maandag 27 februari 2017

Revolutionair Syndicalisme: Een Franse Specialiteit


"Het Franse syndicalisme ontstond als reactie van het proletariaat tegen de democratie."  
- H. Lagardelle


In de historie van de Europese arbeidersbeweging heeft het Franse revolutionaire syndicalisme een speciale plaats vanwege haar opvallende organisatie en actievormen.  

De Oorsprong

Doordat de bourgeoisie de Grote Revolutie van 1789 voor haar eigen belangen wist te gebruiken, vestigden zij hun dominantie. Een van haar belangrijkste prioriteiten was om de arbeiders ervan te weerhouden zichzelf te verdedigen tegen hun uitbuiting. Onder het valse voorwendsel van het opheffen van de gildes van het Ancien regime, verbood de “Le Chapelier” wet van 1791 elke overeenkomst tussen arbeiders om hun eigen belangen te behartigen. Elke poging om zich te organiseren werd veroordeeld als "een poging om de vrijheid en de 'verklaring van de rechten van de mens' omver te werpen."

Als gevolg hiervan werd in het geheim de arbeidersbeweging geboren. De toenemende ontwikkeling van belangenorganisaties voor en door arbeiders werd erkend door het Tweede Rijk, dat een einde maakte aan de criminalisering van de vakbonden in 1864. Echter de bloedige repressie van de Commune van Parijs leidde ertoe dat de beste revolutionaire kaders verdwenen. Na de 'Bloedige Week' werden zij doodgeschoten, verbannen of gedeporteerd naar concentratiekampen in de Franse koloniën.       

Vanaf toen stond de arbeidersklasse onder het draconische toezicht van de opeenvolgende regeringen. De bourgeoisie, angstig voor een algemene opstand tegen haar macht, was vastberaden om deze te behouden. Dit burgerlijke egoïsme kan niet begrepen worden zonder rekening te houden met de permanente angst van de bourgeoisie om al het eigendom te verliezen dat zij opgekocht hadden. Voor de arbeiders was de staat inmiddels het repressieve apparaat van het kapitaal geworden. In 1831, 1848 en 1871 onderdrukte de heersende klasse met grof geweld de legitieme eisen van de arbeiders. Deze ervaring smeedde de vastberadenheid van de proletarische voorhoede om niet te onderhandelen met de autoriteiten, maar om er tegen te strijden.

Het anti-parlementarisme van het revolutionair syndicalisme kan uitgelegd worden met de overtuiging dat er geen hervorming mogelijk is in een systeem dat is voortgekomen en wordt gedomineerd door het kapitalisme. Ook het anti-militarisme vindt hier haar oorsprong: het leger werd niet langer gezien als de verdediger van de natie, maar als de breker van stakingen. De inzet van troepen was het antwoord van de openbare macht op de eisen van het volk. De intense anti-militaristische propaganda van de revolutionaire syndicalisten kon op bijval rekenen van andere klassen, die hun zoons niet in dienst wilden zien gaan voor het repressieve regime.  


Bourses du Travail

Met de uitroeping van de Derde Republiek kwam er nog steeds geen einde aan de onderdrukking. De desorganisatie van de syndicalistische structuren leidde echter tot een opleving van reformistische groepen, die overeenkomsten met de staat en de bourgeoisie wilden sluiten. Het resultaat daarvan bevestigde echter de nutteloosheid van de dialoog ten opzichte van repressie. Dit vertaalde zich in een herleving van de revolutionaire syndicaten.  Tijdens deze periode moedigden de werkgevers de stadsbesturen aan om arbeidsraden te creëren, met als doel de arbeidskracht te circuleren en de arbeidsmarkt op regionaal niveau te controleren. Deze ontwikkeling breidde zich snel uit (van de eerste in Parijs, 1887 tot Toulouse in 1890). Echter, al snel werden deze arbeidsraden toegeëigend door revolutionaire militanten als centra voor de sociale strijd. 

Het organiseren van arbeiderssolidariteit werd het laboratorium voor toekomstige vormen van actie door Franse syndicalisten. Deze beweging werd geleid door een uitzonderlijke man, Fernand Pelloutier, die een van Georges Sorel zijn belangrijkste inspirators werd. Deze omschreef hem als "een van de grootste namen in de geschiedenis van de syndicaten." Hij was de drijvende kracht achter de 'Franse Federatie van Arbeidsraden' (Fédération des bourses du travail de France). Grotendeels dankt de Franse arbeidersbeweging het idee van de algemene staking en de onafhankelijkheid van de syndicaten ten opzichte van de politieke partijen en de staat, aan hem. Hij stond recht tegenover Jules Guesde, oprichter van de Marxistische 'Parti Ouvrier Français', die de partijpolitiek boven de syndicaten stelde.         

De raden streefden twee vormen van actie na. In de eerste plaats sociale actie, die bestond uit het plaatsen van arbeiders en om hen te helpen zich professioneel te verbeteren. De arbeidsraad diende als concrete toepassing van het revolutionaire socialistische programma via professionele en algemene educatie, medische dispensaria die zich toelegden op het bestrijden van verzekeringsbedrijven die te zelfgenoegzaam waren om uit te keren bij bedrijfsongevallen, bibliotheken voor de ideologische vorming en vrije tijd van de arbeiders en juridische hulp over de nieuwe sociale wetten van de Derde Republiek. Het onderrichten van het volk was een van Pelloutier zijn belangrijkste prioriteiten, zoals de slogan "leren om in opstand te komen" getuigt. Voordat de arbeiders kunnen emanciperen, moeten zij eerst de realiteit van hun uitbuiting beseffen. Zoals Emile Pouget verklaarde; "De taak van revolutionairen bestaat niet uit toevallige pogingen tot gewelddadige opstanden, maar om de geesten voor te bereiden zodat deze opstanden uitbarsten als de juiste omstandigheden zich presenteren."

En in de tweede plaats; activisme om de arbeiders met de syndicaten te verenigen. De vestiging van arbeidsraden leidde tot de ontwikkeling van syndicaten die konden terugvallen op hun netwerken. Zij werden verzamelplaatsen voor stakende arbeiders, de arbeidskas werd gevuld met geld vanuit de fabrieken, om de arbeiders bij te staan in hun strijd. De 'Confédération Générale du Travail' (CGT) en de 'Fédération des bourses du travail de France' gingen samen in 1902 tijdens het congres van Montpellier, waarmee een centrale organisatie ontstond, bestaande uit twee secties; de arbeidersfederatie en de arbeidsraden. Hier ging de stichtende gebeurtenis van de Franse syndicalistische beweging aan vooraf: de geboorte van de CGT.   



1895: De CGT

Toen in 1884 het wettelijk toegestaan was om syndicaten te vormen, probeerde de Republiek de arbeidersklasse ertoe te verleiden hun objectieve bondgenootschap met het grootkapitaal te vergeten. Het overgrote deel van de arbeiders stond erg wantrouwig ten opzichte van deze nieuwe wet, omdat zij er terecht vanuit gingen dat deze was uitgeschreven om juist die structuren te controleren die voorheen nog clandestien waren. Na voorbereidende onderhandelingen in Limoges, werd in september 1895 de Confédération Générale du Travail (CGT) opgericht, met als voornaamste doelstelling "de arbeiders in de economische strijd te verenigen met sterke banden van solidariteit, teneinde haar complete emancipatie te werk te stellen."

Na de eerste chaotische jaren onder het leiderschap van Victor Griffuelhes, zou de organisatie een tijd van intense activiteiten doormaken. Als secretaris-generaal van de CGT, was deze oud arbeider een overtuigd Blanquistisch militant, die van deze organisatie een machine voor de klassenstrijd zou maken. Samen met zijn trouwe kameraad Emile Pouget, was hij overal waar een staking uitbrak aanwezig. Niet gewend aan eindeloze discussies, legde hij zijn autoriteit met harde hand op. Dit werd hem vaak verweten en leverde hem dan ook veel vijanden op, aan zijn oprechtheid kon echter nooit getwijfeld worden. Met dank aan zijn meedogenloze karakter werden geschillen tussen verschillende stromingen bijgelegd en verkreeg het syndicaat volledige onafhankelijkheid van de staat, die probeerde om haar leiders te corrumperen.

Tijdens de aanname van het 'Handvest van Amiens' op het congres van 1905 werd verklaard dat: "De CGT buiten elke politieke school om, alle arbeiders verzamelt die zich bewust zijn van de strijd voor het verdwijnen van loonarbeid en werkgevers... Het congres erkent dat deze verklaring een erkenning van de klassenstrijd in het economische domein is, die de arbeiders laat rebelleren tegen iedere vorm van uitbuiting en onderdrukking, zowel materieel als moreel, door de kapitalistische klasse tegen de arbeidersklasse.




Directe Actie

In de socialistische beweging van januari, 1905 omschrijft Victor Griffuelhes directe actie als volgt: "Directe actie betekent actie door de arbeiders zelf. Daarmee bedoelen we, actie die rechtstreeks uitgeoefend wordt door de belanghebbende partijen. Het is de arbeider zelf die zijn inspanningen leidt: hij persoonlijk oefent die uit tegen de machten die hem domineren, om zo de voordelen te krijgen van wat hij eist van hen. Via directe actie creëert de arbeider zijn eigen strijd, hij leidt deze zelf, zonder de verantwoordelijkheid van zijn emancipatie aan een ander persoon uit te lenen." De revolutionaire syndicalist leidt de strijd voor verbeterde arbeidsomstandigheden zelf zodat "de dagelijkse strijd, de revolutie voorbereidt, organiseert en realiseert", voegt hij eraan toe.   

Directe actie, uitgevoerd door actieve en bewuste minderheden, is er op gericht om de geesten te raken (zoals bij de algemene staking van 1907 toen Parijs volledig in het duister werd gelegd als gevolg van een sabotage actie door syndicalistische elektriciens). Het moet de wil van de arbeiders aan de werkgever opleggen. Het mogelijke gebruik van proletarisch geweld kan onderdeel van deze strategie zijn. "Er is enkel complete emancipatie als de uitbuiters en de bazen verdwijnen en de lei schoon geveegd is van alle kapitalistische instituties. Een dergelijke taak kan zich niet vreedzaam voltrekken, noch legaal! De geschiedenis leert ons dat de gepriviligeerden nooit hun privileges hebben opgeofferd zonder daartoe gedwongen te worden door hun rebellerende slachtoffers. Het is onwaarschijnlijk dat de bourgeoisie een buitengewone grootmoedigheid heeft en vrijwillig aftreed... Het zal noodzakelijk zijn om tot geweld over te gaan, dat, zoals Karl Marx het stelde, de vroedvrouw van de samenleving is." (Emile Pouget - CGT) 




De Mythe van de Algemene Staking in Actie

In 1904 brak er een felle strijd uit voor de 8-urige werkdag tussen de CGT en de staat. De campagne mondde uit in een gewelddadige demonstratie op 1 Mei 1906, waarvoor al een jaar lang gemobiliseerd werd. Alle krachten van de organisatie waren 8 uur lang in strijd. De context was er een van opstand, de wereld van de arbeid was woedend na het drama van de Courrières mijn, waar 1200 mijnwerkers overleden. 40.000 mijnwerkers uit Pas-de-Calais riepen een spontane staking uit. Repressie richtte niets uit en de woede verspreidde zich enkel verder. Zeker 200.000 stakers in de bouw werden gemobiliseerd (een bastion van revolutionaire syndicalisten), de metaal, printpers ... de beweging culmineerde uiteindelijk tot 438.500 stakers door heel Frankrijk! De regering had grote angst voor een dreigende sociale oorlog en botsing tussen de twee antisysteemkrachten in deze episode: de revolutionaire syndicalistische beweging en de nationalistische beweging (convergenties waargenomen door Professor Zeev Sternhell). 

Maar de Franse Premier Clemenceau en zijn opvolger A. Briand waren erg effectief met het corrumperen van syndicalistische leiders en infiltratie door provocateurs (de politie archieven staan vol met verslagen over hun activiteiten bij de CGT), waardoor onvrede zich snel verspreidde en de acties van revolutionaire syndicalisten in diskrediet werden gebracht. Verder leidde de verergering van de interne dissidentie en de oorlog van richtingen tot een explosieve situatie onder het leiderschap.   




De Breuk: Het Proletariaat tegen de Republiek

Het was de Draveil-Vigneux affaire, die door toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken Aristide Briand werd gebruikt om het vuur te ontsteken. Een demonstratie van spoorwerkers in de regio van Parijs op 30 Juni, 1908, liep uit op een rel. Daarbij kwamen twee arbeiders om het leven. De CGT riep de arbeiders op tot een algemene staking. Na een demonstratie in Villeneuve-Saint-Georges volgden nog eens zeven doden. Met behulp van een agent-provocateur, zag de Minister van Binnenlandse Zaken kans om het gehele leiderschap van de syndicaten te arresteren. Onder hen secretaris-generaal Victor Griffuelhes, waardoor verraders hun kans schoon zagen om tijdens zijn gevangenschap een putsch door te voeren.

Hoewel de gevangen leiders snel weer vrij kwamen, werd er in de schaduw van de handlangers van Briand, de penningmeester Lévy (hoogstwaarschijnlijk corrupt) en Latapie, een lastercampagne gehouden tegen Griffuelhes. Hij werd beschuldigd van misbruik van fondsen bij de aankoop van een lokaal. Op het volgende congres trad de verbitterde secretaris-generaal af met een crisis als gevolg. Niel volgde hem op, nadat hij met behulp van de reformistische stemmen werd gekozen op de 25ste februari 1909. De revolutionaire syndicalisten lieten hem echter niet met rust en zes maanden later werd hij gedwongen om weer af te treden.  

Hij werd vervangen door Léon Jouhaux. Het was geen toeval dat de spanningen met de staatsmachten vanaf 1910 weer toe begonnen te nemen. In oktober tijdens een staking van spoorwerkers, binnen een campagne tegen de hoge kosten van levensonderhoud, zag Briand kans om de CGT te laten opheffen. Briand besloot om een voorbeeld te stellen: de Durand affaire. De secretaris van het kolenbranders syndicaat van Havre werd ter dood veroordeeld vanwege stakingsacties waar hij geen enkel aandeel in had. Als gevolg ontstond er een gigantische protest beweging van arbeiders.

Tijdens dit cruciale moment in de geschiedenis, stond de werkende wereld grotendeels vijandig ten opzichte van de liberale Republiek. Er was walging jegens de houding van de oude Dreyfusards (Clemenceau en Briand), die de arbeidersklasse hadden opgeroepen om te mobiliseren voor gerechtigheid, maar eenmaal aan de macht zichzelf ontmaskerden als moordenaars van het volk. Deze afwijzing van de democratie hield aan tot aan de eerste wereldoorlog. De uitbarsting van de Grote Oorlog was een mislukking van de revolutionaire syndicalisten. Nadat zij alles er aan hadden gedaan om de mars naar oorlog te stoppen, hield het patriottische elan naar de Heilige Unie hen tegen. Bij het graf van Jaurès, riep Léon Jouhaux de arbeiders op om de richting van het regime te volgen. Deze omarming van de Heilige Unie betekende het einde van de heroïsche periode van het syndicalisme en de directe actie van de CGT, welke na de oorlog werd overgenomen door bureaucraten, die er het reformistische instrument van gemaakt hebben dat het vandaag de dag is.  





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen