donderdag 13 april 2017

Arthur Moeller van den Bruck: Grondlegger van de Conservatieve Revolutie 


Arthur Moeller van den Bruck (April 23, 1876 - Mei 30, 1925) was een Duitse filosoof en cultureel historicus die een bepalende rol binnen de Conservatieve Revolutie speelde. Hij is hoofdzakelijk bekend vanwege zijn Duitse vertalingen van de werken van Dostoevsky en van zijn eigen boek 'Das Dritte Reich". 



Biografie


Arthur Moeller van den Bruck werd op 23 april, 1876, in Solingen, Duitsland geboren. Hij studeerde van 1898 tot 1910 op het gymnasium, maar werd daar geschorst vanwege zijn onverschilligheid met betrekking tot zijn studies. Hij vond dat Duitse literatuur en filosofie (met name Nietzsche) een betere scholing vormde en vervolgde zijn studie op zichzelf in Berlijn, Parijs en Italië. In 1905 publiceerde Moeller zijn 8-delige volume over de culturele geschiedenis van het Duitse volk: 'Die Deustchen: unsere Menschengeschichte'. In een boek dat hij als aanvulling hierop schreef, 'Die Zeitgenossen', drukte hij als eerste zijn idee van 'jonge naties' en 'oude naties' uit. In 1907 keerde hij terug naar Duitsland en schreef zichzelf in 1914, toen de eerste wereldoorlog uitbrak, in bij het leger.   


Na de oorlog stortte Moeller van den Bruck zich in het politieke activisme en richtte hij de 'Juni Klub' op om jonge conservatieven te verenigen om tegen het Versailles Dictaat te strijden. Later werd de organisatie herdoopt tot 'Deutscher Herrenklub' en nam sterk aan invloed toe. Zij speelden een belangrijke rol bij het aantreden van Franz von Papen als Reichskanzler in 1932. Tijdens deze periode schreef Moeller meerdere boeken waarin hij uitdrukking gaf aan zijn anti-liberale, anti-parlementaire, antikapitalistische en revolutionair-conservatieve ideeën. Tot zijn meest opmerkelijke werken behoren; ' Der Preufiische Stil', 'Das Recht der jungen Volker' en 'Das Dritte Reich'. In Mei 1925 kreeg Moeller echter een zenuwinzinking, waarop hij zelfmoord pleegde.       



Politieke en Economische Ideeën


Arthur Moeller van den Bruck benadrukte dat de ware democratie niet ging om de theoretische rechten van de mens of om parlementaire praktijken, maar om het volk dat haar eigen lot bepaald. De Duitsers kenden in het verleden al monarchieën die in essentie democratisch waren. Met betrekking tot het leiderschap benadrukte Moeller dat: "Leiderschap geen kwestie van stembussen is, maar van keus gebaseerd op vertrouwen. De ontgoocheling die de partijen hadden gebracht, leidde tot de ontvankelijkheid van het leiders-ideaal. De jeugd staat er volledig achter. Er is binnen dit ideaal geen plaats voor de monarchie; de monarch heeft dit ideaal voor zichzelf geclaimd; maar deze claimde het exclusief als een kwestie van privileges, niet een van verdiensten. Toen de Revolutie kwam werd het leiders-ideaal mogelijk, het ideaal van een leider die niet vernietigd, maar conserveert."  


Hij verklaarde dat de republikeinen, die zichzelf democraten noemden, nu de vijand van het volk waren en verslagen dienden te worden. Hij keerde zich hierbij tegen het liberalisme: "Liberalisme is de partij van de parvenu's*, die zich hebben gesitueerd tussen het volk en zijn grote mannen. Liberalen zien zichzelf als geïsoleerde individuen, die aan niemand verantwoording hoeven af te leggen. Zij delen niet in de tradities van de natie, zij staan onverschillig tegenover haar verleden en hebben geen ambities voor de toekomst. Zij zoeken alleen hun persoonlijke voordelen in vandaag de dag.  Hun droom is de grote internationale, waarbinnen alle volkeren, talen, rassen en culturen zullen worden verpletterd."  


De fundamenten van een gezonde natie moeten nationalisme en conservatisme zijn: "Conservatisme wilt de natie haar waarden behouden, door deze traditionele waarden te conserveren zolang deze de kracht tot groei bezitten, en door alle nieuwe waarden die de natie haar vitaliteit doen toenemen, te assimileren. Een natie is een gemeenschap van waarden; en nationalisme is het bewustzijn van die waarden."


Moeller maakt een onderscheid tussen vier algemene socio-politieke groepen in zijn tijd: de reactionair, de conservatief, de liberaal en de revolutionair. Volgens hem dacht de reactionair vaak dat deze een conservatief was, maar was dit feitelijk iemand die het verleden in haar totaliteit wilde recipiëren. Dat was een onrealistische positie die alle eerdere tradities en waarden als iets goed behandelde, zelfs als deze volkomen afkeurenswaardig zijn. De liberaal is de totale individualist die tot geen enkel volk behoort en geen tradities deelt; alles wat deze doet is wat het beste voor hemzelf is als individu, hij volgt een louter individualistische filosofie. De radicale revolutionair, in zijn visie vertegenwoordigd door communisten, wil de samenleving volledig veranderen door middel van revolutie. Zijn fout is om te denken dat hij alle oude gebruiken, tradities en waarden weg kan vagen en simpelweg kan vervangen door een nieuwe wereld. De conservatief is superieur ten opzichte van al deze groepen omdat deze begrijpt hoe de wereld eigenlijk in elkaar steekt. In tegenstelling tot de reactionair erkent de conservatief dat samenlevingen evolueren en hun waarden en tradities veranderen. Maar de conservatief probeert juist die waarden en tradities te behouden die goed voor de natie en haar volk zijn. Tegelijkertijd omhelst deze nieuwe waarden als deze de natie verbeteren of de oude waarden vervangen als deze de vitaliteit van de natie doen afnemen.     
   

Moeller besteedde veel tijd aan het bekritiseren van de materialistische en rationalistische grondslagen van het Marxisme. Volgens hem hadden deze een gebrekkig begrip over de mens en namen deze niet de vitale factoren mee. Als alternatief hiervoor propageerde hij een Duits socialisme. Hij stelde: "Elk volk kent haar eigen vorm van socialisme. Als we praten over een Duits socialisme, bedoelen we natuurlijk niet het socialisme van de sociaaldemocraat waar de partij na onze ineenstorting toevlucht zocht; noch bedoelen we het logische Marxistisch socialisme dat weigert de klassenoorlog van de internationalen achter zich te laten. ..Internationaal socialisme bestaat niet. Het bestond niet voor de oorlog en nog minder erna. Socialisme begint waar marxisme eindigt. Duits socialisme is opgeroepen om een onderdeel te vormen in de spirituele en intellectuele geschiedenis van de mensheid door zichzelf te ontdoen van ieder spoor van liberalisme. ... Dit nieuwe socialisme moet de grondslag vormen voor Duitslands Derde Rijk."   


"Oude" en "Nieuwe" Naties


Moeller van den Bruck stelde dat naties (Völker) in "ouderdom" verschilden. Dit werd niet begrepen in termen van ouderdom in jaren, maar in het karakter en gedrag van de natie (Volk). Dus er zijn "oude" en"nieuwe" naties die werden geïdentificeerd volgens bepaalde voorbeelden. De "jonge natie" was energiek, sterk, bezat de wil-tot-macht, vitaliteit en arbeidsethiek. De "oude natie" was sterk ontwikkeld, uitgeput, kende weinig vitaliteit en kende een tendens richting de corrupte idealen van 1789 (onder andere rationalisme en liberalisme) en doelen voor Bentham** zijn concept van geluk. Voorbeelden van jonge naties waren Bulgarije, Finland, Japan, Rusland en Duitsland (met name Pruisen, wiens waarden en stijl door Moeller geprezen werden). Belangrijke voorbeelden van oude naties waren Frankrijk, Italië en Engeland.    


Moeller geloofde dat het lot van de naties bepaald werd door "de wet van vooruitgang en achteruitgang van de naties". Volgens deze wet zouden alle oude staten meedogenloos naar beneden zakken van hun hegemoniale posities. Echter zoals de Eerste Wereldoorlog al had laten zien, kon een jonge natie zoals Duitsland nog altijd verslagen worden als gevolg van haar onervarenheid, onstuimigheid, of omdat het door een coalitie van oude naties aangevallen werd (Engeland, Frankrijk, enz.).  Een nederlaag in oorlog zou echter de jonge natie niet doen breken als het Vredesverdrag onverlet verhinderde dat de natie kon bestaan, groeien en vrij zijn. Deze ideeën van Moeller werden vooral ontwikkeld in 'Die Zeitgenossen', en later concreet gemaakt in 'Das Recht der Jungen Volker' en 'Das Dritte Reich'.  



Het idee van Ras


Moeller sprak zich uit tegen de antropologisch theorieën die Duitsers en andere Europese volkeren categoriseerde in talloze subrassen en mixen. Hij stond voor de “rassen van de geest" die alle Europeanen deed verenigen. Met deze positie stelde hij dat alle Duitsers van een raciaal type waren, die nergens door verdeeld konden worden op het vlak van ras, fysiek of spiritualiteit. Hoewel hij geloofde dat biologisch ras echt was, argumenteerde hij dat het niet zo krachtig was als dat de wetenschappers het afschilderden; het was meer een vormend element voor de natie, dat werd gebruikt als een idee om het nationale bewustzijn te doen ontwaken. Het "ras van geest" concept van Moeller had dan ook meer gemeen met het concept van de Volksgeest, dan met het concept van ras zelf.



Kritiek op Spengler


Moeller schreef dat Spengler zijn theorie van culturele cycli inaccuraat was en niet in overeenstemming was met het echte leven van naties en culturen. Evolutie was constant en een onvoorspelbare ontwikkeling, die niet in het "Morfologische"*** proces van Spengler paste. Verder stelde hij dat mensen "meer dan enkel natuur" waren en dus dat Spengler zijn pogingen om de geschiedenis en cultuur te verklaren via natuurwetenschap incorrect was. Spengler gebruikte dan wel metafysische taal en irrationele concepten, maar in essentie zag hij mensen slechts als biologische entiteiten onderworpen aan natuurlijke ritmes. Voor Moeller echter, hadden mensen een veel hogere spirituele kant, dat betekende dat hun neigingen en bewegingen niet geheel door de natuur geleid werden.  


Moeller geloofde ook niet dat culturen bestonden en verdeeld waren op de manier dat Spengler dat geloofde. De Greco-Romeinen waren op veel manieren een veel jongere versie van wat men kent als het Westen. Ook was Duitsland voor Moeller niet Westers, noch Oosters, het was een energierijke "jonge" natie, in tegenstelling tot Westerse naties zoals Engeland en Frankrijk. Hij verwierp ook het fatalisme van Spengler, hij beargumenteerde dat de geschiedenis niet circulair was, maar meer als een spiraal. Een natie kan haar energie verliezen en oud worden ("beschaafd" in Spengler zijn termen), maar het kan en doet dit proces omkeren, door te regenereren en herboren te worden binnen een jongere generatie. Duitsland was de belichaming van zo'n jonge en vitale natie, in tegenstelling tot Frankrijk, die als oud en levenloos werd gezien.  




Noten:


Parvenu: Iemand met veel geld die zich beweegt in kringen waar hij door zijn komaf niet thuis hoort.

** Jeremy Bentham (Londen 1748 -1832) was een Engelse jurist, filosoof en sociaal hervormer. Hij was een vooraanstaande rechtsfilosoof en een vroege pleitbezorger van het utilitarisme. Het utilitarisme is een ethische stroming die de morele waarde van een handeling afmeet aan de bijdrage die deze handeling levert aan het algemeen nut, waarbij onder algemeen nut het welzijn en geluk van alle mensen wordt verstaan. Vermijden van pijn en verwerven van plezier zijn volgens deze theorie de motieven voor het menselijke handelen.

*** Morfologisch = Vormkunde/Cultuurvorming



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen