dinsdag 2 mei 2017

Dossier Trilaterale Commissie


Politbureau van het kapitalisme oftewel het complot tegen de volkeren



Rambouillet, Porto Rico, Londen, Bonn, Guadeloupe, Tokio, Parijs: Sinds 1975 volgen de economische topconferenties van de toonaangevende regeringspolitici uit de Verenigde Staten, West-Europa en Japan elkaar in snel tempo op. In kleine kring worden aldaar de urgente economische en politieke vraagstukken, die alle volkeren ter wereld direct aangaan, bediscussieerd en worden er besluiten dienaangaande genomen. De kopstukken van de kapitalistische wereld pogen hun belangen ondanks de crisis en de interne tegenstellingen gezamenlijk te coördineren. In dit verband valt vaak het woord 'Trilaterale Commissie'. Wat is nu precies deze 'Trilaterale Commissie' en welke krachten zitten er eigenlijk achter deze zogeheten “groepering van privé-personen afkomstig uit West-Europa, Japan en Noord Amerika”, waaruit onder meer ook het overgrote deel van de regering-Carter afkomstig is?


“We dienen het internationale systeem te vervangen door een globaal systeem, waarin de in de laatste tijd ontwikkelde actieve en creatieve krachten zijn geïntegreerd. Dit systeem dient Japan, Brazilië, de OPEC-landen en zelfs de Sovjet Unie – in zoverre deze laatste gewild is überhaupt aan een globaal systeem deel te nemen – te omvatten. De realiteit van onze huidige tijd is, dat een moderne samenleving als de Verenigde Staten een centraal besluitvormingsorgaan nodig heeft (ter coördinatie en innovatie), dat niet uit 600 personen (het Amerikaanse Congres – red.) kan bestaan.” 


“De gemeenschap van industrielanden, die geleidelijk bezig is te ontstaan, zal zich in een betere positie bevinden om echte ontspanning (détente) na te streven, waarvan het doel niet een kunstmatig onderverdeelde aardbol is, die zich vanaf het allereerste begin in een conflict bevindt met de globale dynamische oerkrachten, maar een wereld, waar de gebieden die onder uitsluitend nationale heerschappij staan verdwijnen.” 


Aldus omschreef nationaal veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski, 'de Kissinger van de regering-Carter', de doelstelling van de Trilaterale Commissie (in het vervolg aangeduid met TC).


De TC werd in 1972 in Knokke-le-Zoute (België) in het leven geroepen door David Rockefeller, voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Chase Manhattan bank en vanaf 1970 president van de Council on Foreign Relations (CFR)**


Op de gedachte om een “groepering van privé-personen uit West-Europa, Japan en Noord-Amerika” – vandaar de term 'trilateraal' – te vormen kwam de dollarmultimiljonair in de wandelgangen van een bijeenkomt van de Bilderbergconferentie.***


De TC, 'het werkelijke bevoorradingsdepot van de regering-Carter' ('Newsweek', 28 maart 1977) – meer dan 20 van haar leden waren tot nu toe werkzaam in de regering-Carter – is nòch een zondagsdebatteerclub van een handjevol belangrijke heren in de kapitalistische wereld, nòch een toevalskindje. Het jaar van oprichting – 1972 – is ook géén toeval: De crisis klopte destijds reeds bij de kapitalistische landen aan de deur en de totale nederlaag van het Amerikaanse imperialisme in Vietnam tekende zich inmiddels duidelijk af. De ouderwetse methoden van het westerse imperialisme deugden niet meer, de noodzaak van een nieuwe strategie drong zich op aan de beleidsmakers van het wereldkapitalisme.



“Het Noorden verenigen” 


Op 23 oktober 1972 vond in Tokio reeds de eerste bijeenkomst van de TC plaats. Naast oprichter David Rockefeller en toonaangevende politici zoals Zbigniew Brzezinski, Walter Mondale, Cyrus Vance, Andrew Young, Michael Blumenthal en Raymond Barre zijn ook tal van vertegenwoordigers van industrie en bankwereld aanwezig: Giovanni Agnelli (Fiat), Chujiro Fujino (Mitsubishi), Umberto Colombo (Montedison), Edmond de Rothschild (Finanz AG Holding) en Hans-Günther Sohl (Thyssen).


Voorts afgevaardigden van de grote concerns Cola-Cola, Exxon, Dunlop, Royal Dutch, Barclays Bank, Bendix, Credietbank Nippon Steel enz. enz. De 200 leden van dit gerespecteerde orgaan, opgedeeld in drie gelijke delen over de Verenigde Staten, Japan en West-Europa, beschouwen zichzelf als de baanbrekers van een aaneensluiting op brede grondslag van de drie centra van het ontwikkelde kapitalisme. Gefinancierd wordt de TC door de volgende belastingvrije stichtingen:


– Rockefeller Brothers Fund 

– Ford Foundation 

– Lilly Endowment 

– Kettering Foundation 


De dagelijkse leiding ligt in handen van een comité, het 'Trilateral Political Committee' geheten (kortweg het 'politbureau'). De TC komt enkele malen per jaar bijeen in onregelmatige intervallen.


Tegen wie de stootrichting van de TC is gericht, vertrouwde ons TC-lid Richard Ullman, hoogleraar voor internationale betrekkingen aan de universiteit van Princeton, toe:

“Een essentiële reden om het Noorden te verenigen is daarin gelegen om des te slagvaardiger met het Zuiden, d.w.z. de ontwikkelingslanden, te kunnen onderhandelen.” ('Trilaterialism: Partnership For What?' in: 'Foreign Affairs', oktober 1976)


Een formulering, die voor de Japanse vertegenwoordigers van de TC duidelijk te openhartig en daarmee te onvoorzichtig was, aangezien deze laatsten bevreesd waren, dat “de trilaterale leiding van de rijke industrielanden ressentimenten en wantrouwen bij de communistische landen en de landen van de Derde wereld zou kunnen provoceren”. Daarom stelden de Japanners voor om “een buitengewoon grote omzichtigheid aan de dag te leggen m.b.t. de openbare verklaringen van de nieuwe commissie”, zoals de 'Washington Post' destijds inzake de eerste bijeenkomst van de TC wist te vermelden.


Hetgeen door de Trilateralen daarna ook ter harte werd genomen: Sedertdien komt men nog bijna uitsluitend in het geheim bijeen en zijn de rapporten en documenten van de TC nog slechts voor een handjevol ingewijden toegankelijk.



Amerikaanse hegemonie 


Al meteen vanaf het begin maakten de Amerikaanse vertegenwoordigers duidelijk wie de teugels van de TC op het niveau van de wereldpolitiek in handen dient te houden.


“Het trilateralisme als de uitdrukkingsvorm van de internationale relaties in zijn totaliteit is geheel en al een Amerikaanse uitvinding. De TC is in de Verenigde Staten in het leven geroepen en groot geworden. Vanuit het oogpunt van Washington gezien – onafhankelijk van welke regering er op dat moment ook aan de macht moge zijn – is een doeltreffend trilateralisme er steeds op uit om beperkt te blijven tot een efficiënte ondersteuning van de Amerikaanse standpunten door de Europeanen en Japanners.” (Prof. Richard Ullman in 'Foreign Affairs', oktober 1976)


Het trilateralisme is dus niets anders dan een meer subtiele, meer verfijnde variant van de Amerikaanse hegemonie voor de “vrije wereld”, welke Henry Kissinger in 1963 in zijn befaamde redevoering 'Het jaar van Europa' iets te onvoorzichtig had aangekondigd. Een soort van 'New Deal' op wereldschaal teneinde het kapitalisme, ondanks de crisis waarin het verkeert, zo onveranderlijk als mogelijk te behouden, deze keer echter door middel van een meer “reformistische” politiek, in het kader waarvan programma's van ontwikkelingshulp worden voorgesteld met het doel om te komen tot “een meer uitgebalanceerde economische orde binnen de bestaande structuren van de vrije markteconomie”. 


Amerikaans messianisme, of beter gezegd imperialisme, in een nieuwe variant: “Globale drijfveer van de Verenigde Staten is het om de verandering te stimuleren”, stelt Brzezinski (Ámerica In A Hostile World', 'Foreign Affairs' Nr. 23 p.92). Hij ziet in de Verenigde Staten daarom “het sociale laboratorium van het universum”. 


De TC dient te komen tot “een gemeenschappelijke politieke noemer van de regeringsinstanties van de drie centra, d.w.z. van de Noordelijke kapitalistische industrielanden”, benadrukte TC-voorzitter**** Brzezinski (tevens adviseur van president Carter inzake de nationale veiligheid) tegenover zijn Amerikaanse, WestEuropese en Japanse vrienden.



Het contra-offensief ('roll back') 


“De wereld veranderen – teneinde deze op die manier beter te kunnen behouden, zoals zij thans is” – dat is het credo van de baronnen van het internationale kapitaal, die bij de TC de deur platlopen. Daarom mag uitgerekend vandaag de dag, waar het imago van de vrije markteconomie door de crises, inflatie en werkloosheid zware schade heeft opgelopen, de ideologische strijd tegen het socialisme en het communisme niet worden verwaarloosd:


“Het is een vergissing om de macht van het woord en van de ideeën te onderschatten”, benadrukte dan ook een buitengewoon prominente woordvoerder van de TC, namelijk de Amerikaanse president Jimmy Carter (redevoering aan de NotreDame-universiteit, 22 mei 1977).


Zijn campagne voor de mensenrechten diende vooral ter rehabilitering van de “waarden van het kapitalisme”. Om wat voor waarden het daarbij gaat, maakte Carter ons ook nog eens duidelijk:


“De vrijheid (…), dat is de vrije en open concurrentie, welke de creatieve verandering op het gebied van de politiek, handel, wetenschap en kunst voortbrengt.” (Redevoering aan de Notre-Dame-universiteit e.v.)


Teneinde de ideologische strijd beter te kunnen voeren, heeft de TC twintig intellectuele persoonlijkheden aangeworven, waaronder tien professoren (o.a. Richard Ullman), zes directeuren van toonaangevende onderzoeks- en opleidingsinstituten, drie uitgevers (o.a. de uitgever van de tijdschriften 'Time' en 'Foreign Policy') benevens een journalist (Carl Rowan, de enige kleurling in deze intellectuele 'Brain Trust').



Trilaterale prioriteiten 


De TC heeft zich bepaalde prioriteiten ten doel gesteld die door middel van de 'troefkaarten' van de kapitalistische wereld – de economische macht van de Verenigde Staten en haar westerse geallieerden, haar militaire slagkracht en haar internationale instrumenten voor de economische overheersing van de wereld, zoals de Wereldbank en het IMF – verwezenlijkt dienen te worden:


'Externe Collaboratie' – de “nauwe samenwerking tussen de industriële democratieën”. (Carter)


'Interne Collaboratie' – het interne evenwicht binnen de hoogontwikkelde “driehoek” (Verenigde Staten, West-Europa, Japan) behoeden voor sociaal en politiek ongewenste veranderingen en dáár, waar dit evenwicht op een wankel fundament berust (d.w.z. dáár, waar de georganiseerde arbeidersbeweging sterk is, i.c. West-Europa) desnoods met delen van deze georganiseerde arbeidersbeweging (d.i. de rechtse sociaaldemocratie en de rechtse leidingen van de vakbeweging) samenwerken.


Dat verklaart ook de aanwezigheid van individuele sociaaldemocraten in de TC. Daarom ook het aandringen van de TC op een sterk, geïntegreerd Europa teneinde broodnodige democratische veranderingen, waardoor enkele Europese landen worden “bedreigd”, een slag vóór te zijn. “Een actief, met ons verbonden Europa komt overeen met ons idee van een stabiel internationaal systeem”, verklaarde TC- kopstuk Brzezinski in een interview met 'Le Monde' (2 mei 1979) met betrekking tot de verkiezingen voor het Europese parlement (juni 1979). Want aan de toenemende internationaliteit van het kapitaal (de multinationals) dienen ook adequate supranationale instellingen op het politieke vlak ter beschikking worden gesteld.


Re-organiseren van de betrekkingen tussen de industriestaten en de landen van de Derde Wereld – beter bekend onder de slogan 'Nieuwe internationale economische orde' of ook wel 'Noord-Zuiddialoog': De toenemende afhankelijkheid van de trilaterale landen van de ontwikkelingslanden voor wat energie en grondstoffen betreft evenals het sterker worden van de wil tot onafhankelijkheid bij enkele van deze landen maakt een nieuwe, meer subtiele politiek noodzakelijk, een soort van “neokolonialisme op kousenvoeten”.


Een “vreedzame cöexistentie die van conflicten is gevrijwaard” met de staten van het socialistische blok – voor de TC betekende dit, dat men wat de bewapening betreft steeds een neuslengte voor diende te liggen op de USSR, echter zonder daarbij het risico van een nucleair conflict al te zeer aan te wakkeren. Ook het gebruik maken van de scheuring binnen het socialistische blok (tussen de pro-Sovjetvleugel ener- en de pro-Chinese vleugel anderzijds) vormde hiervan een onderdeel.


De “koude oorlog” was weliswaar vanwege de verzwakking van het westerse imperialisme niet meer in dié mate mogelijk zoals nog in de jaren '50; in plaats daarvan werd de vlam (van de oorlog) bewust op 'lauwwarm' (aldus TC-lid Richard Ullman) gehouden.



Een nieuwe internationale taakverdeling 


“Het is waarschijnlijk, dat in de nabije toekomst het vraagstuk van oorlog en vrede meer afhangt van de economische en sociale problemen tussen Noord en Zuid als van de problemen inzake de militaire veiligheid tussen Oost en West”, constateerde president (en tevens TC-lid) Carter.


“Het Noord-Zuid conflict dient daarom als zodanig te worden aangepakt en niet meer in de hoedanigheid van de Sovjet-Amerikaanse rivaliteit”, stelt het 'Report of Task Forces to the Trilateral Commission' dan ook (Nr. 12/1976, p.9).


Omdat de landen van de Derde Wereld thans hun eisen hebben verhoogd (zoals de OPEC-landen) wil de TC ook een einde maken aan bilaterale betrekkingen tussen individuele industrielanden en de grondstofexporterende landen, omdat deze betrekkingen aan “de mogelijkheid om het energieprobleem op korte dan wel lange termijn op te lossen slechts afbreuk doen”. Daarom is de TC ook voorstander van meer representatieve Europese instellingen, die niet meer uitsluitend binnen het kader van Europa zelf blijven. Vanuit het oogpunt van een globale strategie van de kapitalistische landen tegenover het Zuiden wordt de integratie van Europa tot een uiterst belangrijke factor. Het nieuwe Europese parlement was een eerste succes voor de trilaterale strategie, want vanaf dat moment vormde West-Europa (de landen van de Europese Gemeenschap – EG) voor de Verenigde Staten en Japan niet meer langer een chaotische bende, “een ietwat onhandige partner” (rapport van de 'Task Forces' van de TC).


Aangezien de huidige economische crisis globaal is, streeft de TC ook naar een globale oplossing: Een hiërarchisch wereldsysteem gecentreerd rond de drie pijlers (Verenigde Staten-hegemonie; Japan – West-Europa, gedomineerd door de economisch sterke BRD). Deze drie pijlers dienen een vrijhandelszone te worden voor de 'multinationals' (de multinationale concerns), waar de specifieke wetenschappelijke, technische en culturele bijzonderheden van de afzonderlijke naties zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming worden gebracht en geminimaliseerd.


Want: “De industriële politiek wordt noodzakelijkerwijze steeds internationaler, in diè zin, dat de structurering van de ruimte op wereldvlak vandaag de dag in gelijke mate zowel door de concerns als door de naties wordt bepaald, of veeleer door de ontwikkeling van de strategieën van de grote ondernemingen, die zich een weg dwars door de naties banen”, aldus Alain Cotta, een toonaangevend theoreticus van de nieuwe trilaterale industriepolitiek ('Le redeploiement industriel. Etudes de politiques industrielles', in: La Documentation française 1977).


En verder: “De internationale dimensie van de industriële specialisaties maakt van de politiek van druk uitoefenen op de staten een noodzakelijk actiemiddel”.



De staten als lakeien van de multinationals 


Onder het motto 'Nieuwe economische orde' dienden de verschillende markten op wereldniveau steeds meer te worden geïntegreerd. Gepaard gaande met een gecoördineerde internationale politiek diende het operationele terrein van de 'multi's' te worden vergroot. En daartoe was er een nieuwe monetaire politiek nodig. Teneinde de monetaire chaos te bestrijden, stelde de TC voor om 'coöperatieve systemen' in het leven te roepen, “in het bijzonder voor landen met een fluctuerende (wisselende) koers” ('Voor een vernieuwd internationaal systeem', Document Nr. 14 v.d. TC-1977).


Eerste stap in deze richting: Het Europees Monetair Systeem (EMS). Het EMS, door de BRD met haar sterke D-mark op krachtige wijze beïnvloed, had o.m. tot doel om de Europese kapitaalbewegingen 'vrij' te maken en een gezamenlijk reservefonds aan te leggen, met behulp waarvan de “sterke” landen (BRD, Nederland, Denemarken) druk konden uitoefenen op de politieke, economische en sociale besluiten van regeringen, die zich geconfronteerd zagen met een sterke arbeidersbeweging (ZuidEuropa, Groot-Brittannië).


Tot de 'Nieuwe economisch orde' hoort ook een nauwe integratie van de ontwikkelingslanden in de kapitalistische vicieuze cirkel. Instrumenten daartoe zijn de Wereldbank, gedomineerd door de Verenigde Staten, die de internationale investeringsmarkt controleert, en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Bij het IMF, opgericht in 1944 na het verdrag van Bretton-Woods, zijn 130 landen aangesloten (uitgezonderd Zwitserland en de staten van het socialistische blok, maar wèl met inbegrip van Joegoslavië en Roemenië). Het IMF functioneert als een particuliere vennootschap, d.w.z. de afzonderlijke landen bezitten overeenkomstig hun aandelen (quota) van het IMF meer of minder stemmen. De Verenigde Staten, die het IMF tezamen met de BRD, Japan, Frankrijk en Groot-Brittannië domineren, bezitten met 20,8% van de stemmen een vetorecht.


De beide kredietinstellingen pompen (tegen een hoog rentepercentage) “ontwikkelingsgeld” in de landen van de Derde Wereld, waarmee aldaar industriële infrastructuren worden geschapen. De 'multi's' verplaatsen hun productie naar deze ontwikkelingslanden, waar de arbeidskrachten goedkoper en door dictatoriale regiems gekneveld zijn.


Intensief geïnvesteerd wordt er thans vooral in de agrarische sector van de ontwikkelingslanden, in de agro-voedingsmiddelensector. De TC had op een bijeenkomst begin 1978 een investeringsplan ter hoogte van 54 biljoen dollar voor de voedingsmiddelproductie in Azië uitgewerkt. “De vorming van een egalitaire agrarische samenleving in de Derde Wereld in de nabije toekomst is een onrealistische zaak”, luidde de conclusie van het verslag van deze conferentie van de TC. En verder: “De enige weg om het inkomensniveau van de arme plattelandsbevolking te doen stijgen is via een verhoging van de voedingsmiddelproductie.” 


Waarom uitgerekend Azië? “Omdat hier het grootste potentieel voor de verhoging van de voedingsmiddelproductie door middel van stijgende opbrengsten op reeds aanwezig cultuurland bestaat.” 


Wat hier echter óók bestaat, is een grote afzetmarkt voor de producten van de Amerikaanse agro-business, waarvan de topvertegenwoordigers zitting hebben in de TC. Ter verhoging van de agrarische opbrengsten zijn nieuwe technologieën, nieuwe meststoffen en nieuwe machines nodig, die splinternieuw door de Amerikaanse agromulti's worden geleverd. Het geïnvesteerde geld komt zodoende via de achterdeur weer terug, de ontwikkelingslanden raken nog dieper in de schulden en worden op die manier nog afhankelijker van de industriestaten.


De TC gaf in haar rapport van begin 1978 weliswaar toe, dat een hogere voedingsmiddelproductie en lagere prijzen “niet toereikend zullen zijn om het probleem van de ondervoeding in de Derde Wereld op te lossen”. Echter: “We mogen met ons 54 biljoen dollar-plan niet wachten, totdat we weten hoe de agrarische samenleving te hervormen.” 


De TC schrok er vervolgens zelfs niet voor terug om de catastrofale gevolgen van haar eigen politiek voor de Aziatische bevolking uiteen te zetten: “Natuurlijk is het gevaar aanwezig, dat onze investeringspolitiek in de Aziatische voedingssector enkele ongewenste sociale consequenties zal hebben, zoals een ongelijke inkomensverdeling of een polarisering binnen de plattelandsgemeenschap.” 


Ook delen van de internationale sociaaldemocratie spelen dit spel van de TC in de Derde Wereld mee. Zo werd bijvoorbeeld de 'Autonome Commissie voor Ontwikkelingsopdrachten', in 1976 in het leven geroepen door de president van de Wereldbank Robert McNamara, geleid door Willy Brandt, voorzitter van de Duitse SPD en van de 'Socialistische Internationale' (SI).


Precies zoals de TC heeft ook de 'Commissie-Brandt', zoals deze tegenwoordig wordt genoemd, de pretentie om een “onafhankelijke” instelling te zijn. Haar officiële raak: Regeringen adviseren. Haar doel: Coherente voorstellen uitwerken om een antwoord te bieden op de huidige crisis en om een sociaal conflict op wereldschaal te verhinderen.


Teneinde het rapport van zijn commissie voor te bereiden, dat eind 1979 werd gepubliceerd, had de sociaaldemocraat Brandt een team van experts samengesteld, waarvan tien vertegenwoordigers afkomstig waren uit de ontwikkelingslanden en zeven uit de trilaterale staten. Tot deze laatste groep behoorden o.m. Olaf Palme, voormalig socialistisch regeringsleider uit Zweden, Edward Heath, voormalig Brits regeringsleider (Tories), Eduardo Frei, ex-president van Chili (Christendemocraat), Pierre Mendès-France, ex-regeringsleider uit Frankrijk, G. Peterson, voormalig adviseur van president Carter voor internationale economische vraagstukken, alsmede Haruki Mori, ex-minister voor internationale economische vraagstukken in Japan.


Deze “onafhankelijke” commissie, waarvan steeds een vertegenwoordiger aanwezig is bij de bijeenkomsten van de TC, streeft dezelfde doelstellingen na als de TC zelf, namelijk een kapitalistische uitweg uit de crisis, wat alleen mogelijk is, indien de ontwikkelingslanden er bij worden betrokken, die 75% van hun handel met de landen van de OECD (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) afwikkelen.


Bovendien streeft de Commissie-Brandt ernaar (overeenkomstig de officiële politiek van de SI) om in de landen van de Derde Wereld de invloed van de reformistische politieke krachten te vergroten, teneinde op die manier het gras voor de voeten van de radicale stromingen, die zich tegen de dictaturen verzetten, weg te maaien.


“Het Noorden (Verenigde Staten-Japan-West-Europa) verenigen – teneinde des te slagvaardiger met het Zuiden (de ontwikkelingslanden) te kunnen onderhandelen”: dat is het doel van het multinationale kapitaal en haar handlangers in de regeringen van de Verenigde Staten, Japan en West-Europa, die zich aaneengesloten hebben in de 'Trilaterale Commissie'. De politiek van dit 'politbureau' van de kapitalistische wereld heeft niet alleen catastrofale gevolgen (namelijk nog meer armoede, honger en onderdrukking) voor de Derde Wereld, maar ook voor de volksmassa's in de Verenigde Staten, Japan en West-Europa.


De democratie is niet meer datgene, wat het eens was. Wat nu te doen? Antwoord: De democratie inperken, want een teveel aan democratie schaadt de democratie. Zo ongeveer kan men het “democratie-debat” van de TC typeren. “De democratie is onregeerbaar geworden!”, klaagde de TC destijds al in haar ideologische geloofsbrieven, in 1975 opgesteld onder de auspiciën van TC-lid Samuel P. Huntington, professor aan de Harvard-universiteit, en adviseur Brzezinski ('The Crisis Of Democracy', University Press New York). Professor Huntington had toendertijd zijn sporen als 'democratie-specialist' al verdiend en wel in Vietnam.


Teneinde de democratie in Vietnam te redden voor het communisme dacht hij destijds de geniale strategie van de zogeheten “gedwongen urbanisatie” uit: Met napalm-, fragmentatie- en booby-trap bommen (verborgen in kinderspeelgoed) alsmede chemische ontbladeringsmiddelen diende toen het platteland en de dorpen in Vietnam onbewoonbaar te worden gemaakt en de boerenbevolking naar de steden te worden verdreven, waar deze vervolgens in concentratiekampen beter onder verscherpte sociale controle zou kunnen worden gehouden.


Als briljant logisticus meende Huntington, dat op die manier de Vietcong niet meer “als vissen in het water van de volksmassa's” zouden kunnen zwemmen. De gevolgen van deze politiek van 'democratie-specialist' Huntington zijn bekend: Honderdduizenden doden en voor de duur van vele decennia totaal verwoeste vegetatie en landbouwgebieden.


Tegenwoordig staat Huntington aan het hoofd van degenen, die een wereldwijde hetze-campange tegen de Socialistische Republiek Vietnam voeren vanwege vermeende 'schending van de mensenrechten' aldaar. Wat betekent de democratie van het type van de TC voor ons? Tussen 1950 en het begin van de jaren '70 had een “aaneenschakeling van gelukkige factoren” het aan de democratische maatschappijen mogelijk gemaakt om “respectabele prestaties te volbrengen”.


Maar deze gunstige voorwaarden waren thans niet meer gegeven. Waarom? Uitgerekend vanwege het succes van de democratie! Want, “hoe democratischer een systeem, des te groter de gevaren, waaraan het is blootgesteld”, aldus het TC-rapport (p.8).


“Gedurende de laatste jaren schijnt het functioneren van de democratie een erosie van de traditionele middelen van sociale controle te hebben geprovoceerd, een delegitimering van de politieke autoriteiten evenals andere vormen van autoriteit, alsmede een overvloed aan eisen aan de regering, eisen, die de mogelijkheid van de regering om deze te vervullen, te boven gaan.” 


Wat de TC bovenal irriteert, zijn de sociale groepen, die zich vandaag de dag teweer stellen tegen staat en ondernemers en voor hun rechten opkomen.


“Het doeltreffend functioneren van het politieke democratische systeem vereist gewoonlijk een grote mate aan apathie en inactiviteit van enige individuen en groepen. In het verleden had elke democratische samenleving een in numeriek opzicht gezien in meerdere of mindere mate marginale laag van de bevolking, die niet actief aan het politieke leven deelnam. Op zichzelf is de marginalisering van bepaalde groepen anti-democratisch, maar het was ook een van de factoren, die een werkelijk functioneren van de democratie mogelijk maakten. Marginale sociale groepen, zoals bijvoorbeeld de zwarten in de Verenigde Staten, nemen tegenwoordig volledig aan het politieke systeem deel. En het gevaar blijft, dat het politieke systeem met eisen wordt overhoopt, die zijn functie uitbreiden en zijn autoriteit ondermijnen.” (p.114)


De “kwetsbaarheid” van de democratie komt dus nièt rechtstreeks door “bedreigingen van buitenaf, hoewel deze reëel zijn, en evenmin door binnenlandse subversie van links of rechts, hoewel deze beide risico's zeer zeker aanwezig kunnen zijn, maar veeleer door de eigen dynamiek van de democratie zelf in een in hoge mate geschoolde, gemobiliseerde en actieve samenleving.” 


“Wij zijn thans op een punt beland, waar wij moeten inzien, dat er potentiële grenzen aan de economische groei zijn, die verwelkomd dienen te worden. Even zo zeer zijn er ook potentiële te verwelkomen grenzen aan de onbeperkte uitbreiding van de politieke democratie.” (p. 115)


Een bijzonder gevaar voor de democratie van het type van de TC vormt een vrije onafhankelijke pers. “De autonomie van de journalisten leidt niet onvoorwaardelijk tot een transparantie van de waarheid; deze kan integendeel de waarneming van de realiteit deformeren (vervormen).” (p. 36)


Daarom moet aan de regering “het recht en de praktische mogelijkheid worden gegarandeerd om informatie achter te houden”. 


Huntington beval in zijn TC-rapport een radicale therapie ('shock-therapy') aan voor de “in chaos ontaarde democratie”: Het doen verlagen van het staatsdeficiet (= tekort), van de staatsschulden en de koopkracht van de arbeiders; het nemen van “harde beslissingen” op het gebied van de loon- en prijspolitiek; het bevrijden van de regering van de dwang om een spectaculaire buitenlandse politiek te moeten voeren teneinde af te leiden van de binnenlandse moeilijkheden (Huntington wijst hier op de superioriteit van dictaturen op dit gebied); het vermogen om “aan zijn volk de nodige offers op te leggen, teneinde een efficiënte buitenlandse en militaire politiek te kunnen voeren”. Dat alles, zo gaf Huntington toe, maakt, dat “de sectoren, waar democratische processen op hun plaats zijn, in het kort gezegd beperkt zijn”. 



De vijand zijn de loonafhankelijken 


Gevaarlijk wordt het voor de “democratie” van de trilateralen dan, indien bewegingen, partijen en vakbonden het spel niet meer meespelen. De arbeidersklasse is, in de woorden van de Europese co-auteur van het TC-rapport 'The Crisis Of Democracy', Michel Crozier, “slechts ten dele in het sociale spel geïntegreerd, vooral in de Latijnse landen en in Frankrijk. Het ontbreken van een dergelijke integratie verhindert elke onderhandeling, verhindert elk wederzijds begrip direct in het bedrijf. Daarom zijn de Europese ondernemingen bijzonder kwetsbaar. Dat verklaart ook dat zeer weinig jonge mensen stilzwijgend een vernederende en slecht betaalde handenarbeid accepteren.” 


Het op de bres staan voor traditionele democratische waarden en het verdedigen van de eigen belangen en rechten van de loonafhankelijke bevolking jaagt de TC en daarmee de ondernemerswereld angst aan.


“Deze waarden kunnen onder bepaalde omstandigheden een revolutionaire uitwerking hebben”, aldus Huntington in zijn TC-rapport. “De democratische golf dient af te ebben, opdat de vitaliteit en de regeerbaarheid van het democratische systeem weer wordt hersteld.” 


Hiermee wordt ook duidelijk, wat de “overdreven democraten en eisenstellers”, de loonafhankelijken dus, blijft om zich teweer te stellen tegen de strategie van de TC, d.w.z. van het internationale kapitaal en haar regeringen: Zich te organiseren, onafhankelijk van de burgerlijke staat en de ondernemers, om hun belangen en rechten er door te boksen. Nièt te vertrouwen op de “gematigde leiding” in vakbonden of arbeiderspartijen. Vooral, indien men iets zorgvuldiger rondkijkt in de top van de TC: Hier vinden we namen als Heinz-Oskar Vetter, voorzitter van de Deutsche Gewerkschaftsbund (DGB) en SPD-lid, Erwin Kristoffersen (DGB), Horst Ehmke (SPD), Lane Kirkland, penningmeester van de Amerikaanse vakcentrale AFL/CIO, I.W. Abel (Amerikaanse bond van metaalarbeiders), Jozef Houthuys, leider van het Algemeen Christelijk Vakverbond (België), Dan Murphy, leider van de vakbond voor overheidspersoneel (Ierland), Yukitaka Haraguchi, leider van de Japanse bond van metaalarbeiders. Al deze “arbeidersvertegenwoordigers” maken of maakten deel uit van de TC.


“Tegen het trilaterale offensief helpt alleen een multinationale breuk van de arbeidersbeweging en alle loonafhankelijken met het kapitalisme en haar burgerlijke staat”, verklaarde een FIAT-arbeider in Turijn naar aanleiding van een door radicale vakbondsbasisgroepen en militant links belegde discussiebijeenkomst met als thema <>. “En dat”, zo ging hij voort, “is een wedloop tegen de klok, die wij moeten winnen, voordat deze twaalf slaat.”. 



Naschrift: 


De laatste coup van de Trilaterale Commissie Aardverschuiving binnen de regering-Carter: Michael Blumenthal wordt als minister van financiën vervangen door William Miller, president van de Federal Reserve Board (de Amerikaanse centrale bank).De plaats van Miller wordt ingenomen door Paul Volcker, president van de Reserve Bank van New York. Nieuwe speciale adviseur van Carter wordt Hedley Donovan, voormalig hoofdredacteur van 'Time' en beheerder van de Ford- en Carnegie-stichtingen. Alle drie genoemde personen die promotie hebben gemaakt zijn lid van de TC.


Teneinde de diepere betekenis van deze personele reorganisatie te kunnen begrijpen, dienen we wat verder terug te gaan in de geschiedenis.


De dynamiek van de wereldeconomie en de gewijzigde verhoudingen tussen ondernemers en vakbonden hebben een wig gedreven in de Amerikaanse bourgeoisie. Aan de ene kant bevinden zich de multinationale concerns en de grote handelsbanken, aan de andere kant de financiële en industrievennootschappen, die georiënteerd zijn op de binnenlandse markt. De “binnenlandse fractie”, die uitsluitend grondstoffen importeert en deze in de Verenigde Staten verwerkt voor de binnenlandse consumptie, is voorstander van een protectionistische politiek teneinde de spanningen en de druk van de wereldeconomie te ontwijken (staal-, textiel-, schoenenindustrie en de kleine ondernemingen). Daarentegen streven de 'multi's', die een groot deel van hun productie naar het buitenland (vooral de Derde Wereld) hebben overgebracht, naar een grotere “vrije” handelsuitwisseling op wereldvlak en uitgebreide rechtstreekse investeringen in het buitenland (oliemaatschappijen, auto-, elektro-, en chemische investeringen, agro-business).


Dit antagonisme weerspiegelt zich tegenwoordig in de beide grote politieke partijen: De Democraten vertegenwoordigen de belangen van de 'multi's', de Republikeinen die van de protectionisten. Deze nieuwe constellatie der krachten heeft zich pas in het begin van de jaren '60 uitgekristalliseerd, toen de invloed van de vakbonden binnen de Democratische partij afnam en het apparaat van de Republikeinse partij door de protectionisten in bezit werd genomen. Sinds de moeilijke jaren van de 'Nieuwe economische politiek' van toenmalig president Nixon – protectionisme, devaluatie van de dollar, importheffingen – is in de Verenigde Staten een nieuwe politieke figuur ontstaan: De 'Democraticus multinationalis', belichaamd door David Rockefeller, president van Chase Manhattan, voorzitter van de Council on Foreign Relations (CFR), medeoprichter van de Bilderberg-conferentie en oprichter van de Trilaterale Commissie.


Om tegenover de “provinciaalse” economische politiek van de Republikeinse leiding een multinationale politiek van de “vrije” handelsuitwisseling door te kunnen drukken, ondernam de TC alles om Jimmy Carter, zelf lid van de TC, aan de macht te brengen.


Sindsdien hebben meer dan twintig TC-leden, die tot op heden in de regering-Carter werkzaam zijn geweest, ervoor gezorgd, dat er naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van de 'multi's'.


Tegen deze historische achtergrond wordt de betekenis van de recente regeringsreorganisatie duidelijker.


In maart 1978 sloeg de TC voor de eerste keer toe. Arthur Burns, president van de Federal Reserve Board, moest toen het veld ruimen voor William Miller, lid van de TC. Burns was nooit een echte vriend van de 'multi's' geweest, aangezien zijn connecties met het grootkapitaal slechts van sporadische aard waren. Tezamen met Richard Nixon was hij president van de Mutual Life Insurance Company, die zich economisch gezien in een neerwaartse spiraal bevond. Bovendien was Burns beheerder van de zeer conservatieve Tax Foundation en fervent tegenstander van elke vorm van staatsbemoeienis in het economische leven. Dat maakte hem voor de 'multi's' en hun agenten in de TC onacceptabel, waarvan het verlangen naar een 'sterke staat' tegenwoordig een nieuw tijdperk in de economische politiek inluidt.


Geheel anders zijn opvolger William Miller: Als president van de Textron Corporation en voormalig leider van de Conference Board, het meest belangrijke instrument op het gebied van research van de grote Amerikaanse concerns, was hij dè geschikte man voor de TC, waarvan hij bovendien zelf ook deel uitmaakt. Een reusachtige campagne voor de benoeming van Miller als opvolger van Burns werd door Millers collega in de leiding van Textron, Health Larry, gelanceerd. De laatste is tevens president van de National Association of Manufactures (de Amerikaanse ondernemersorganisatie). De pro-Millercampagne werd ondersteund door het belangrijke tijdschrift 'Time' en haar toonaangevende hoofdredacteur Hedley Donovan: Ook hij is een lid van de TC en thans... speciaal adviseur van president Carter!


De 'Washington Post' droeg eveneens het nodige bij tot de benoeming van Miller. Katherine Graham, directrice van de 'Washington Post', zetelt tevens in de Raad van Bestuur van het concern Allied Chemical, waarvan John Connor, een boezemvriend van Miller, president is. Miller was eveneens beheerder van de Federated Department Stores-groep, waarvan de president, Ralph Lazarus, zitting heeft in de Raad van Bestuur van de Chase Manhatten-bank (President: David Rockefeller). Daarenboven was Miller actief lid van de Business Roundtable, een lobbygroep van de 200 grootste Amerikaanse ondernemingen.


Reeds in september 1977, ten tijde van de jaarvergadering van het IMF, was het lot van Burns al bezegeld: “Eminente bankiers hebben al laten doorschemeren, dat zij het nièt meer als essentieel beschouwen, dat Burns nog langer aanblijft als baas van de Federal Reserve Board.” ('Washington Post', 29 december 1977)


Zijn erdoor gedrukte opvolger Miller versoepelde als eerste amtshandeling maar meteen de controle op de grote bankkredieten aan ontwikkelingslanden, die zijn voorganger had ingevoerd. Dat bracht Miller direct alle lof van de voltallige bankierswereld, welke ook voordien al zeer nauw met Miller verbonden was geweest: Miller was namelijk ook president van de Reserve Bank van Boston.


Met de benoeming van Miller tot minister van financiën in plaats van Blumenthal en het doorschuiven van Paul 'Hurrican' Volcker naar de post van president van de Federal Reserve Board blijft de continuïteit van de TC binnen de regering-Carter volledig gewaarborgd. Volcker, voormalig president van de Reserve Bank van New York en lid van de TC, is ook beheerder van de belastingvrije Rockefeller-stichting, die op haar beurt weer fungeert als medefinancier van de TC. De relatie van Volcker tot de grote banken is uitstekend: Hij wordt gezien als protegé van Robert Roosas van de bank Brown Brothers Harriman, lid van de Bilderberg-conferentie en ex-minister van financiën; bovendien was Volcker jarenlang werkzaam voor de Chase Manhatten-bank van TC-collega David Rockefeller.



Carter of Kennedy? 


Eén probleem blijft voor de Amerikaanse strategen van de TC echter overeind: De groeiende populariteit van Jimmy Carter. Het devies van de TC voor de komende presidentsverkiezingen staat ondertussen reeds vast: Verdediging van de dollar (géén devaluatie), geen beperkingen voor de kredietverlening van de banken ten behoeve van buitenlandse investeringen (wat zal leiden tot een nog lethargischer binnenlandse economische situatie met een dienovereenkomstig stijgende werkloosheid), het nauwlettend volgen van de populariteitsgraadmeter van Carter, die desnoods ten gunste van de meer populaire Edward Kennedy zal worden vallen gelaten.


Het mechanisme, dat het mogelijk dient te maken om een geschikte presidentskandidaat te vinden, d.w.z. een kandidaat die èn de belangen van het multinationale grootkapitaal behartigt èn nog populair genoeg is om de nationalistische en protectionistische Republikeinse tegenkandidaten (Ronald Reagan dan wel John Connally) in toom te houden, draait reeds op volle toeren. De van de post van minister van financiën “ten behoeve van andere politieke taken” vrijgestelde Michael Blumenthal, eveneens lid van de TC, heeft in opdracht van de TC al een gesprekskanaal richting Edward Kennedy geopend. Blumenthal is inmiddels tevens besprekingen begonnen met New Yorkse uitgevers om zijn bijna voltooide memoires als minister van financiën te doen laten publiceren. Reeds gaat in bepaalde New Yorkse kringen het gerucht, dat diens memoires een catastrofaal beeld van Jimmy Carter zouden schetsen...



Noten:

* Dossier Trilaterale Commissie: Jean-Michel Berthoud. Vertaling aan de hand van de in <> in 1979 gepubliceerde Duitstalige versie

** CFR: Organisatie bestaande uit ca. 2000 personen afkomstig uit de Amerikaanse industrie, het 
bank- en beurswezen en de intelligentsia. Heeft zich een kapitalistische planeconomie over de gehele wereld ten doel gesteld onder de hegemonie van de US-dollar, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Officieel orgaan: 'Foreign Affairs' (verschijnt driemaandelijks). 

*** Bilderbergconferentie: Een met de CFR enigszins vergelijkbaar internationaal overlegorgaan, dat sinds maart 1954 jaarlijks bijeenkomt en waarvan leidinggevende persoonlijkheden uit politiek, economie, bankwereld, strijdkrachten en pers uit geheel West-Europa en Noord-Amerika deel uit maken.


**** Sinds 1976 beschikt de TC uit “overwegingen van decentralisatie” niet meer over een voorzitter. Brzezinski speelt echter als Amerikaans vertegenwoordiger in de Program Advisory Council tezamen met een Japanner en een Europeaan evenals voorheen een centrale rol.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen