plaats vanwege haar opvallende organisatie en actievormen.  

De Oorsprong

Doordat de bourgeoisie de Grote Revolutie van 1789 voor haar eigen belangen wist te gebruiken, vestigden zij hun dominantie. Een van haar belangrijkste prioriteiten was om de arbeiders ervan te weerhouden zichzelf te verdedigen tegen hun uitbuiting. Onder het valse voorwendsel van het opheffen van de gildes van het Ancien regime, verbood de “Le Chapelier” wet van 1791 elke overeenkomst tussen arbeiders om hun eigen belangen te behartigen. Elke poging om zich te organiseren werd veroordeeld als "een poging om de vrijheid en de 'verklaring van de rechten van de mens' omver te werpen."

Als gevolg hiervan werd in het geheim de arbeidersbeweging geboren. De toenemende ontwikkeling van belangenorganisaties voor en door arbeiders werd erkend door het Tweede Rijk, dat een einde maakte aan de criminalisering van de vakbonden in 1864. Echter de bloedige repressie van de Commune van Parijs leidde ertoe dat de beste revolutionaire kaders verdwenen. Na de 'Bloedige Week' werden zij doodgeschoten, verbannen of gedeporteerd naar concentratiekampen in de Franse koloniën.       

Vanaf toen stond de arbeidersklasse onder het draconische toezicht van de opeenvolgende regeringen. De bourgeoisie, angstig voor een algemene opstand tegen haar macht, was vastberaden om deze te behouden. Dit burgerlijke egoïsme kan niet begrepen worden zonder rekening te houden met de permanente angst van de bourgeoisie om al het eigendom te verliezen dat zij opgekocht hadden. Voor de arbeiders was de staat inmiddels het repressieve apparaat van het kapitaal geworden. In 1831, 1848 en 1871 onderdrukte de heersende klasse met grof geweld de legitieme eisen van de arbeiders. Deze ervaring smeedde de vastberadenheid van de proletarische voorhoede om niet te onderhandelen met de autoriteiten, maar om er tegen te strijden.

Het anti-parlementarisme van het revolutionair syndicalisme kan uitgelegd worden met de overtuiging dat er geen hervorming mogelijk is in een systeem dat is voortgekomen en wordt gedomineerd door het kapitalisme. Ook het anti-militarisme vindt hier haar oorsprong: het leger werd niet langer gezien als de verdediger van de natie, maar als de breker van stakingen. De inzet van troepen was het antwoord van de openbare macht op de eisen van het volk. De intense anti-militaristische propaganda van de revolutionaire syndicalisten kon op bijval rekenen van andere klassen, die hun zoons niet in dienst wilden zien gaan voor het repressieve regime.  


Bourses du Travail

Met de uitroeping van de Derde Republiek kwam er nog steeds geen einde aan de onderdrukking. De desorganisatie van de syndicalistische structuren leidde echter tot een opleving van reformistische groepen, die overeenkomsten met de staat en de bourgeoisie wilden sluiten. Het resultaat daarvan bevestigde echter de nutteloosheid van de dialoog ten opzichte van repressie. Dit vertaalde zich in een herleving van de revolutionaire syndicaten.  Tijdens deze periode moedigden de werkgevers de stadsbesturen aan om arbeidsraden te creëren, met als doel de arbeidskracht te circuleren en de arbeidsmarkt op regionaal niveau te controleren. Deze ontwikkeling breidde zich snel uit (van de eerste in Parijs, 1887 tot Toulouse in 1890). Echter, al snel werden deze arbeidsraden toegeëigend door revolutionaire militanten als centra voor de sociale strijd. 

Het organiseren van arbeiderssolidariteit werd het laboratorium voor toekomstige vormen van actie door Franse syndicalisten. Deze beweging werd geleid door een uitzonderlijke man, Fernand Pelloutier, die een van Georges Sorel zijn belangrijkste inspirators werd. Deze omschreef hem als "een van de grootste namen in de geschiedenis van de syndicaten." Hij was de drijvende kracht achter de 'Franse Federatie van Arbeidsraden' (Fédération des bourses du travail de France). Grotendeels dankt de Franse arbeidersbeweging het idee van de algemene staking en de onafhankelijkheid van de syndicaten ten opzichte van de politieke partijen en de staat, aan hem. Hij stond recht tegenover Jules Guesde, oprichter van de Marxistische 'Parti Ouvrier Français', die de partijpolitiek boven de syndicaten stelde.         

De raden streefden twee vormen van actie na. In de eerste plaats sociale actie, die bestond uit het plaatsen van arbeiders en om hen te helpen zich professioneel te verbeteren. De arbeidsraad diende als concrete toepassing van het revolutionaire socialistische programma via professionele en algemene educatie, medische dispensaria die zich toelegden op het bestrijden van verzekeringsbedrijven die te zelfgenoegzaam waren om uit te keren bij bedrijfsongevallen, bibliotheken voor de ideologische vorming en vrije tijd van de arbeiders en juridische hulp over de nieuwe sociale wetten van de Derde Republiek. Het onderrichten van het volk was een van Pelloutier zijn belangrijkste prioriteiten, zoals de slogan "leren om in opstand te komen" getuigt. Voordat de arbeiders kunnen emanciperen, moeten zij eerst de realiteit van hun uitbuiting beseffen. Zoals Emile Pouget verklaarde; "De taak van revolutionairen bestaat niet uit toevallige pogingen tot gewelddadige opstanden, maar om de geesten voor te bereiden zodat deze opstanden uitbarsten als de juiste omstandigheden zich presenteren."

En in de tweede plaats; activisme om de arbeiders met de syndicaten te verenigen. De vestiging van arbeidsraden leidde tot de ontwikkeling van syndicaten die konden terugvallen op hun netwerken. Zij werden verzamelplaatsen voor stakende arbeiders, de arbeidskas werd gevuld met geld vanuit de fabrieken, om de arbeiders bij te staan in hun strijd. De 'Confédération Générale du Travail' (CGT) en de 'Fédération des bourses du travail de France' gingen samen in 1902 tijdens het congres van Montpellier, waarmee een centrale organisatie ontstond, bestaande uit twee secties; de arbeidersfederatie en de arbeidsraden. Hier ging de stichtende gebeurtenis van de Franse syndicalistische beweging aan vooraf: de geboorte van de CGT.   



1895: De CGT

Toen in 1884 het wettelijk toegestaan was om syndicaten te vormen, probeerde de Republiek de arbeidersklasse ertoe te verleiden hun objectieve bondgenootschap met het grootkapitaal te vergeten. Het overgrote deel van de arbeiders stond erg wantrouwig ten opzichte van deze nieuwe wet, omdat zij er terecht vanuit gingen dat deze was uitgeschreven om juist die structuren te controleren die voorheen nog clandestien waren. Na voorbereidende onderhandelingen in Limoges, werd in september 1895 de Confédération Générale du Travail (CGT) opgericht, met als voornaamste doelstelling "de arbeiders in de economische strijd te verenigen met sterke banden van solidariteit, teneinde haar complete emancipatie te werk te stellen."

Na de eerste chaotische jaren onder het leiderschap van Victor Griffuelhes, zou de organisatie een tijd van intense activiteiten doormaken. Als secretaris-generaal van de CGT, was deze oud arbeider een overtuigd Blanquistisch militant, die van deze organisatie een machine voor de klassenstrijd zou maken. Samen met zijn trouwe kameraad Emile Pouget, was hij overal waar een staking uitbrak aanwezig. Niet gewend aan eindeloze discussies, legde hij zijn autoriteit met harde hand op. Dit werd hem vaak verweten en leverde hem dan ook veel vijanden op, aan zijn oprechtheid kon echter nooit getwijfeld worden. Met dank aan zijn meedogenloze karakter werden geschillen tussen verschillende stromingen bijgelegd en verkreeg het syndicaat volledige onafhankelijkheid van de staat, die probeerde om haar leiders te corrumperen.

Tijdens de aanname van het 'Handvest van Amiens' op het congres van 1905 werd verklaard dat: "De CGT buiten elke politieke school om, alle arbeiders verzamelt die zich bewust zijn van de strijd voor het verdwijnen van loonarbeid en werkgevers... Het congres erkent dat deze verklaring een erkenning van de klassenstrijd in het economische domein is, die de arbeiders laat rebelleren tegen iedere vorm van uitbuiting en onderdrukking, zowel materieel als moreel, door de kapitalistische klasse tegen de arbeidersklasse.




Directe Actie

In de socialistische beweging van januari, 1905 omschrijft Victor Griffuelhes directe actie als volgt: "Directe actie betekent actie door de arbeiders zelf. Daarmee bedoelen we, actie die rechtstreeks uitgeoefend wordt door de belanghebbende partijen. Het is de arbeider zelf die zijn inspanningen leidt: hij persoonlijk oefent die uit tegen de machten die hem domineren, om zo de voordelen te krijgen van wat hij eist van hen. Via directe actie creëert de arbeider zijn eigen strijd, hij leidt deze zelf, zonder de verantwoordelijkheid van zijn emancipatie aan een ander persoon uit te lenen." De revolutionaire syndicalist leidt de strijd voor verbeterde arbeidsomstandigheden zelf zodat "de dagelijkse strijd, de revolutie voorbereidt, organiseert en realiseert", voegt hij eraan toe.   

Directe actie, uitgevoerd door actieve en bewuste minderheden, is er op gericht om de geesten te raken (zoals bij de algemene staking van 1907 toen Parijs volledig in het duister werd gelegd als gevolg van een sabotage actie door syndicalistische elektriciens). Het moet de wil van de arbeiders aan de werkgever opleggen. Het mogelijke gebruik van proletarisch geweld kan onderdeel van deze strategie zijn. "Er is enkel complete emancipatie als de uitbuiters en de bazen verdwijnen en de lei schoon geveegd is van alle kapitalistische instituties. Een dergelijke taak kan zich niet vreedzaam voltrekken, noch legaal! De geschiedenis leert ons dat de gepriviligeerden nooit hun privileges hebben opgeofferd zonder daartoe gedwongen te worden door hun rebellerende slachtoffers. Het is onwaarschijnlijk dat de bourgeoisie een buitengewone grootmoedigheid heeft en vrijwillig aftreed... Het zal noodzakelijk zijn om tot geweld over te gaan, dat, zoals Karl Marx het stelde, de vroedvrouw van de samenleving is." (Emile Pouget - CGT) 




De Mythe van de Algemene Staking in Actie

In 1904 brak er een felle strijd uit voor de 8-urige werkdag tussen de CGT en de staat. De campagne mondde uit in een gewelddadige demonstratie op 1 Mei 1906, waarvoor al een jaar lang gemobiliseerd werd. Alle krachten van de organisatie waren 8 uur lang in strijd. De context was er een van opstand, de wereld van de arbeid was woedend na het drama van de Courrières mijn, waar 1200 mijnwerkers overleden. 40.000 mijnwerkers uit Pas-de-Calais riepen een spontane staking uit. Repressie richtte niets uit en de woede verspreidde zich enkel verder. Zeker 200.000 stakers in de bouw werden gemobiliseerd (een bastion van revolutionaire syndicalisten), de metaal, printpers ... de beweging culmineerde uiteindelijk tot 438.500 stakers door heel Frankrijk! De regering had grote angst voor een dreigende sociale oorlog en botsing tussen de twee antisysteemkrachten in deze episode: de revolutionaire syndicalistische beweging en de nationalistische beweging (convergenties waargenomen door Professor Zeev Sternhell). 

Maar de Franse Premier Clemenceau en zijn opvolger A. Briand waren erg effectief met het corrumperen van syndicalistische leiders en infiltratie door provocateurs (de politie archieven staan vol met verslagen over hun activiteiten bij de CGT), waardoor onvrede zich snel verspreidde en de acties van revolutionaire syndicalisten in diskrediet werden gebracht. Verder leidde de verergering van de interne dissidentie en de oorlog van richtingen tot een explosieve situatie onder het leiderschap.   




De Breuk: Het Proletariaat tegen de Republiek

Het was de Draveil-Vigneux affaire, die door toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken Aristide Briand werd gebruikt om het vuur te ontsteken. Een demonstratie van spoorwerkers in de regio van Parijs op 30 Juni, 1908, liep uit op een rel. Daarbij kwamen twee arbeiders om het leven. De CGT riep de arbeiders op tot een algemene staking. Na een demonstratie in Villeneuve-Saint-Georges volgden nog eens zeven doden. Met behulp van een agent-provocateur, zag de Minister van Binnenlandse Zaken kans om het gehele leiderschap van de syndicaten te arresteren. Onder hen secretaris-generaal Victor Griffuelhes, waardoor verraders hun kans schoon zagen om tijdens zijn gevangenschap een putsch door te voeren.

Hoewel de gevangen leiders snel weer vrij kwamen, werd er in de schaduw van de handlangers van Briand, de penningmeester Lévy (hoogstwaarschijnlijk corrupt) en Latapie, een lastercampagne gehouden tegen Griffuelhes. Hij werd beschuldigd van misbruik van fondsen bij de aankoop van een lokaal. Op het volgende congres trad de verbitterde secretaris-generaal af met een crisis als gevolg. Niel volgde hem op, nadat hij met behulp van de reformistische stemmen werd gekozen op de 25ste februari 1909. De revolutionaire syndicalisten lieten hem echter niet met rust en zes maanden later werd hij gedwongen om weer af te treden.  

Hij werd vervangen door Léon Jouhaux. Het was geen toeval dat de spanningen met de staatsmachten vanaf 1910 weer toe begonnen te nemen. In oktober tijdens een staking van spoorwerkers, binnen een campagne tegen de hoge kosten van levensonderhoud, zag Briand kans om de CGT te laten opheffen. Briand besloot om een voorbeeld te stellen: de Durand affaire. De secretaris van het kolenbranders syndicaat van Havre werd ter dood veroordeeld vanwege stakingsacties waar hij geen enkel aandeel in had. Als gevolg ontstond er een gigantische protest beweging van arbeiders.

Tijdens dit cruciale moment in de geschiedenis, stond de werkende wereld grotendeels vijandig ten opzichte van de liberale Republiek. Er was walging jegens de houding van de oude Dreyfusards (Clemenceau en Briand), die de arbeidersklasse hadden opgeroepen om te mobiliseren voor gerechtigheid, maar eenmaal aan de macht zichzelf ontmaskerden als moordenaars van het volk. Deze afwijzing van de democratie hield aan tot aan de eerste wereldoorlog. De uitbarsting van de Grote Oorlog was een mislukking van de revolutionaire syndicalisten. Nadat zij alles er aan hadden gedaan om de mars naar oorlog te stoppen, hield het patriottische elan naar de Heilige Unie hen tegen. Bij het graf van Jaurès, riep Léon Jouhaux de arbeiders op om de richting van het regime te volgen. Deze omarming van de Heilige Unie betekende het einde van de heroïsche periode van het syndicalisme en de directe actie van de CGT, welke na de oorlog werd overgenomen door bureaucraten, die er het reformistische instrument van gemaakt hebben dat het vandaag de dag is.  





donderdag 23 februari 2017

Horst Wessel: Martelaar van het revolutionaire Nationale Socialisme


“Wie in Berlijn tot de gelederen der SA toetrad, behoorde tot de vogelvrijverklaarden. Zijn weg voerde hem op het nauwe pad tussen enerzijds de politie en anderzijds de (communistische) meute. Maar een weg terug was er voor hem niet: de man diende ófwel stand te houden ófwel te sneuvelen.” – Dr. Goebbels in Kampf um Berlin



De (samen met Hans Maykowski) zonder twijfel meest prominente “Blutzeuge” (martelaar) van de Berlijnse NSDAP werd op 10 januari 1907 in Bielefeld geboren als zoon van een predikant. Na de verhuizing van het kleinburgelijke gezin naar Berlijn, bezocht Horst zelf hier het gymnasium. De weerzin tegen zijn afkomst en milieu dreef hem al vroeg in de politiek, reeds in 1922 trad hij toe tot de Bismarck Orde (Ortsgruppe 21, Kronprinzessin). Bij de Bismarck Orde ging het om een door de latere NS-gouwleider Wilhelm Kube geleide massaorganisatie van de DNVP (Deutschnationale Volkspartei). In het kader van de door de Orde uitgevoerde beveiliging (Saalschutz) van volksnationale bijeenkomsten kwam Horst in het voorjaar van 1924 in contact met de Wiking Bund onder leiding van Kapitein Ehrhardt. Deze Bund fungeerde als opvang organisatie voor de voormalige leden van de marinebrigade Ehrhardt (in belangrijke mate betrokken bij de Kapp-Putsch). Verder knoopte hij in deze periode contacten aan met activisten van de terroristische “Organisation Consul”. De “O.C.” nam o.a. de verantwoordelijkheid op zich voor het terechtstellen van de Novembermisdadigers Rathenau (Reichsaußenminister) en Erzberger (Erfüllungspolitker van de geallieerden).


Horst bleek blijvend onder de indruk van het onvoorwaardelijke activisme van de mannen van Ehrhardt, dat zich weldadig onderscheidde van het reactionaire karakter van de Duits nationalisten. Consequent werd hij, hoewel drager van het zilveren ereteken van de Bismarck Orde, tevens lid van de Wiking Bund, wat hem in juli 1924 een (later geseponeerde) royementsprocedure opleverde. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat de gymnasium leerling op een bijeenkomst in NS uniform gekleed was, destijds voor Ehrhardts mannen niet ongewoon. De breuk was evenwel niet meer af te wenden. Op 12 februari 1925 verliet Horst Wessel de Bismarck Orde en zette zich vanaf die tijd volledig voor Wiking in. Ook zijn installatie als student in de rechten op 19 april 1926 veranderde hieraan niets. Slechts een maand later werd de Bund in Pruissen verboden vanwege de verwikkeling van de Berlijnse Landesführer Sonderstern in putschvoorbereidingen. Het gerechtelijke onderzoek in deze moest overigens wegens gebrek aan bewijs later worden geseponeerd. Horst Wessel, thans politiek dakloos en geïrriteerd door Ehrhardts tijdelijke alliantie met de reaktionaire Stahlhelm, zag nu de zich in de opbouwfase bevindende Berlijnse SA als alternatief. Heinz Hauenstein, de bekende voormalige Freikorpsleider en pioneer van de Noordduitse NSDAP verzamelde hier de sociaalrevolutionaire elementen rond zich die in de oppositie stonden tot gouwleider Schmiedlicke en SA-leider Daluege. Ondanks de op dat tijdstip in de Berlijnse gouw heersende anarchistische toestanden verscheen Wessel’s naam in oktober 1926 voor het eerst op een ledenlijst van de SA-Berlijn.


Op 1 november 1926 nam Dr. Goebbels de leiding op zich van de uiteenvallende gouw-Großberlin en maakte meteen een begin met de reorganisatie ervan. In tegenstelling tot de algemeen gangbare mening was Wessel niet meteen overtuigd van de capaciteiten van de nieuwe gouwleider, iets waartoe ook de verwijdering van Hauenstein zal hebben bijgedragen.


Ongeacht al zijn twijfels verwierf hij in december het lidmaatschap van de NSDAP. Het directe en ook voor autoriteiten niet buigende karakter van Horst zal wel tot een direct en stevig gesprek met de Doktor hebben geleid (de dagboekaantekeningen uit deze periode zijn spoorloos verdwenen). Ook de belangstelling van de gouwleider voor de NS-studentenbond is mogelijk tot deze contacten te herleiden. Een indrukwekkende belevenis zal voor Horst de deelname aan de derde Reichsparteitag in Nürnberg (augustus 1927) zijn geweest, waar het tot een heftige controverse kwam rond de studentenbond. In het wintersemester 1927/ 1928 ging de rechtenstudent tijdelijk naar Wenen. Parallel hieraan kreeg hij van de gouwleider de opdracht om hier het politieke werk van de Oostenrijkse Nationaal-Socialisten onder de jeugd te bestuderen. De voorwaarden hiervoor had Wessel zich verworven doordat hij tijdelijk leiding had gegeven aan een eenheid van de Deutsche Arbeitersjugend (de latere Hitlerjugend). Tijdens zijn tijd in Wenen nam hij actief deel aan de gewelddadigheden tegen de jazzopera “Johnny spielt auf”. Veelbetekend is zijn opmerking per brief aan een vriend op 20 februari 1928 dat, in tegenstelling tot gouw-Großberlin, de gouw Wenen voorbeeldig is georganiseerd. Na beëindiging van het studentensemester in Wenen stopte Horst met zijn rechtenstudie en nam de leiding van SA-staatcel Alexanderplatz op zich, welke tot de zeer sociaalrevolutionair ingestelde SA-Sturm 1 (Standarte 4) behoorde. Voorts deed hij van zich spreken als propagandist en redenaar. Op 15 januari 1929 viel hij op een zaalbijeenkomst in Bln-Friedenau de Duitsnationalen frontaal aan. Aansluitend betreurde hij in een persoonlijk gesprek met Dr. Goebbels het gebrek aan activisme in de gelederen van de SA. De gouwleider noteerde vervolgens in zijn dagboek: “ Ik bevind mij in een dilemma. Indien wij in Berlijn activistisch worden, slaan onze mensen alles kort en klein.” Hierna volgden er regelmatig bijeenkomsten, waar Wessel en Dr. Goebbels met name de verhouding van de NSDAP tot de Duitsnationalen, respectievelijk de Stahlhelm, en tot de Nationaal-Socialistische Revolutie bespraken. Ook de Doktor toonde zich not amused, toen Hitler in april 1929 een begin maakte met de toenadering tot burgerlijk rechts en zich zelfs positief met betrekking tot het parlementaire uitsprak. “En uitgerekend nu, waar het erop aankomt om zijn zenuwen in bedwang te behouden. Het is om te vertwijfelen! Wij hebben nog te veel kleinburgers in de partij. De koers van die lui uit München is af en toe onverdraaglijk. Ik ben niet bereid om mee te werken aan een halfslachtig compromis. Ik zal, ook al kost het mij mijn persoonlijke positie, de rechtlijnige weg blijven bewandelen. Soms twijfel ik aan Hitler… in de S.A.-groepen is er al sprake van ernstige verwarring.” Na één van deze besprekingen besloot de gouwleider om over te gaan tot de offensieve strijd tegen de reaktionaire Duits nationalen, aangezien Hitler het verkoos alles desbetreffende vragen niet te beantwoorden. Deze campagne werd door de Reichsleitung in München gesaboteerd, doordat deze zich (mogelijk voorgesteld door uitgerekend Otto Strasser) uitsprak voor deelname aan het volksrefendum tegen het Young-plan. Hierover verklaarde het lid van de linkervleugel en geestverwant van Horst Wessel, Bodo Uhse:” Hitler heeft de jonge legers van bruinhemden gekoppeld aan degenen, die wij dag in dag uit hartstochtelijk hebben aangeklaagd, want zij brengen met hun zucht naar winst schande over de naam van de natie, gekoppeld aan de Ewiggestrigen behept met hun achterlijk stand- en rang gericht denken.” “Op het beslissende ogenblik, toen de strijd buiten het door deze staat opgelegde legale kader gevoerd had dienen te worden, heeft Hitler zijn weg georiënteerd op de vreedzame beschutting van de Weimarrepubliek, heeft hij in gezelschap voor hun business, aan het volk een vraag gericht, die nooit eerlijk gemeend, die een bedrog was. In het uur van de waarheid, toen risicovol handelen noodzakelijk scheen, speelde Hitler op veilig. Hij verbond zich met de reaktie en het ontevreden grootkapitaal.”


Deze weg leidde naar het Harzburger Front, naar de vervolging van de linkervleugel en van ongeorganiseerde, revolutionaire Nationaal-Socialisten. Het culminatiepunt vormde het neerslaan van de zogenaamde “Röhm-Putsch” op 30 juni 1934. Horst Wessel fungeerde sinds de 1e mei 1929 als Truppführer in Bln-Friedrichshain en bouwde hier de SA-Sturm 5 op. Onder zijn mannen bevonden zich talrijke voormalige aktivisten van de KPD en de aan deze gelieerde Rotfrontkämpferbund (RFB), wat ook tot uitdrukking kwam in de vorming van een tot dan toe alleen bij de RFB aanwezige Schalmeinenkapelle (muziekkorps). De student Wessel dichtte aan de hand van een communistische strijdlied het bekende “Die Fahne Hoch!” (“Hitlerfahnen über Barrikaden!”), dat later, op bevel van Röhm van zijn scherpste kantjes ontdaan, tot het tweede nationale volkslied van het Derde Rijk zou worden. Na een weinig opgemerkt debuut in Frankfurt/Oder beleefde “Die Fahne Hoch!” zijn première in Berlijn 6 september 1929. Korte tijd later werd het eveneens in de “Angriff” (door Dr. Goebbels uitgegeven Kampfblatt voor de gouw Großberlin) afgedrukt. Tegen deze tijd hard Horst zich echter reeds meer en meer uit het partijwerk over de pro-burgerlijke koers van Hitler, aan de andere kant echter in zijn privé-sfeer (de relatie met ex-prostituee Erna Jaenicke) gelegen.


Wessel betrok met zijn jonge vrouw kwartier bij de weduwe Salm in de Große Frankfurter Straße 62. Na onenigheden riep de verhuurster de hulp in van strijdmakkers van haar overleden man, die activist was geweest bij de RFB. Onmiddellijk, het was 14 januari 1930, toog een overvalcommando onder leiding van de communistische pooier Albert (“Ali”) Höhler op weg. De geplande “proletarische aframmeling” voor Horst Wessel escaleerde, want Höhler kende Erna Jaenicke nog uit slechtere tijden. Ook voor zijn kameraden totaal onverwacht trok “Ali” Höhler plotseling een pistool en strekte Horst met een schot door de mond neer. Op 23 februari bezweek Horst Wessel na een wekenlange worsteling aan zijn zware verwondingen.


Gouwleider Dr. Goebbels, totaal geschokt en geplaagd door een slecht geweten, aangezien hij toch zeer wel en rebelse vertegenwoordiger van de linkervleugel was, greep de gelegenheid met beide handen aan en riep de voormalige leider van Sturm 5 uit tot Martelaar der Beweging, dit tegen het veto van de Reichsleitung in München in. Reeds op 26 januari verscheen de Angriff als Horst Wessel extra editie en op 1 maart volgde met groot vertoon de begrafenis op het Berlijnse Nikolaï Friedhof. Naast Dr. Goebbels spraken aan Wessel’s graf de OSAF (Oberste SA-Führer) Franz Pfeffer von Salomon, SA-Standartenführer Breuer en twee representanten van de NS-Studentenbond. Hitler bleef demonstratief van de begrafenis weg, hetgeen voor het overige een aanwijzing te meer vormde voor de slechte verstandhouding tussen “Munchen” en de gouwleiding van Großberlin. Partijleider Hitler gaf er de voorkeur aan om “ter ontspanning” in Berchtesgaden te blijven.



Gedurende de begrafenisplechtigheid leverden de communisten felle straatgevechten met de systeempolitie in de directe omgeving van het kerkhof en bekladden de muren ervan onder toespeling op Erna Jaenicke met hetzerige leuzen; Voor de pooier Horst Wessel een laatste maal Heil Hitler! Als antwoord op de ongeïnteresseerde houding van Hitler presenteerde Berlijn’s gouwleider zich op de massabijeenkomst in het Sportpalast (4 april) met citaten uit het Horst Wessel-lied als pur-sang revolutionair. Op 26 september 1930 werden de moordenaars van Horst Wessel tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld; de hoogste straf, zes jaar en een maand tuchthuis, was voor Höhler. De verbittering van de SA over het onwaardige gedrag van de Kommune verdween daardoor natuurlijk niet (de daders ontgingen hun verdiende loon niet, toen de S.A. in september 1933 hun gevangenis bestormde). Toen begin april 1931 de S.A. ten oosten van de Elbe onder het commando van Majoor Walter Stennes tegen de leiding in München in opstand kwam, verwierpen de rebellen onder expliciete verwijzing naar de gebeurtenissen van 1 maart 1930 elke samenwerking met de in principe ook voor revolutionair Nationaal-Socialisten toegankelijke Kamfbund gegen den Faschismus (KgF), een KPD-frontorganisatie. Dr. Goebbels nam in deze overigens een tamelijk ondoorzichtige positie in; op zijn minst zijdelings was hij betrokken bij de voorbereidingen van de revolte. Eén van de verklaarde doelstellingen van de rebellen was het namelijk om hém en niet de onsympathieke Otto Strasser als de leider van een onafhankelijke, sociaalrevolutionair ingestelde Noordduitse NSDAP te proclameren. Ook na het einde van de Stenne-revolte, die hem bijna zijn strafoverplaatsing naar Wenen had gekost, zette Dr. Goebbels zijn campagne rond zijn voormalige discussiepartner als Martelaar der Beweging voort. Op 15 augustus 1931 bijvoorbeeld leidde hij persoonlijk de inwijding van het vaandel van de nieuw opgestelde SA-standarte 5 “Horst Wessel”. In juli 1932 gevolgd door het boek; Horst Wessel – Leben und Sterben, uitgegeven door de NSDAP-Partijuitgeverij terwijl de in de herfst van dat jaar gepubliceerde roman van Hanns Heinz Ewers; Horst Wessel in slechts luttele weken een oplage van 30.000 exemplaren bereikte. Ook Otto Strasser deed pogingen om de martelaar Horst Wessel ten gunste van zijn beweging te lijven, o.a. verscheen op 30 oktober 1932 in het Schwarze Front, het Strasser-orgaan, uit dien hoofde een hoofdartikel ter herinnering aan de revolutionaire Nationaal-Socialist Horst Wessel.

dinsdag 14 februari 2017

Autonome en Antikapitalistische strijd in Europa: Voor de Sociale Revolutie!

Al vanaf haar eerste begin heeft de autonome beweging in Europa zich ontwikkeld als een uitingsvorm van niet-hiërarchisch gestructureerd militant activisme, dat geheel en al los staat van welke klassieke structuren (politieke organisaties, centralistische leiding) dan ook.

 Met de Autonomia Operaia (Arbeidersautonomie) in Italië als voorbeeld probeert de autonome beweging een nieuw soort van politieke engagement zijn intrede te doen vinden, een activisme dat uitgaat van de basis, vaak op individuele grondslag en ongebonden, waarin géén plaats is voor wat voor leiders, bazen, bonzen, voorzitters etc. dan ook en waarin elke groep en elke individuele activist zich aaneensluiten om gezamenlijk door iedereen onderschreven doelstellingen te realiseren.


Een soort van “militant voluntarisme”, dat nièt de op dat moment in de ‘mode’ zijnde politieke stroming dan wel het stereotype symbolische ‘nationalisme’/’international-isme’ achterna hobbelt, maar zich baseert op radicale waarden en eenduidige concepten die refereren naar een heterogene (veelzijdige) samenstelling. Een ‘militant voluntarisme’, dat nieuwe wegen opent en tevens een nieuwe stijl van verzet introduceert en daarmee tot referentiepunt wordt voor een ieder, die op zoek is naar een werkelijk alternatief voor het passief accepteren van het huidige systeem!


ACN/AKN marcheert in Frankrijk


Geconfronteerd met de huidige situatie in Europa van sluipende economische, sociale en politieke ineenstorting kwam het antikapitalisme al snel naar voren als speerpunt in onze strijd. Het is inmiddels tot het meest belangrijke strijdfront van alle autonome activisten in Europa geworden, gericht tegen elke vorm van uitbuiting, zakkenvullersmentaliteit, geweld, economisch imperialisme (van de kant van de grote multinationale concerns), globalisering alsmede tegen de anti-democratische oligarchie, tegen de heerschappij van de winst over de bescherming van ons milieu, tegen de misdadige dwang tot consumptie en tegen de vervreemding, veroorzaakt door een systeem, dat volledig is gebaseerd op eigenbelang en winstbejag.

De nieuwe permanente structuur van het globale kapitalisme (eigenlijk moeten we hier nièt van ‘crisis‘ spreken, aangezien het hier géén tijdelijke situatie betreft, maar integendeel de nieuwe structurele realiteit van de huidige maatschappij) heeft ertoe geleid dat de Europese economieën in een neerwaartse spiraal zijn beland, waarvan men de gevolgen in diverse landen, vooral in Zuid-Europa, al zwaar begint te voelen. Bedrijfssluitingen, massa-ontslagen en verplaatsing van de productie naar lage loongebieden buiten Europa vinden thans vrijwel dagelijks plaats. Een geheel continent verliest momenteel haar industriële basis en ondergaat bijna onopgemerkt de verwoestende gevolgen van turbo-kapitalisme en globalisering.



ACN/AKN in de straten van Parijs (Frankrijk)


In 2009 werd door activisten vanuit het Italiaanse autonome spectrum een begin gemaakt met het Stop Capitalismo-netwerk, een veelvoud aan projecten, activiteiten en propagandacampagnes gericht op het bevorderen van een soort van ‘sociale communicatie‘ en het aankweken van een antikapitalistisch bewustzijn, zowel in politiek als in cultureel opzicht, als absoluut noodzakelijke voorwaarde voor het lanceren van een permanente campagne tegen de kapitalistische globalisering. Antikapitalistische politiek is iets wat voortkomt uit het werkelijke leven en uit de werkelijke wereld, en is daarom dus een noodzaak en niet enkel een theorie! Wij zijn van mening dat, ook al denk je in grote dimensies, het desalniettemin toch de kleine dingen in het dagelijkse leven zijn, die het verschil uitmaken!

Vanaf het eerste begin richtte Stop Capitalismo daarom haar aandacht volledig op het precariaat (d.i. de loontrekkers die onder ‘precaire’ [= onzekere] arbeidsverhoudingen werkzaam zijn) en op de strijd tegen de misdadige flexibilisering van de arbeid. In dat kader organiseerde het verschillende straatacties (bezettingen, flash mobs), waarbij het doel ervan was om de mensen op de straat ervan te doordringen dat hetgeen waarmee men thans wordt geconfronteerd iets geheel nieuw en totaal anders is dan alles wat we in het verleden hebben meegemaakt.



2011: Oprichting ACN in Milaan (Italië)

Dit is géén tijdelijke (cyclische) crisis, zoals in het verleden, dit is de PERMANENTE (structurele) crisis, de crisis van het kapitalistische systeem ZELF, waarvan de schokken nog gedurende vele tientallen jaren voelbaar zullen zijn!

De eerste stap richting de SOCIALE REVOLUTIE dient het zich bewust worden van de eigen situatie te zijn. Kapitalisme betekent enkel en alleen een eindeloze cyclus van precariteit, Verelendung, verscherpte uitbuiting, crises en werkloosheid.

Zonder een bewustzijnsverandering en het besef dat kapitalisme niet alleen maar betekent ‘shoppen’, grote winkelcentra en stompzinnige consumptiedwang, maar dat kapitalisme staat voor een systeem, dat uitsluitend bestaat om winst te maken in het belang van de geprivilegeerden over de ruggen van de massa’s, dat kapitalisme staat voor de systematische uitbuiting van land en volk ten behoeve van het streven naar financieel gewin van een kleine geprivilegeerde groep en ten koste van het leven van de grote massa van het volk, zolang kunnen wij nog niet aan de Revolutie denken!


ACN/AKN marcheert in Duitsland

Al deze ervaringen deden ons de noodzaak inzien van een bundeling van de antikapitalistische strijd op Europees niveau.

Een gemeenschappelijke strategie en visie – dat is hetgeen de werkelijk antikapitalistische krachten in de verschillende Europese landen thans dringend nodig hebben!

Een en ander leidde ertoe dat rond de jaarwisseling 2011/2012 het Anticapitalist Network/Antikapitalistische Netwerk (ACN/AKN) werd gelanceerd, waarin zich inmiddels tal van autonome groepen uit – naast Italië – Griekenland, de Oekraïne, Roemenië, Frankrijk en Nederland aaneen hebben gesloten.

Dit is de juiste weg! Dit is de weg voorwaarts!

HET WERELDKAPITALISME IS DE DOODSVIJAND VAN HET EUROPESE PROLETARIAAT!

VOOR DE SOCIALE REVOLUTIE!

Daarom:
Blijf nièt passief aan de zijlijn staan –
Sluit je aan bij de antikapitalistische strijd!
Sluit je aan bij het Anticapitalist Network!

zaterdag 14 januari 2017

Georges Sorel: Een Revolutionaire Socialist


Georges Sorel (1847-1922) kunnen we als een van de grote socialistische leiders van eind 19de eeuw, begin 20ste eeuw beschouwen. Net als in de geest van Charles Péguy, was ook hij iemand die Marx en Proudhon wist te verzoenen. Hij had een hoge mystieke en morele visie op de revolutie, waardoor hij reformisten zoals Jaurès verachtte; Zij [de reformisten] zouden de puurheid van de socialistische ideeën verraden uit naam van een verzoening met de bourgeoisie en de parlementaire democratie.

Net als bij Proudhon was bij Sorel het doel van de strijd voor sociale rechtvaardigheid allereerst moraal: Mannen moesten hun karakter sterken door de praktijk van de strijd. Het was juist door de vrije acties van de Syndicaten [vakbonden] dat de arbeidersklasse de grootheid van diens cultuur kon behouden, vrij van elk puur politiek doel. Verder verdedigde Sorel de waarden van de producenten, hun werk, inzet, creativiteit en vormen van materiaal, tegenover de decadente waarden van de bezittende klasse, die enkel begaan waren met hun eigen genot en de uitbuiting van het werk van anderen.

Sorel wees allereerst en bovenal het nihilistische hedonisme van de burgerlijke wereld af, evenals de complete afwezigheid van een sterke overtuiging bij de bourgeoisie dat onvermijdelijk het logische gevolg was van kortzichtigheid, kleinzieligheid en een bekrompen wereldbeeld. Echter, paradoxaal genoeg was er in de ogen van deze denker bijna geen verschil tussen het moralisme van de bourgeoisie en dat van de socialistische leiders: Als hij de middelmatigheid van de hedendaagse wereld van het kapitaal hekelde, dat niet langer de grote 'captains of industry' uit het verleden kende, had hij geen woorden hardvochtig genoeg voor de existentiële ellende die gevonden kon worden in de reformistische compromissen, of zelfs in de regelmatige stakingen van arbeiders om een paar sociale voordelen te realiseren voor louter cliëntelistische doeleinden.

Sorel eiste dat zij in plaats van deze stakingen het idee van de algemene staking, dat geleend was van Fernand Pelloutier, gebruikten als de regenererende mythe voor de arbeiderswereld. De algemene staking, aldus Sorel, moest in een geest van buitensporigheid leidend zijn, met als doel het realiseren van een revolutie die de moeite waard was en waarin het grootste deel van de arbeidersklasse werd bevrijd. Het moest niet opnieuw een economische logica vestigen, maar een ethische hervorming van de samenleving bewerkstelligen. Bovendien is dit hoe het proletariaat daadwerkelijk kon leren om zichzelf te zijn en haar meest opmerkenswaardige potentiëlen kon vervullen.

Hoewel Sorel lang een voorstander van Syndicaten was, zou hij immens teleurgesteld zijn door de evolutie van de sociale strijd. Daarom onderging hij een ideologische zoektocht. Deze zoektocht zou hem langs de kampen van de royalisten, nationalisten, bolsjewisten leiden tot hij uiteindelijk terugkeerde, niet zonder enig scepticisme, naar zijn aanvankelijke politieke liefdes. Ondanks zijn zoektocht evolueerden de ideeën van Sorel gedurende zijn leven niet zoveel qua inhoud. Zijn persoonlijke reis leidde ertoe dat hij van veel verschillende groepen en bewegingen lid werd, maar ook dat hij elke keer weer teleurgesteld was om te zien dat ideeën zo onverzettelijk als die van hem, nauwelijks op een brede ondersteuning konden rekenen. Uiteindelijk zou hij vrij gedesillusioneerd sterven...  



Met dank aan Thibault Isabel – Rébellion – 16 November, 2016

woensdag 11 januari 2017

Stijgend aantal dodelijke ongevallen in de Havens


DE EUROPESE VAKBONDEN DIENEN NU EINDELIJK SERIEUS TE KNOKKEN VOOR MEER VEILIGHEID IN DE HAVENS!


7 juli jl. – Ook in Hamburg werd het werk neergelegd in het kader van de wereldwijde ‘Actiedag in de havens’, gericht tegen de onveilige werkomstandigheden in de havensector.


In de afgelopen jaren nam het aantal dodelijke arbeidsongevallen op de containerterminals toe. Volgens de Europese Transport Federatie (ETF) werden er officieel alleen al in 2015 dodelijke ongevallen geregistreerd in de havens van Antwerpen, Bilbao, Bremerhaven, Helsinki, Oxelösund (Zweden), Sines (Portugal) en Valencia. Bovendien komen daar nog de ongevallen bij, welke zwaar lichamelijk letsel en arbeidsongeschiktheid tot gevolg hadden. Om nog maar te zwijgen over de toenemende werkdruk die de arbeiders uitput en afmat. Met de bouw van steeds grotere containerschepen en een tegelijkertijd dalende wereldhandel, wat de oorzaak is voor een grootschalige overcapaciteit, hebben de reders zichzelf in een klassieke overproductiecrisis gemanoeuvreerd, die kenmerkend is voor het kapitalisme. De reders willen hun winsten redden door middel van massale ,,kostenbesparingen”, wat niet meer inhoudt dan de zeelui en de havenarbeiders hiervoor te laten bloeden.


De reders en terminalbedrijven nemen deze ongevallen op de koop toe in hun streven naar winstmaximalisering. Het is de uitdrukking van de meedogenloze realiteit van de verhoudingen tussen arbeid en kapitaal: Arbeiders, ook degenen die beter betaald worden, verkopen hun arbeidskracht om te overleven; kapitalisten, die de productiemiddelen bezitten, halen uit deze arbeid van de arbeiders hun winsten. Hoeveel winst de kapitalist uit de arbeider kan persen, is afhankelijk van de strijd tussen de arbeidersklasse en de kapitalisten. Naast een beperkte loonsverhoging, of zelfs loondaling, kunnen er ook verschillende langere en arbeidsintensievere werkdagen worden ingevoerd. De vakbonden zijn nog altijd de verdedigingsorganisaties van de arbeiders, die niet alleen voor hogere lonen en soortgelijke eisen dienen te strijden, maar ook voor betere arbeidsomstandigheden en tegen de toenemende flexibilisering. Zeker in de industrie en in de transportsector zal de strijd voor meer werkveiligheid een potentiële versterking voor de vakbonden kunnen betekenen.


De havens zijn strategische knooppunten in de internationale handel, in de economie en daarmee belangrijk voor de bourgeoisie van de industriële landen. De industrie van het sterk van export afhankelijke Duitse imperialisme is aangewezen op het functioneren van de havens, waarvan Rotterdam, Antwerpen en het binnenlandse Hamburg en Bremerhaven zeer belangrijk zijn. De Duitse bourgeoisie heeft de uitbuiting van de Duitse arbeidersklasse geïntensiveerd d.m.v. het scheppen van een omvangrijke lage lonensector en met deze winsten haar leidende rol als exportmacht opgebouwd. Duitsland domineert Europa, zuigt de arbeidersklasse van de zwakkere landen uit en onderdrukt deze landen met behulp van de imperialistische EU. Tegelijkertijd betekent dat ook dat de havenarbeiders internationaal een reusachtige potentiële macht in handen hebben. De positie van de havenarbeiders en zeelui in de economie en industrie zal tot het bewustzijn leiden dat d.m.v. arbeidersmacht het kapitalistische winstsysteem tot stilstand te brengen is. Wat een en ander echter in de weg staat is de nationalistische en protectionistische politiek van de vakbondsbureaucratie, die zich aan de kant van de kapitalisten schaart.


De over de gehele wereld plaatsvindende aanvallen van de kant van de reders en havenbedrijven, evenals de ongevallen onder de havenarbeiders, hebben de beide overkoepelende havenvakcentrales ITF/ETF en IDC (International Dockers Council*) ertoe gedwongen om op 7 juli jl. een gemeenschappelijke ,,Wereldwijde Actiedag” te organiseren, om zodoende hun ,,(onveilige) arbeidsomstandigheden kenbaar te maken en een duidelijk signaal af te geven in de richting van een gezonde en veilige werkplek” alsmede om een minuut stilte te houden voor alle havenarbeiders die tijdens hun werk zijn omgekomen. Terwijl het in enkele havens, zoals bijvoorbeeld in Le Havre, maar ook in belangrijke havens aan de Amerikaanse Oostkust, tot een één uur durende staking kwam, waren er in andere havens slechts enkele korte werkonderbrekingen. Deze actiedag was weliswaar totaal ineffectief, maar toonde wel het symbolische potentieel aan van de internationale solidariteit van de havenarbeiders. Meer effectieve internationale klassenstrijd is noodzakelijk om de dodelijke winsthonger in de havens en op de schepen een halt toe te roepen. De havenarbeiders in Le Havre en Marseille toonden hun kracht, toen zij, vanaf 24 mei, meer dan twee weken lang de olieterminals in Frankrijk platlegden. Op deze wijze betuigden zij hun solidariteit met de staking van de raffinaderijarbeiders en vele anderen tegen de wet-El Khomri (loi travail) - een staking die bijna geheel Frankrijk plat wist te leggen.


 ______________
* Hierin zijn voornamelijk de meer radicale Zuid-Europese bonden, o.m. uit Spanje en Frankrijk (CGT), georganiseerd.



Dodelijke ongevallen in de havens van Hamburg en Bremerhaven


Een blik op de situatie van de havenarbeiders leidt onvermijdelijk naar het dodelijke ongeval van de 37-jarige Bülent Benli. Op 10 okt. 2014 stapte hij aan de Burchardkai bij de Hamburger Hafen u. Logistik AG (HHLA) in een werkbak om via de kraan aan boord gezet te worden – daarbij verongelukte hij dodelijk. Collega Benli was een zogenaamde dagloner, dat houdt in dat hij zonder vast contract werkte. Hij was werkzaam voor Gesamthafenbetrieb (GHB), de arbeidspool voor de gehele Hamburgse haven. Zijn dood komt voor rekening van de HHLA-kapitalisten, die aan hun reusachtige winsten en vette veiligheid op het werk. De HHLA is voor bijna 70% in het bezit van de stad Hamburg. De Burchardkai is de grootste containerterminal in Hamburg en heeft een voorbeeldfunctie, één van de grootste parels in de traditie van de Hamburgse havenbaronnen, die, precies als 100 jaar geleden, nog steeds van het werk van de dagloners profiteren.


Zoals collega’s in de haven al rapporteerden, zijn er diverse veiligheidsvoorschriften, - procedures en –maatregelen die de dood van Benli hadden kunnen voorkomen, maar die op de Burchardkai niet gebruikelijk waren. Op deze kade dienen de sjorders nog steeds te “communiceren” d.m.v. handgebaren naar de kraanmachinisten, die minstens 40 meter hoog zitten. Het zou veiliger zijn als er via de portofoon contact is tussen de sjorders resp. de botenbaas en de kraandrijver met een extra persoon ertussenin die altijd in kan grijpen wanneer de sjorders aan het werk zijn. Ook wordt er op de kranen aan de Burchardkai géén snelheidslimiet gehanteerd bij het transporteren van personen. Op veiligheidsmaatregelen besparen de HHLA-kapitalisten openlijk, want dat zou alleen maar meer personeel en uitrusting betekenen, wat dan ook weer de winsten minimaliseert. Daarom spelen ze liever met de levens van de sjorders.


Sjorders laden en lossen de containers op een schip en bevestigen deze met behulp van stackers. In het Hamburgse toneelstuk ,,Tallymann un Schutenschubser” omschreef een voormalige zeeman en havenarbeider de sjorders als ,,het goud van de kust”. En Volker Ippig, vroeger keeper bij FC St. Pauli, tevens dagloner en sjorder in de haven, verwoordde het in een interview met de taz van 28 juni 2009 zo: ,,Wanneer de stackerdraaiers eenmaal in een rap tempo aan de gang zijn, dan moet alles ook in dat tempo doorgaan. Urenlang kan je dat niet volhouden, maar wel een hele tijd. Zwaar werk? Ja, zeker. Maar wel goed werk, eerlijk werk”. Sjorders hebben het zwaarste en meest gevaarlijke werk in de haven. De terminalbedrijven besparen op de sjorders door lage lonen uit te betalen, indien zij deze sjorders niet elders goedkoper kunnen inhuren. En zelfs wanneer bedrijven zoals GHB wel cao-gebonden lonen betalen, dan alsnog krijgen sjorders het laagste cao-loon en niet het hoogste, zoals bijv. kraanmachinisten dat doen. Bij de dood van collega Benli speelde nog als extra factor mee dat hij namelijk nog maar sinds enkele weken volledig als sjorder werd ingezet, dit zonder enige vorm van opleiding en/of ervaring. En dat terwijl de GHB op haar website luidkeels verkondigt: ,,Kenmerkend voor het succes van GHB is het hoge kwaliteitsniveau van haar werknemers. Daarom staan bij ons opleiding en verdere scholing hoog aangeschreven. Wij bieden een goede scholing voor al onze werkplekken”. Mooie woorden van deze kapitalisten, maar de vakbonden kunnen er maar beter voor zorgen dat de werkplek inderdaad veilig is en dat de arbeiders ook daadwerkelijk de benodigde opleiding en verdere scholing krijgen.


Een ander zwaar ongeval gebeurde op 14 mei 2015 bij de North Sea Terminal Bremerhaven (NTB), toen de arm van een containerkraan afbrak en op de 52-jarige kraanmachinist Volker Hermann terecht kwam, wat hem fataal werd. De oorzaak van het afbreken van de kraanarm was een onopgemerkte scheur. Regelmatige adequate inspectie had dit ongeval kunnen voorkomen. Zo dringt zich de vraag op waarom deze scheur niet eerder werd opgemerkt en of dat niet ook bij andere containerkranen het geval is. In een artikel in het Verdi-tijdschrift Verkehrsreport van feb. 2015 werd de angst voor toekomstige ongevallen, zoals dat van collega Volker, wel aangekaart, maar de perspectieven van een vakbondsstrijd ertegen bleven echter uit. In plaats daarvan werd slechts kritiekloos gemeld dat de Wasserschutzpolizei de ,,verantwoording voor het onderzoek” op zich heeft genomen. Maar de politie zal altijd in het belang van de kapitalisten ,,bemiddelen”. Politie en justitie zijn centrale onderdelen van de kapitalistische staat en beschermen het uitbuiterssysteem.


Georganiseerde acties door de vakbond hadden ervoor kunnen zorgen dat de toestand van soortgelijke containerkranen periodiek gecontroleerd werd. Maar klaarblijkelijk is de dood van een havenarbeider in Bremerhaven door toedoen van een kraanarm géén reden voor de andere terminalbedrijven om hun kranen te laten inspecteren. Toen de kraanmachinisten bij de diverse terminalbedrijven tegelijkertijd met alle reders hun onvrede hieromtrent hadden geuit, werd hen door het management de mond gesnoerd, terwijl de bonden hierover weer zwegen. Een jaar later, op 11 maart jl., kwam het bij de Containerterminal Altenwerder (CTA, de geautomatiseerde terminal in Hamburg die door HHLA en Hapag-Lloyd wordt beheerd) tot een soortgelijk ongeval zoals in Bremerhaven. Een onontdekte scheur leidde tot het loslaten van een voertuigwiel, wat gelukkig zonder drastische gevolgen bleef. Teneinde al deze zaken snel in de doofpot te kunnen stoppen hebben de kapitalisten de arbeiders voorgelogen. Om veilig gebruik te kunnen maken van de containerkranen zijn grondige en precieze inspecties van levensbelang. Verdi dient hiervoor te knokken en tevens veiligheidsmaatregelen op het werk aan de orde te stellen en het initiatief te nemen tot de noodzakelijke arbeidersstrijd.


Terwijl het afbreken van de kraanarm in Bremerhaven alleen maar zorgde voor dramatische verslaggeving in de diverse media, doen de havenkapitalisten er over het algemeen alles aan om te voorkomen dat arbeiders en publieke opinie weet krijgen van zware en dodelijke arbeidsongevallen. Toen op 31 dec. 2009 collega Uwe Kröger (45), kraanmachinist bij Eurogate Hamburg, tijdens het werk een dodelijke hartaanval kreeg, duurde het volgens Rolf Geffken (advocaat en auteur van boeken zoals Arbeit u. Arbeiterkampf im Hamburger Hafen) anderhalf uur tot medische hulp hem op zijn locatie kon bereiken. Feit is dat op een containerkraan een levenloos of zwaargewond persoon alleen maar onder aanzienlijke inspanning te bergen is. Een traumahelikopter dient dan personeel te laten abseilen, maar in de omgeving van de containerterminals in Hamburg is zulke medische hulp niet beschikbaar. Buiten de BHV-ers zijn er geen hulpverleners resp. soortgelijke instellingen op de terminals, en het dichtstbijzijnde ziekenhuis is ver weg. Toen de weduwe van collega Kröger opheldering verlangde over de dood van haar man, ook om eventuele misstanden te laten onderzoeken, werd zij door de ondernemers belachelijk gemaakt en beledigd. Later drukte het Hamburger Abendblatt een lang artikel af, die de werkplek bovenin de kraan als ‘theaterloge’ in de haven afschilderde, maar verder zweeg over de dood van de betreffende collega. Geffken zegt hierover in een interview met de Junge Welt van 11 okt. 2011: ,,In de Hamburgse media heerst er de samenzwering van het zwijgen wanneer er een ongeluk in de haven heeft plaatsgevonden”. Het past in het beeld dat stelt dat de Hamburgse kapitalisten de burgerlijke pers in handen hebben om ongelukken te verdoezelen en daarmee elke vorm van kritische berichtgeving ondermijnen.



Collega Bülent Benli - Vermoord door de Hamburgse havenkapitalisten! 


Voor een strijdbare vakbondsleiding die zich baseert op de klassenstrijd!


Ook zware en dodelijke ongevallen bij Van Carriers (VC), die containers op de terminals lossen en op vrachtwagens laden, zijn schering en inslag. Op 30 nov. 2015 kwam op de Eurogate-terminal in Bremerhaven collega Kai Weinhold (VC-chauffeur) om het leven, toen hij met zijn voertuig kantelde. Omslaan, botsingen en brand komen vaak voor. Werkdruk, slecht wegdek, slechte lichtverhoudingen, verouderde techniek (of onvolledige nieuwe techniek) en zware inbreuken op de veiligheidsvoorschriften (en inspectiebezoeken) kunnen bij ongevallen met zulke zware machines logischerwijze tot levensbedreigende verwondingen of zelfs tot de dood leiden. Havenwerk behoort tot het meest gevaarlijke werk in de industrie, maar met deze aanhoudende onacceptabele omstandigheden (werkdruk en slechte omstandigheden) zijn verdere ongelukken, verminkingen en doden onvermijdelijk – het is gewoonweg moord op de arbeiders! Met zijn vierentwintig-uurs economie is de havenkapitalist er alles aan gelegen zijn machinale uitrusting maximaal te benutten, tot slijtage toe, dan zorg te dragen voor de noodzakelijke veiligheids- en onderhoudsinspectie.


De schuld in de schoenen te schuiven van enkele collega’s en hen aansprakelijk te stellen voor de veiligheid op het werk is een standaardgegeven van de kapitalisten en het is daarom de taak van de vakbonden om zich zo collectief mogelijk op te stellen samen met de leden, waarbij de laatsten onder ongekende druk staan om ,,hun taken” zonder onderbrekingen ,,uit te voeren”. De arbeider bevindt zich daarbij in een vicieuze cirkel: 


Ofwel wordt men door het bedrijf disciplinair gestraft omdat men te veel werk maakt van de veiligheid, ofwel negeert men de veiligheidsinstructies, waarbij uiteindelijk met de gezondheid en het leven wordt gespeeld. Wanneer de arbeiders in dit conflict de overhand willen behalen, dan dient de collectieve kracht van de vakbonden te worden ingezet. Het is een beslissende strijd, een steeds weer terugkerende krachtsinspanning om betere arbeidsomstandigheden af te dwingen en te behouden, in het bijzonder in het kader van de steeds veranderende omstandigheden in de havens. De arbeiders dienen tezamen met de vakbonden de controle over de veiligheid op de werkvloer te hebben. Vakbonden en Betriebsräte (OR-leden) moeten duidelijk maken dat zij in de positie zijn om de havenbedrijven plat te leggen indien er sprake is van gevaren. Betere arbeidsomstandigheden vergen vastberaden oplettendheid en strijd tegen de kapitalisten. In plaats van vertrouwen in de kapitalisten:


Vakbondscontrole! Havenarbeiders hebben hun eigen door de vakbonden gecontroleerde comités voor werkveiligheid nodig, met vertegenwoordigers die het recht hebben onzekere werkomstandigheden ter plekke te beïnvloeden. Het vraagstuk van de werkveiligheid betreft tegelijkertijd het vraagstuk van de klassentegenstellingen tussen arbeiders en kapitalisten. Betere werkomstandigheden voor de havenarbeiders betekent minder winst voor de reders en de havenbedrijven. Een strijd voor beter materieel, beter werkverloop en dito onderwijs staat haaks op de belangen van de kapitalisten. Hierbij heeft de arbeider het bewustzijn nodig dat hij zal verkrijgen gedurende de onverzoenlijke klassenstrijd tegen de kapitalisten.


In de havens aan de Amerikaanse Westkust heeft de havenvakbond ILWU in 1934 met een klassenkämpferische stakingsleiding o.a. het recht afgedwongen tijdens conflicten over werkveiligheid, die onder de haven-CAO vallen, het werk neer te leggen totdat er een vakbondsvertegenwoordiger op de werkplek verschijnt om de zaak op te lossen. Maar evenals vandaag de dag blijven zulke verworvenheden altijd bedreigd door aanvallen van de kant van de kapitalisten, en evenals de ILWU heeft ook Verdi een lange geschiedenis van konkelen met de havenbaronnen en akkoord gaan met verslechteringen in de CAO. Noodzakelijk is een klassenkämpferische vakbondsleiding, maar de huidige leiding staat onder de politieke controle van de sociaaldemocratie. De SPD en ook de Linke zijn burgerlijke arbeiderspartijen, partijen met een arbeidersbasis, maar met een burgerlijk kapitalistisch programma. Ze verbreiden illusies onder de arbeiders m.b.t. de kapitalistische staatsinstellingen, ook als het de werkveiligheid betreft. Arbeiders hebben daarentegen een revolutionaire arbeiderspartij nodig, onafhankelijk van de kapitalisten. En ze hebben een vakbondsleiding nodig die begrijpt dat de belangen van de arbeiders en kapitalisten fundamenteel aan elkaar tegengesteld zijn. Maar zolang de maatschappij in de handen van de kapitalisten is en op winst gebaseerd, kunnen de arbeiders alleen maar tijdelijke overwinningen afdwingen. Indien de arbeiders echter de staatsmacht in eigen handen nemen en het systeem van meerwaarde afschaffen, dan eerst kan er daadwerkelijk werk worden gemaakt van echte veiligheid op het werk!