maandag 28 februari 2011

De aard van het Imperialisme

De aard van het imperialisme

Een imperium is de "absolute politieke macht", meer figuurlijk de "allerhoogste macht". Wanneer we iets proberen te controleren proberen we meestal totale controle te verkrijgen over bijvoorbeeld onze ledematen of over faculteiten. De effecten van drugs en alcohol worden meestal omschreven als de controle verliezen. Binnen het bedrijfsleven is controle eveneens een sleutelwoord: de productie controleren, de geldaanvoer controleren, de markt, lonen en prijzen controleren. Wat niet gecontroleerd wordt is gevaarlijk.

Zowel letterlijk als figuurlijk is er niets democratisch aan een imperium: controle suggereert leiderschap en absolute controle suggereert dat iets of iemand compleet gedomineerd wordt. Een imperium is compromisloos, het deelt niet, maar is een absoluut monopolie. Maar wanneer is iets "absoluuts" behaalt? Er zijn altijd nieuwe landen om te worden verovert, nieuwe markten om gewonnen te worden.

Een imperium wordt gedreven door ambitie, zonder ambitie wordt het kleiner en brokkelt het af. Deze ambitie kan zowel romantisch als idealistisch zijn als materialistisch en hebzuchtig.

Een imperium is een prestatie (ambitie vervult) en een doel (de ambitie die vervult dient te worden). Om deze droom te realiseren en de ambitie te vervullen zijn technieken nodig. Een imperium wordt gerealiseerd door wil en techniek, als een van deze twee ontbreekt kan er geen sprake zijn van een imperium. Meer poëtisch omschreven: een imperium begint als de gerealiseerde ambitie om de werkelijkheid te controleren.

Een imperium is dan ook een droom over de werkelijkheid. De imperialistische onderneming is in de kern zowel romantisch als pragmatisch, een grenzeloos verlangen naar roem en hard zakelijk inzicht, een zoektocht naar roem en winst. De bouwers van imperia zijn piraten en priesters, boekaniers en zakenmannen, idealisten en mensen zonder enig ideaal, verkenners en uitbuiters, roekeloze avonturiers en angstige mannen die in vastgoed investeren voor hun oude dag.

Een imperium zegt altruïstisch te zijn: hij komt op voor de zwakkeren en begint kruistochten tegen de "heidenen", "piraten", "ongelovigen", "onbeschaafden", "barbaren" in naam van "God", "beschaving", "vooruitgang", "democratie" en "het ware geloof". Dit is echter slechts altruïstisch in naam, een imperium is in zichzelf gericht in zijn ambitie, claimt alle macht voor zichzelf en tolereert geen onafhankelijke economische of politieke rechten die los staan van zijn eigen wetten.

Het dwingt zijn altruïsme op met het zwaard en zegt "barbaarse praktijken" te stoppen door middel van regelrechte terreur en de macht die komt van efficiëntere militaire of technologische logistiek. Een imperium is de moeder, monitor, politieagent, de schepper van rechten en wachter van orde, arbiter en morele beschermheer, maar ook de plunderaar, verkrachter, pestkop, een reus die zijn donkere schaduw laat vallen op de kwetsbare, een rover van de rijkdom van anderen.

Gemeenschappelijk bij ieder soort imperium is de claim een orde te brengen met een universele geldigheid. Een imperium legt zichzelf geen grenzen, de grenzen bestaan in een toestand van constante spanning met de onveroverde landen. Of hun grenzen worden verlegt of deze worden bedreigt door de weinig bekende, "niet beschaafde" wereld die erachter ligt.

De natie is allereerst de mensen en hun land, een imperium is allereerst het idee en de macht. Nationale hiërarchieën zoeken hun legitimiteit in het volk, de aarde; de imperialistische hiërarchie zoekt zijn legitimiteit bij de goden, het heelal, het universele. Een imperium is in permanente staat van confrontatie met datgene dat het niet controleert. Hoewel er vrede gehandhaafd wordt, is het bestaan van deze grenzen een herinnering aan de nooit afwezige politieke spanning. Een imperium streeft naar totale controle en het bestaan van grenzen herinnerd eraan dat deze totale controle er niet is. Een imperium wordt voortgedreven uit de dynamiek van groei, om zijn stelling dat zij universeel is waar te maken, moet zij dus verder veroveren tot de gehele wereld onder haar controle valt.

Daarom zijn de grenzen van imperia niet vastgelegd zoals dat bij naties wel het geval is. Ze kunnen wellicht geografisch vastgelegd worden, maar nooit in theorie.

Imperia hebben een zekere terughoudendheid als het gaat om toe te geven aan de natuurlijke orde boven hun eigen kracht. Een sekte kan groeien binnen een imperium en uiteindelijk transformeren in iets nieuws, maar altijd naar haar eigen beeld. Het Christendom is hier een voorbeeld van. Een ander voorbeeld is het moderne internationalistische Westen dat de Europese naties heeft vervangen.



Aan de pragmatische of realistische kant zal een imperium altijd de vorm aannemen van een grote nationale, tribale of religieuze zoektocht naar de veiligstelling van de welvaart. Controle over havens, kuststreken, handelsmonopolies, controle over zeewegen, bergwegen of kanalen, controle over een bedrijf of onderneming. Dit zijn allen voorbeelden om de concurrentie uit te sluiten uit een bepaald domein en maximaal rendement te krijgen voor de tijd en het geld dat is geïnvesteerd. In andere woorden is de imperialistische zoektocht een strijd voor een monopolie, een monopolie op rechten, een monopolie op bezit en van macht. Imperialistische heerschappij kan worden omschreven als het domein waar dit monopolie actief is. Hier staan imperia vaak voor een dilemma: aan de ene kant wijken ze onder de enorme kracht van hun eigen groei uit over de eigen grenzen in hun zoektocht naar nieuwe welvaart. Aan de andere kant hebben monopolies van nature een neiging om anderen uit te sluiten, waardoor ze zichzelf uitschakelen. Des gevolg is het veelvoorkomend dat imperia de protectie van de eigen markt prediken en vrije handel voor de rest van de wereld voorstaan. Economisch en politiek conservatief in eigen land maar liberaal in de rest van de wereld.

Maar in alle imperia is er altijd een belangenverschil rond het onderwerp "open" of "gesloten" grenzen. De meeste imperia worden meer en meer poreus tijdens hun ontwikkeling en groei. Een onverzadigde vraag naar meer luxe tegen lagere prijzen stuurt hen op plundertochten over de gehele wereld. De ontwrichte populaties veranderen van de producent naar de consument; iedereen wilt deel uit maken van het imperium, maar niemand wil de prijs betalen. Sommige imperia uit het verleden, zoals die van de Chinezen en Azteken, wisten zichzelf af te sluiten van een "barbaarse" wereld waarvan zij dachten dat deze niet te civiliseren was. Zij stichten een niet-groeiende economie waarbinnen de imperialistische wil om te groeien verdween. De ambitie was weg. Hier bereikte het economisch systeem, dat gefundeerd was op legers van anonieme onderdanen en slaven, een soort van tijdloosheid waar geen notie van vooruitgang bestond. Maar toch bleven de mythes over de buitenwereld en oorsprong van het imperia volhouden. Onwetendheid is zowel een zwakte als een zegen en bepaalde gebeurtenissen bewezen dat beide rijken zeer kwetsbaar waren voor druk van buitenaf. Het Azteekse imperium was zo zwaar dat het makkelijk omver te werpen was door enkele respectloze rebellen die het leiderschap onderworpen. Het hemelse rijk van China wist zich niet te verdedigen tegen kracht van de Britse commerciële belangen. De keuze van keizer Tao-Kuang, in de vroege 19de eeuw, om de anti opium wetten strenger te maken, zette hen op een ramkoers met de Britten. De Chinezen werden verslagen en het verdrag van Nanking in 1842 dwong de Chinezen om hun opiumverkeer te herzien. De officiële verklaring dat Groot Brittannië in de Opium oorlog vocht was "de bescherming van de vrijheden van Engelse onderdanen", aldus T.B. Macauley.
Voor ieder imperium is de bescherming van de "vrijheden van zijn onderdanen" en de bescherming van zijn commerciële belangen (en daarom het imperium zelf) precies hetzelfde. Feitelijk begint de militaire historie van ieder imperium met een regering die besluit zijn handelaren of kolonisten te beschermen tegen intimidatie of besluit de weg vrij te maken voor een monopolie voor deze handelaren en kolonisten. De basis van dit alles is dus handel.    

Sommigen, zoals bv de Engelse filosoof T. Hobbes, maakten de vergelijking tussen een koningrijk en een lichaam. Deze vergelijking werkt ook voor een imperium, enkel heeft een lichaam natuurlijke beperkingen en een imperium niet. Er zijn enkele vitale organen in het lichaam en enkele bruikbare maar zeker vervangbare organen. Een levend organisme handelt door een coöperatief systeem van cellen om welvaart te verkrijgen, allen moeten bijdragen aan het geheel. Een imperium doet dat niet anders. Concurrentie binnen het lichaam is verspillend en het lichaam zijn mechanisme heeft als doel dit uit te roeien. Een imperium zoekt altijd naar een monopolie, feitelijk beginnen de meeste imperia als een zoektocht van een kleine natiestaat om handels monopolies uit te breiden of op te leggen. De eerste zorg van een imperium is de succesvolle invoering van een "universele wil" die ontstaat vanuit een centrum, met als doel monopolies te verkrijgen. Imperia stellen codes, wetten en bureaucratieën vast. Hun universele wetten en belastingen, beheerd door hun bureaucraten, worden gevormd vanuit het imperialistische standpunt dat zij "het kader der beschaving" zijn. Aparte identiteiten worden getolereerd binnen zo'n kader, maar onafhankelijke identiteiten niet.

De materialistische belangen van een imperium hoeven niet per definitie overeen te komen met de materialistische belangen van zijn onderdanen, eigenlijk doen zij dit zelden. Een van de grote paradoxen van een imperium is dat deze in de verloop van zijn groei meer en meer onderdanen krijgt, die door de natuur van de operatie die wordt uitgevoerd (de verrijking van de imperialisten), meer te verliezen hebben dan dat zij kunnen winnen door de imperialistische strategie. Deze zijn in te delen in twee groepen: de economische verliezers in eigen land en de economische verliezers in het buitenland. De verliezers in eigen land zijn de voormalige burgers of inwoners van wat ooit een natiestaat was; de vrije boeren, ambachtslieden en kleine producenten die in vroegere tijden produceerden en leverden voor de eigen markt. Zij worden de armoede in gedreven door toenemende concurrentie van buitenlandse arbeiders/slaven en de dalende prijzen van hun producten (door de toename van de producten aanvoer). Een enkeling past zich succesvol aan, aan deze nieuwe omstandigheden en wordt een groot industrieel of handelsmagnaat, het merendeel zinkt echter de loonsgebonden armoede in. De economische verliezers in het buitenland zijn de inwoners van de veroverde landen, in de zin dat zij hun land of het recht daarop verliezen en waar waarschijnlijk hun religie en zeker hun cultuur wordt beperkt of zelfs compleet wordt vernietigd door de nieuwe heersers.
   
Imperia worden zelden gepland. Vaak groeien deze uit als een reactie op bepaalde omstandigheden. Hun grootheid wordt vaak "opgedrongen". Het Britse rijk begon als een commerciële onderneming van enkele bedrijven en avonturiers die vaak financieel werden onderschreven door speculanten, meestal de monarch. De uitbreiding van het Romeinse rijk kwam voort uit een stadstaat, die in de strijd van zijn buurlanden werd betrokken. Caesars Gallische campagnes begonnen als een verdedigingsmaatregel tegen de Helevtische stammen. Het Carthaagse rijk was een handels imperium dat verdedigt werd door een gewapende vloot. Het Amerikaanse rijk is tot stand gekomen door aankoop en fraude, het geweer werd gebruikt om inheemse Indiaanse stammen weg te vegen die het hadden nagelaten om de kleine lettertjes op "legale" documenten te lezen.



Een imperium kan ook groeien uit de angst om afgesloten te worden van de toegang tot grondstoffen. Hierbij kun je denken aan het imperialistische Japan. De "Asian Co-Prosperity Sphere" is een sterk voorbeeld van hoe imperialistische militaire belangen gedreven worden door economische noodzaak. In 1941 had Japan geen andere keus dan uitbreiding of de acceptatie van een daling van de levensstandaard. Maar imperialistische groei kan ook "vreedzaam" tot stand komen in plaats van militaristisch. Sinds het eind van de oorlog heeft Japan hetzelfde doel nagestreefd zonder militaire middelen. Door een "Co-Prosperity Spere" in Azië te vestigen heeft Japan de levensstandaard in Azië verbeterd ten koste van die van Europa en de VS. Japan zijn imperialistische strategie is nu vooral commercieel/financieel en niet langer militaristisch.

Zelfs wanneer een imperium uitbreid met militaire middelen, kan dit een reactie zijn op inkapseling (Japan, Duitsland), of het resultaat zijn van de verdediging van belangrijke koloniale buitenposten. Vaak ook is het een reactie op een vraag om hulp van een zwakke bondgenoot, dit is vaak een standaard excuus voor verdere uitbreiding van het imperium onder een vlag van altruïsme. Een zwakke bondgenoot die "hulpbehoevend" is, was het standaard voorwendsel voor de Romeinse invasies van nieuwe landen, en meer recent de Britse, Japanse, Russische en Amerikaanse interventies (of liever invasies, afhankelijk van je context). Britse en Russische imperialistische legers handelden in defensieve oorlogen tegen de Afghaanse "barbaren", maar een totale overwinning op de Afghanen, hoewel deze nooit bereikt is, zou ertoe hebben geleid dat Afghanistan geabsorbeerd zou worden in het rijk waartegen zij vocht.

Imperialistische expansie die resulteert vanuit "defensieve" maatregelen kunnen extreem agressief lijken, zeker voor de slachtoffers. Hitler zijn aanval op Polen werd aangekondigd met de verklaring "vanaf 4.45 am vandaag hebben onze troepen terug geschoten". De drang om acties te rechtvaardigen is typisch voor imperia. Een natie claimt zijn rechten als een zaak van bloed en bodem. Piraten en rondtrekkende stammen denken er niet aan iets te rechtvaardigen. Maar een imperium, welke niet door grenzen is vastgelegd, rechtvaardigt zijn acties tegen de wereldopinie en zijn nageslacht. Een politiek imperium claimt het hoogste punt te zijn, de belichaming van de menselijke beschaving en claimt vaak een poging te zijn om een idyllische verdwenen beschaving te herstellen. Terwijl ontdekking en vernietiging, verkenning en exploitatie, wreedheid en zoektocht in de vroege dagen zaken van individueel heroïsme of banditisme waren, wordt dit later, wanneer een imperium de vlag van helden of bandieten hijst en zijn voorrecht om te heersen claimt, een universele orde die boven het belang staat van slechts individuen. In andere woorden, een imperium, dat gebaseerd is op het pragmatische eigenbelang van individuen, claimt de inspiratie voor een spirituele missie en met succes komt het vertrouwen dat het geloof in die spirituele missie geldig is. Wat is het historische, voorzienige plan dat ervoor koos dat het imperium de mensheid moest beheersen, wat maakt de imperialistische orde tot datgene dat het dichts bij de menselijke perfectie staat?
Dat is de vraag die het imperium moet beantwoorden, omdat imperia in tegenstelling tot naties, hun wereldorde uitleggen op een manier dat hun imperialistische orde een reflectie is van de kosmische orde. Naties zijn etnisch, anders zijn het geen naties. Imperia zijn in de breedste zin religieus anders zijn het geen imperia.        

Geen opmerkingen:

Een reactie posten