zondag 24 januari 2016

Over de 'restauratie van het kapitalisme' in de Sowjet Unie

Een bijdrage tot het onderzoeken van de oorzaken

In onderstaand discussieartikel wordt nader ingegaan op de meningsverschillen en conflicten tussen de diverse fracties binnen de leiding van de CPSU m.b.t. de verdere economische ontwikkeling in de USSR na de dood van Stalin. De conclusies die aan het eind worden getrokken, kunnen slechts als voorlopig worden beschouwd en zijn zeer zeker nog niet het absolute eindresultaat. 

Als marxist-leninisten beoordelen wij een maatschappelijke formatie aan de hand van een analyse van de aan deze ten grondslag liggende productieverhoudingen (d.w.z. bezitsverhoudingen), van de klassenstructuur en van de klassenstrijd.




Joseph Stalin



Volgens Stalin ,,levert de stand van de productieverhoudingen het antwoord op de vraag: in wiens bezit de productiemiddelen (de grond, de bossen, de wateren, bodemschatten, de grondstoffen, de productiewerktuigen, de productiegebouwen, de verkeers- en verbindingsmiddelen enz.) zich bevinden, tot wiens beschikking de productiemiddelen staan, tot beschikking van de gehele maatschappij of tot beschikking van afzonderlijke personen, groepen, klassen, die ze gebruiken om andere personen, groepen, klassen uit te buiten”. (Over dialektisch en historisch materialisme, p. 33).

Met andere woorden: Dankzij de monopolisering van de productiemiddelen op economisch gebied zijn de maatschappelijk heersende personen, groepen, klassen ook op geestelijk, ideologisch gebied toonaangevend. Die personen, groepen, klassen, die in de sfeer van de materiële productie heersen, beschikken dientengevolge ook over het monopolie op de middelen van de geestelijke productie (academiën, instituten, drukkerijen, media, scholen etc.). Tot wiens beschikking bevonden zich nu de voornaamste productiemiddelen ten tijde van Stalin? Of anders geformuleerd: Hoe was het gesteld met de eigendoms- en bezitsverhoudingen in het tijdperk van Stalin? En wie was in staat om beslissingen te nemen aangaande economische en politieke vraagstukken?

Enkel en alleen uit het juiste antwoord op deze vraag laat zich namelijk de daaropvolgende revisionistische politiek van het Chroesjtsjow-tijdperk en de daarmee samenhangende neergang van de socialistische Sowjet-Unie verklaren. De transformatie van een maatschappelijke formatie in zijn totaliteit (bestaand uit basis-onderbouw- en bovenbouw) veronderstelt immers, zoals bekend, kwalitatief gewijzigde bezits- en machtsverhoudingen.


Nikita Chroesjtsjow

Ten tijde van Stalin was er sprake van ,,twee basisvormen van de socialistische productie: de staats, volkseigen, en de collectief-economische*, die men niet als volkseigen kan betitelen. In de staatsbedrijven zijn de productiemiddelen en de fabricaten van de productie algeheel eigendom van het volk. In de collectief-economische bedrijven daarentegen zijn, hoewel de productiemiddelen (grond, machines) ook hier toebehoren aan de staat, de fabricaten van de productie echter eigendom van de afzonderlijke economische collectieven (coöperaties), aangezien het in de coöperaties zowel eigen arbeid als ook eigen zaaigoed betreft, terwijl de coöperaties over de grond (die hen is gegeven voor onbeperkt gebruik) feitelijk beschikken als ware het hun eigendom, hoewel zij deze noch mogen kopen, noch verkopen, noch verpachten, noch uitlenen”. (Stalin – Economische vraagstukken van het socialisme in de USSR, p. 17).

Hieruit blijkt dus duidelijk dat de voornaamste productiemiddelen van industrie en landbouw zich in handen van de proletarische staat (dictatuur van het proletariaat) bevonden. Het economische en maatschappelijke leven werd dienovereenkomstig gedirigeerd door een centrale planning. Uit welk leidinggevend personeel bestond echter de proletarische staat? Voor elk economisch-politiek ressort bestond er een verantwoordelijk kader (d.w.z. een groep) van kameraden. Zo fungeerde er een leidinggevend kader (of groep) voor wat de ressorts van de zware en bewapeningsindustrie, de lichte industrie (consumptiegoederenproductie) en de landbouw betreft. 


In de hand van dit kader, dat door de Partij werd gevormd, lag de controle over de voornaamste productiemiddelen. Zij besliste dientengevolge zowel over de productie, de distributie, de ruil en de consumptie van materiële goederen als ook over de politiek (d.w.z. over het karakter van de staat).

Direct na de dood van Stalin werd een zogeheten ,,leiderscollectief” (bestaand uit de representanten van het diverse kader) gevormd, dat uit volwaardige leden van het presidium van het Centraal Comité bestond. Rekening houdend met de steeds wisselende machtsconstellaties vielen er binnen het ,,leiderscollectief” drie niveaus uit te maken.

1e - Het opperste niveau werd in eerste instantie gevormd door Malenkow, die slechts gedurende korte tijd de functies van zowel partij- als regeringsleider in één persoon verenigde, en Berija als de hoogste in rang eerste plaatsvervangend minister-president zijnde. Na het splitsen van de beide hoogste functies volgden de tweemanschappen Malenkow/Chroesjtsjow en Boelganin/Chroesjtsjow. Na het overnemen van de functie van minister-president van de USSR door Chroesjtsjow in april 1958, waarbij Boelganin van zijn post werd ontheven, werd het opperste niveau nog enkel en alleen door Chroesjtsjow gerepresenteerd.

2e - Het middelste niveau bestond uit een ,,interne kring”, waarvan aanvankelijk alle eerste plaatsvervangend minister-presidenten, die tevens ook lid waren van het presidium van het CC, plus Chroesjtsjow deel uitmaakten. Na de verwijdering van de zogeheten ,,anti-Partijgroep” bleven in eerste instantie Chroesjtsjow, Kiritsjenko, Soeslow, Mikojan en Koslow over. Nadat Kiritsjenko van zijn functie was ontheven en er in mei 1960 enige verschuivingen op het gebied van het leidinggevend personeel hadden plaatsgevonden, bestond de ,,interne kring” voortaan uit de volgende personen: Chroesjtsjow, Koslow, Soeslow, Mikojan en Kossygin. De plaats van Koslow werd na diens ziekte ten slotte ingenomen door Bresjnew.

3e - Het laagste niveau werd gevormd door de leden van het presidium van het CC in hun totaliteit, die in formele zin allen gelijkberechtigde leden van het ,,leiderscollectief” waren.

De ‘herziene’ economische politiek in de eerste jaren na de dood van Stalin wordt gebruikelijk als de ,,Nieuwe Koers” betiteld. Deze vormde het equivalent op het gebied van de economische politiek van de zogeheten ,,dooi” op het gebied van het geestelijke leven. De zogeheten ,,Nieuwe Koers” duurde ongeveer vanaf de zomer van 1953 tot begin 1955. In de late zomer van 1953 kondigde de toenmalige minister-president Malenkow voor de Sowjet-Unie een ‘herziene’ economische politiek aan, waarbij sterker rekening gehouden zou worden met de behoeften van de bevolking. Teneinde de productie en levering van consumptiegoederen snel en duurzaam te ,,verbeteren” dienden de ontwikkeling van de lichte en levensmiddelenindustrie alsmede de uitbreiding van de landbouw en van het handelsapparaat wezenlijk sterker als tot dan toe doelstellingen te worden van de centrale planning. Naar buiten toe diende via de sterker op consumptie georiënteerde economische politiek in de staten van het westerse imperialisme de gepropageerde politiek van vreedzame co-existentie te worden bevorderd.

Voorts diende door middel van de ,,hervorming” van de agrarische belasting, het verhogen van de prijzen voor agrarische producten alsmede het vaststellen van nieuwe, lagere leveringsnormen het materiële belang van de boeren in de kolchozen[1] te worden geprikkeld.

Op 24 januari 1955 verscheen  ten slotte in de Prawda een langer theoretisch artikel van de hand van Sjepilow (lid van het CC van de CPSU) met als titel ,,De algemene lijn van de Partij en de vulgaire marxisten”, waarin werd vastgehouden aan het principe van de onvoorwaardelijke voorrang van de zware industrie (,,de enig juiste marxistisch-leninistische economische politiek”) en een gelijkmatige ontwikkeling van de productieafdelingen A en B werd afgewezen. Dit artikel luidde het begin van het liquideren van de ,,Nieuwe Koers” in, waarvan het einde met het aftreden van Malenkow als minister-president (februari 1955) duidelijk werd.

De kwestie van de voornaamste stootrichting van de economische politiek speelde dus bij het wisselen van de leiding in het begin van 1955 een allesbeheersende rol.

Malenkow trad op voor een voortzetting van de ,,Nieuwe Koers” en daarmee voor een sterkere benadrukking van de consumptiegoederenindustrie ten koste van de zware en wapenindustrie. Chroesjtsjow koos de kant van de voorstanders van het primaat van de zware industrie, die hij later zelf op verachtelijke manier als de ,,ijzervreters” placht te karakteriseren. Op de plenaire zitting van het CC in januari 1955 verwierp hij resoluut elke verlangzaming van het tempo van de ontwikkeling van de zware industrie als ,,zelfmoord” en als een ,,ontoelaatbare rechtse afwijking”. De zege van Chroesjtsjow over Malenkow op het januariplenum betekende het einde van de ‘Nieuwe Koers’. Hij bemoeilijkte daarmee ook zijn eigen streven om sterker rekening te houden met de behoefte van de landbouw. (Chroesjtsjow vertegenwoordigde namelijk de groep van de agrarische goederenproductie, de zogeheten ‘agrarische fractie’).

Anderzijds legde hij zodoende de basis voor een beslissende uitvalspositie in zijn strijd om de macht. Toen Chroesjtsjow na het 22e Partijcongres een poging ondernam om de ‘Nieuwe koers’-politiek van Malenkow nieuw leven in te blazen in het teken van het door hem nagestreefde ,,welvaartscommunisme” (‘goelasjcommunisme’), beschikte hij ondanks zijn dominerende positie niet over voldoende steun om dit te realiseren. Een dergelijke politiek was evenals in het tijdvak 1953-54 slechts mogelijk ten koste van de zware industrie. Derhalve moest deze politiek logischerwijze op het verzet stuiten van dezelfde krachten, die destijds als bondgenoten van Chroesjtsjow Malenkow ten val hadden gebracht. Thans waren het Koslow en Soeslow, die als de voornaamste exponenten van deze krachten naar voren traden. Chroesjtsjow zag zich dan ook gedwongen om aan het einde van de plenaire zitting van het CC in maart 1962 een verklaring af te leggen, waarin het primaat van de zware industrie nogmaals werd benadrukt en stelling werd genomen tegen pogingen om ,,financiële middelen naar de landbouw ten koste van de ontwikkeling van de industrie en de versterking van de landsverdediging” om te leiden.

Een hernieuwde poging van Chroesjtsjow om na het ziek worden van Koslow het primaat van de zware industrie ter discussie te stellen en daarmee aan de verhoging van het levenspeil de voorgang te geven boven de ontwikkeling van de zware industrie werd hem, evenals voorheen Malenkow, noodlottig. Het streven van Malenkow en later eveneens van Chroesjtsjow naar een economische politiek, die zich baseerde op het verlenen van prioriteit aan de productie van consumptiegoederen alsmede aan de landbouw, werd het scherpst bestreden door de representanten van de belangen van het ,,militair-industriële complex” (zijnde de sterkste groep binnen het ,,leidinggevend collectief”). Deze groep, die de controle uitoefende over de zware industrie, verlangde telkens opnieuw nieuwe financiële middelen voor bewapeningsdoeleinden. Dat was ook de reden waarom men zich tegen de ‘Nieuwe Koers’ had verzet.

Terug naar de machtsstrijd tussen de groep-Chroesjtsjow en de groep-Malenkow: In het conflict tussen Chroesjtsjow ener- en de zogenaamde ‘Anti-Partijgroep’ anderzijds speelde niet zo zeer de algehele economische politiek als veeleer de agrarische politiek een wezenlijke rol. Met steun van Zjoekow (een representant van de zware en bewapeningsindustrie) gelukte het Chroesjtsjow om zijn eerste grote administratieve hervorming van mei 1957 te realiseren. (Deze hervorming behelsde een decentralisering van het administratieve beheer over de industrie en de bouw op de grondslag van te vormen regionale economische raden). Een en ander stuitte echter op heftig verzet in het Presidium van het CC.

De poging van de meerderheid van het Presidium, waartoe naast Malenkow en Molotow ook Boelganin behoorde, om Chroesjtsjow van zijn functie als eerste secretaris te ontheffen, mislukte (juni 1957). Sedertdien wordt deze presidiumsmeerderheid als de zogeheten ‘anti-Partijgroep’ betiteld. Van de ‘Anti-Partijgroep’ maakten naast Malenkow en Molotow de volgende leden van het Presidium van het CC deel uit: Boelganin, Worosjilow, Kaganowitsj, Perwoechin, Saboerow en Sjepilow.

In februari 1958 werd Chroesjtsjow voorzitter van de Ministerraad van de USSR (ter vervanging van Boelganin). Hiermee verenigde hij (met steun van de zware industrie) de functies van partij- en regeringsleider in één persoon. Deze machtsconcentratie stelde hem in staat om een reeks van ,,hervormingen” uit te voeren, waaronder de ,,hervorming” van het agrarisch-economische systeem, welke gepaard ging met de afschaffing van de Machine-Tractor-Stations (MTS)[2] in maart 1958 en een reorganisatie van het agrarische areaal in juni 1958.

Degenen die deel uitmaakten van de ‘Anti-Partijgroep’, in het bijzonder Malenkow en Molotow, werden ervan beschuldigd, dat ze zich – afgezien van de MTS-hervorming – gekeerd zouden hebben tegen de onderstaande maatregelen van Chroesjtsjow op het gebied van de landbouwpolitiek:

1e – Hervorming van het systeem van de agrarische planning, waarbij sterker rekening werd gehouden met het principe van de materiële prikkel.
2e – Afschaffing van de verplichte levering van de opbrengst van de verbouw van gewassen op privéland van de kolchosboer.
3e – Het plan om de USA op het gebied van de productie van melk-, boter- en vleeswaren rond 1960/61 in te halen en voorbij te streven.
4e – De ontsluiting van nieuwe landbouwarealen in Sowjet-Azië.

Uit de motivering van de punten van beschuldiging door de partijgangers van Chroesjtsjow wordt duidelijk dat de leden van de ‘Anti-Partijgroep’ ijverden voor een intensiever gebruik van de reeds bestaande landbouwgebieden. Het utopische plan van Chroesjtsjow (vooral voor wat punt 3 betrof) werd door hen als een ‘rechtsopportunistische afwijking’ gezien. Aangezien de economische politiek van de Sowjet-Unie berustte op het primaat van de zware industrie, dienden de kapitalistische landen eerst en vooral op het gebied van de staal- en andere productietakken van de zware industrie te worden ingehaald en pas daarna op het gebied van de agrarische productie.

Zonder toestemming van de meerderheid van het Presidium ontvouwde Chroestsjow vervolgens op een mammoetconferentie van het topkader eind september 1964 zijn concept van een vijftien jaren-perspectiefplan betreffende de periode 1966-1980. Als ‘voornaamste taak’ van dit perspectiefplan betitelde hij de versnelde ontwikkeling van de consumptiegoederenindustrie naast de landbouw en een snelle verhoging van het levenspeil. Zijn streven om dit perspectiefplan, dat kennelijk niet alleen bij de ,,ijzervreters” op verzet stuitte, op de plenaire zitting van november te laten goedkeuren, werd doorkruist toen hij in oktober 1964 van al zijn functies werd ontheven. Dit gebeurde op instigatie van de groep die de zware en bewapeningsindustrie representeerde.

In laatste instantie weken beide groepen af van het pad van de door Stalin uitgestippelde economische politiek: Zowel de groep-Malenkow (en later ook Chroestsjow) met haar prioriteit voor de consumptiegoederenindustrie en de landbouw als ook de groep-Koslow/Soeslow (en aanvankelijk eveneens Chroesjtsjow) met haar prioriteit voor de zware en wapenindustrie. Nadat de groep der zware industrie het pleit had gewonnen, begon Chroesjtsjow stap voor stap op systematische wijze met het afbreken van het socialistische economische systeem.

Met de uitschakeling van de Partij en van de dictatuur van het proletariaat begon Chroesjtsjow aan een reeks van ingrepen in de productieverhoudingen. Hij wijzigde vooral de omverdelingsmechanismen: Het geaccumuleerde nationale inkomen (= kapitaal) werd niet meer – zoals nog ten tijde van Stalin – ten bate van de werkende bevolking aangewend. Onder Chroesjtsjow kreeg het geaccumuleerde kapitaal daarentegen meer het karakter van ,,privé-eigendom” (‘privé-eigendom’ in de betekenis van duurzame consumptiegoederen). Hierbij ging het in hoofdzaak om kleding, meubels, elektrische huishoudelijke apparaten alsmede – voor de in socio-economisch opzicht bijzonder goed gesitueerde elite (het leidinggevend kader) – ook om woonhuizen in privébezit.

Het basisbeginsel in de periode-Chroesjtsjow was dus vooral de accumulatie voor de consumptie[3]. Daarom leidde de goederenproductie ook niet tot een verdere ontplooiing van de productiekrachten. De arbeidersklasse zelf reageerde hierop met passief verzet, d.w.z. ze toonde géén interesse meer aan een verdere ontwikkeling van de productiekrachten. Als gevolg hiervan begon de economie te stagneren.

Concluderend kan men stellen dat de productie verhoudingen in conflict kwamen met de productie krachten, hetgeen uiteindelijk leidde tot de neergang van het socialisme. O.i. is het derhalve onjuist om te stellen dat onder Chroesjtsjow het kapitalisme weer zou zijn hersteld. Géén van de wezenlijke kenmerken van het kapitalisme, zoals door Stalin opgesomd (in zijn <<Economische vraagstukken van het socialisme in de USSR>>), is op het economische systeem van de periode-Chroesjtsjow van toepassing. In zoverre is het evenzeer onjuist om in dit verband te spreken van een kapitalisme in klassieke zin dan wel van een staatskapitalisme of een ‘kapitalisme van het nieuwe type’.





____________
* Hier verwijst Stalin naar het systeem van de kolchozen in de Sowjet-landbouw (zie onder) -

[1] Kolchozen (collectieve boerderijen) - Hierin zijn de bewoners van één dorp of van een aantal aan elkaar grenzende dorpen verenigd. In 1969 waren er in de gehele USSR ca. 36.000 kolchozen met een gemiddelde grootte van 6.000 ha. Gemiddeld wonen op een kolchoz zo’n 500 boeren met hun gezinnen die naast hun particulier veebezit (40% van al het vee in de USSR was particulier eigendom) collectief nog het bezit hebben over 1.100 runderen, 700 varkens en 1.6000 geiten. De boeren wijzen uit hun midden een bestuur aan, waarvan ze ook de voorzitter kiezen. (Meestal iemand die het vertrouwen geniet van de Partij.) De voorzitter regelt alle werkzaamheden en daartoe deelt hij alle volwassen mannen en vrouwen in brigades in. Elke brigade heeft zijn eigen specifieke taken.

De staat bepaalt wat er op de kolchoz wordt geproduceerd. Van staatswege wordt er een productieplan voorgeschreven, waarin exact staat hoeveel tarwe, suikerbieten, melk, varkensvlees etc. er elk jaar geproduceerd dient te worden. Een vastgesteld deel van deze productie gaat als verplichte levering naar de staat tegen van te voren vastgestelde (erg lage) prijzen. Een eventueel overschot koopt de staat ook, maar daarvoor gelden hogere prijzen. Daarnaast is er ook de mogelijkheid om overschotten te verkopen op de vrije markt.

In alle steden is er een dergelijke vrije markt. Deze is grotendeels het domein van de boeren die er levensmiddelen verhandelen. Hier worden niet alleen overschotten verkocht die collectief zijn geproduceerd, maar ook de producten van de eigen privégrond en van het eigen vee. Elke kolchos uit de omgeving heeft zijn eigen kraam op de markt. De kolchosboeren besteden te veel tijd aan hun eigen moestuintjes en hun eigen koeien en kippen. Het werk op de collectieve akkers wordt daardoor verwaarloosd en de productie is daar dan ook laag. In privébezit bevinden zich het boerenhuis, een stukje grond ter grootte van ½ ha en wat vee (één koe, een paar geiten, schapen, varkens, wat pluimvee).

Sowchozen (staatsbedrijven) - Deze zijn zeer veel groter dan de kolchozen; gemiddeld hebben ze een oppervlakte van 30.000 ha. I.t.t. de kolchozen zijn ze niet gevormd door samenvoeging van bestaande bedrijven: De staat heeft ze gesticht in gebieden waar nog géén landbouw werd bedreven (-> Siberië, Sowjet-Centraal-Azië). Een sowchoz lijkt nog het meest op een fabriek. De leiding v.h. bedrijf berust bij een directeur. Hij benoemt arbeiders die hun werkzaamheden verrichten tegen een vast loon. Weliswaar hebben deze arbeiders-in-loondienst evenals de kolchosboeren de beschikking over een stukje privé-grond voor eigen gebruik, maar daar mogen ze alleen maar tijd aan besteden buiten werktijd (-> anders dan in de kolchos). De sowchos is bedoeld als modelboerderij voor de kolchos, zodat de kolchosboer kan leren hoe hij een grootbedrijf dient te beheren. Sommige sowchozen hebben als speciale taak om de kolchozen te voorzien van fokvee, pootaardappelen of zaaigoed. Dikwijls zijn sowchozen gespecialiseerd in één enkel product, bijv. katoen, suikerbieten, melk of varkensvlees.

Terwijl het aantal kolchozen geleidelijk aan steeds meer afneemt (de staat wil er eigenlijk zoveel mogelijk van af), wordt het aantal sowchozen alleen maar groter. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat de landbouw steeds verder doordringt naar de nog onontgonnen gebieden in Oost-Siberië en Centraal-Azië. Ook is er een beleid van staatswege om de bestaande kolchozen zoveel mogelijk om te zetten in staatsbedrijven.

[2] Machine- en Tractorenstations (MTS) - Agrarische staatsbedrijven, die de zware landbouwmachines op de kolchozen in beheer hebben. Zoals gezegd zijn de MTS in handen van de staat. De MTS-arbeiders zijn dus in loondienst en worden uitgeleend aan de kolchozen tegen betaling in geld of natura. De MTS vormden de basis voor de opbouw v.h. socialisme in de landbouw (zie ‘Lehrbuch der Politischen Ökonomie’, Moskou  1954).

[3] De goederenproductie in de Chroesjtsjow-periode was géén productie  omwille van de winst, maar veeleer voor het parasitair eigen gebruik.

maandag 14 december 2015

ACN/AKN: Solidariteit met de gearresteerde Air France Stakers – Géén vervolgingen!


Op 5 okt. jl. vond er bij de luchthaven Charles de Gaulle in Parijs een betoging van het strijdbare vakverbond CGT plaats tegen de plannen van het Air France-management om plm. 3.000 arbeiders te ontslaan; dit bovenop de eerdere 9.000 ontslagen sinds 2012. Duizenden betogers namen deel aan dit beladen protest, dat al snel zou uitlopen op het “belagen” van twee hooggeplaatste kapitalisten en arrestaties van arbeiders een week later*.

De beelden van de half ontblote kapitalisten gingen in veelvoud over de wereld. ,,Criminelen”, zo betitelde premier Valls (PS) de arbeiders. ,,Dom”, trapte de Minister van Economie, Macron (degene die de sociale verworvenheden afbreekt) , hen na. Echter, zelfs de bourgeois-krant Le Monde haalde de betogers niet zo erg door het slijk. De gescheurde kleding kon ook het gevolg zijn van het feit dat de kapitalisten over een terreinhek moesten klimmen met behulp van de beveiliging in een poging om zo aan de woedende massa te ontkomen.

Deze kapitalisten waren van deze betoging nog degenen die het minst gewond waren. Op deze dag werden tevens een piloot en een steward zwaar mishandeld door de smeris op de luchthaventerminal. Balans: Zeker zestien arrestaties. De zwaarste straffen zullen gaan vallen voor de ‘Vijf’, vijf arbeiders die tot de industriële tak van Air France behoren en mogelijk drie jaar tegen zich horen eisen voor ‘groepsaanvallen’ en schadevergoedingen tot €45.000. Elf anderen moeten terecht staan voor ,,vernieling van eigendom” en voor zeventien arbeiders dreigt ontslag.

Het ACN spreekt hierbij dan ook haar onvoorwaardelijke solidariteit uit met de gearresteerde arbeiders tijdens dit gezamenlijk optreden van grond- en cabinepersoneel (wat al uitzonderlijk is) tegen hun kapitalisten. Het ACN ondersteunt dan ook volledig de eisen van de twaalf vakbonden van Air France-personeel betreffende de gearresteerde collega’s en hun strijd tegen deze vorm van bourgeois-klassenjustitie!

= ONVOORWAARDELIJKE INTREKKING VAN ALLE AANKLACHTEN TEGEN DE ‘VIJF’!

= STOP DE SYSTEMATISCHE JUSTITIËLE REPRESSIE TEGEN DE ‘VIJF’ EN HUN COLLEGA’S!

Anticapitalist Network/Antikapitalistisch Netwerk





Het (letterlijk) uitkleden van de kapitalisten, zoals zei met het proletariaat doen: een voorbeeldige acties die veel navolg verdient! More, more, more!



___________ * Dat “linkse” Franse politici en de arbeiders van Air France al jaren niet op goede voet staan is mede te danken aan de voormalige Minister van Transport, Gayssot (PCF[!]), die het bedrijf eind jaren ’90 privatiseerde en welk hedendaags zeer gemilitariseerd is.

donderdag 19 november 2015

Communique mbt de aanslagen in Parijs


Afgelopen vrijdag 13 november werd Parijs opgeschrikt door een aanval. Op zes plekken in de Franse hoofdstad werden aanslagen gepleegd door militanten van de Islamitische Staat (IS). Dit resulteerde in 129 doden en 352 gewonden. Wij veroordelen de willekeur van deze wrede actie. Ons medeleven gaat dan ook uit naar de onschuldige slachtoffers en hun nabestaanden.


Parijs in de greep van aanslagen door IS militanten

President Hollande veroordeelde de aanslag en bestempelde deze als "een oorlogsdaad".

Was het echter niet de imbeciel Hollande die deze oorlog begon van het Midden-Oosten tot Afrika? Het Franse volk bleef stil en keek apathisch toe hoe uit hun naam kruistochten werden gevoerd in Mali, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Irak en Syrië met onnoemelijk veel leed en onschuldige slachtoffers tot gevolg!


Ravage na luchtaanvallen van de anti-IS coalitie in Syrië en Irak, die vele honderden onschuldige burgers het leven gekost hebben

Dat weerhoudt President Hollande er echter niet van om de brute dood van zijn eigen volksgenoten te misbruiken in een cynische campagne om zijn repressieve apparaat te versterken en zijn imperialistische ondernemingen in het buitenland uit te breiden. Wie de zogenaamde "Republikeinse waarden" niet deelt kan keiharde repressie tegemoet zien.

Het angstklimaat wordt misbruikt om de bevoegdheden van politie en inlichtingendiensten steeds verder uit te breiden, zodat zij hun rol als waakhonden van de kapitalistische orde beter kunnen vervullen. Achter het veiligheidsbeleid van de staat zien we een steeds grotere vervaging van de grenzen tussen politiek, justitie, politie, leger, civiele beveiliging en de veiligheidsindustrie; het oogmerk van het nieuwe fascisme. 

 

Franse vreemdelingenlegioen in strijd met de Toeareg, een nomadisch volk in Mali 

In tegenstelling tot wat de imperialisten ons willen doen geloven, hebben de Islamisten geen monopolie op terreur.  Het zijn de imperialisten die deze oorlog en het bloedvergieten begonnen zijn! Onze solidariteit gaat daarom ook uit naar de slachtoffers van deze imperialistische agressie, zowel hier als in het verre buitenland!

 









donderdag 29 oktober 2015

Verslag Syndicale betoging Brussel (BE)

Het overtrof de stoutste dromen van de ABVV- en ACV-syndicaatsbureaucratie: Op woensdag 7 oktober jl. namen circa. 100.000 vakbondsmilitanten deel aan de lang voorbereide nationale betoging in Brussel tegen de arbeidersvijandige bezuinigingspolitiek van de reactionaire regering-Michel.

Verwacht waren er in eerste instantie rond de 70.000 man. De vakbondsbureaucratie ging er klaarblijkelijk vanuit dat het enthousiasme van november vorig jaar waarschijnlijk niet te evenaren zou zijn (ook vanwege de lakse mobilisatie van de kant van de syndicaten, m.n. in de bedrijven). Betoogd werd o.a. tegen de btw-verhoging (van 6 naar 21%!), tegen de bevriezing van de inflatiecorrectie voor de lonen, tegen de verhoging van de pensioensleeftijd, tegen de afbraak van het sociale zorgstelsel, tegen energie zonder indexering en, het meest belangrijke thema, tegen het uitblijven van een tax shift – het hoger belasten van de rijken. Noemenswaardig: Middels apart opgestelde pamfletten werden in de havens de dockers door de syndicaten er speciaal opgewezen dat deze betoging specifiek tegen de bezuinigingspolitiek van de regering zou zijn en niét tegen de dreigende afschaffing van de wet-Major (welke regelt dat havenarbeid uitsluitend door erkende havenarbeiders mag worden uitgevoerd), het dockers-thema bij uitstek. Kortom: Géén rellen zoals vorig jaar. Hierover later meer.

Deze dag was tevens cruciaal voor de syndicaten. Om meer druk op de regering en het patronaat tijdens het sociaal overleg uit te kunnen oefenen, diende deze eerste grootschalige betoging na vorig jaar dan ook meteen een succesvolle te zijn. Immers, als deze betoging op een flop zou uitlopen, dan zouden regering en patroons hieruit concluderen dat de actiebereidheid onder de massa’s sterk zou hebben nagelaten en dus niet tot enigerlei concessies bereid zijn in het zogeheten ‘sociaal overleg’ met de syndicaatsleiders.

Tevens leek de opgelopen deuk in het gemeenschappelijk vakbondsfront tussen de bonzen van het christelijke ACV en het socialistische FGTB/ABVV, deels om persoonlijke vetes, enkele maanden voor de betoging weinig goeds te voospellen. Maar ondanks de aanwezige obstakels, zoals hierboven omschreven, bleek de onvrede onder grote delen van de arbeidersklasse in België m.b.t. de huidige reactionaire regeringspolitiek dusdanig te zijn dat al het andere even naar het tweede plan werd verwezen.

Teneinde een impressie van dit strijdbare massaprotest te verkrijgen volgt hieronder een verslag van de hand van enkele activisten van het ACN/AKN, die aan de betoging deelnamen om persoonlijk een indruk op te doen m.b.t. het onvredepotentieel alsmede de recente ontwikkelingen binnen de meest strijdbare sectoren van de arbeidersklasse.

Er zou dan wel weer de bekende sfeer impressie beschreven kunnen worden over vakbondsleden die stoom afblazend, drinkend en met pyrotechniek knallend door de straten lopen en vakbondsbonzen die quasi-strijdbare taal verkondigen met dito muziek, maar dit alles moge menig activist die bekend is met de syndicale folklore bij onze zuiderburen onderhand wel duidelijk zijn. Wij zullen dit gedeelte dan ook overslaan en meteen overspringen naar het eindpunt van de betoging aan de Zuidlaan. Het lijkt er op dat op dit punt, de Zuidlaan, het een goede traditie gaat worden dat een kleurrijke mix van ongeorganiseerde arbeiders, vakbondsmilitanten, anarchisten en de jeugd uit de voorsteden hier de confrontatie met de flikken opzoekt.



De jongeren uit de voorsteden gingen voorop in de linies om de flikken te confronteren.

Toen enkele jongeren geleidelijk aan de flikken begonnen uit te dagen en te belagen leidde dit tot het bijspringen door talrijke arbeiders. De situatie escaleerde daarop dan ook zeer snel. Zeker toen een groep anarchisten zich er kort daarna bij aansloot. Op het moment dat de situatie escaleerde, viel al meteen de bedachtzaamheid van de flikken in een dergelijke situatie op. Geleerd van vorig jaar met het idee dat het niet meer tot een zo grootse veldslag zou mogen uitlopen, had het Brusselse politiekorps (politiezone Elsène-Centrum, ± 700 man) dan ook steun gekregen van de ‘federalen’ (vijftien pelotons) evenals extra zwaar materieel – naast de vijf waterkannonen die deze dag daadwerkelijk operationeel waren. 

Ook zette de syndicaatsbureaucratie dit keer - in nauwe samenwerking met en ter directe ondersteuning van de flikken – een eigen ordedienst in. Taak: Het onder controle houden van de tot militante actie al te bereide syndicale basis. Dockers die zich actief mengden in het militante straatprotest (en dat waren er desondanks ettelijke!) werden door de syndicale vertrouwensmannen tot de orde geroepen (ook fysiek) en er werd gepoogd om hen terug te sturen. zijn, ,,Samenwerking loont. De stewards hebben uitstekend werk geleverd. De heethoofden waren deze keer vooral de anarchisten” (De Morgen, 8 okt.).





Patrick Delrue die “zijn” dockers tot de orde riep. Verlinkte strijdbare collega’s bij de flikken. Delrue was toonaangevend in de weer als lid van de ordedienst van de syndicaten en zelfbenoemde ‘hulpsheriff.’



Dat laatste was niet geheel het geval. De voerhoede in het gevecht waren nog altijd proletariërs en de jongeren uit deze klasse, welke in de rug gesteund werden door o.a. deze anarchisten en de overige massa van de betoging die deze streetfighting men veiligheid en bescherming bood wanneer deze zich even terug moesten trekken na charges of kort weer op adem moesten komen na de talrijke traangasbeschietingen.

Maar na een straatgevecht van ongeveer anderhalf uur werd de boulevard schoon geveegd door de flikken (dit keer goed voorbereid). Balans op het eind van deze dag: 25 gerechtelijke aanhoudingen (+ 3 administratieve) en acht gewonden, waarvan vier flikken.



Plots opduikende stillen en filmende flikken! Een sfeertekening die deze dag goed weergaf.  

 
Het is dan ook belangrijk om te constateren dat de massa’s deze dag - een jaar sinds het aantreden van de regering-Michel - nog altijd strijdbaar zijn gebleven. Idem dito voor wat betreft degenen die het voortouw namen voor het militante optreden tegen de staat en zijn gewapende krachten.

Maar ondanks het imposante deelnemerstal waren de bourgeoisie en haar zaakwaarnemers (de regering-Michel) uiteraard totaal niet onder de indruk. Vakbondsbasher Egbert Lachaert (VLD-kamerlid): ,,Uiteraard is dit een signaal, maar we gaan ons beleid toch niet afstemmen op minder dan 1 procent van de werkende bevolking?”. Ook een andere beruchte vakbondsbasher, het N-VA-kamerlid Zuhal Demir meende, ook afgaand op de volgens haar “lage” opkomst van de betoging, dat ,,mensen inzien dat ons beleid wel rechtvaardig is”(!!) Commentaar verder overbodig.

Proletarische revolutionairen moeten een andere conclusie uit deze dag trekken. Dat de opkomst, ondanks de matige mobilisatie van de bonden (met opzet?), groter bleek te zijn dan verwacht, betekent toch wel dat er sprake is van een groeiend politiek bewustzijn onder de massa’s en de arbeidersklasse.

Ook wat betreft het gevoelsmatige klassenbewustzijn en de imposante acties van het ‘Lumpenproletariat’ en de ‘casseurs’, ook deze kunnen als overwegend positief worden beoordeeld. Al deze elementen hebben in de toekomst dan ook een groot potentieel om te groeien mits deze worden ingekaderd in een consequente bestrijding van de reformistische vakbondsbureaucratie en haar ‘vakbondspolitie’ (= de ordedienst) in de bedrijven en op straat. De syndicaatsbureaucratie is een sta-in-de-weg van de zelfstandige beweging van de arbeidersklasse in de – uiteindelijk politieke- massastrijd; enkel georganiseerde oppositie tegen de vakbondsbonzen en zelfstandige agitatie in de bedrijven zonder en tegen de reformistische syndicaatsbureaucratie kunnen een betoging als deze transformeren van een uitlaatklep voor onvrede en woede onder de arbeiders en de syndicale actiebasis tot een werkelijk politieke massastrijd – tegen de regering en het patronaat. Hierin liggen dan ook de taken voor ons als revolutionairen!


LAAT DE REGERING-MICHEL NIET ZIJN TWEEDE JAAR HALEN!

VOOR DE EENHEID VAN DE ARBEIDERSKLASSE OP REVOLUTIONAIRE GRONDSLAG - KLASSE TEGEN KLASSE! 



 





zaterdag 10 oktober 2015

Het failliet van Links en de groei van het Front National

Onlangs vergeleek de Franse president Hollande (Parti Socialiste) het Front National (onder leiding van mevr. Le Pen) met de vroegere Communistische Partij Frankrijk* (PCF). Dit vooral om zijn concurrent op “links”, het Front du Gauche (coalitie/samenwerkingsverband van linkse partijen, waaronder de PCF), in verlegenheid te brengen. Deze probeert immers eveneens de echt linkse en oud-communistische kiezers voor zich te winnen en ze ervan te weerhouden om op de PS te stemmen.

Voor één keer sloeg Hollande de spijker op de kop! En hoe zeer heeft mevr. Le Pen deze vergelijking wel niet verwelkomd!



Ja, de nieuwe politieke koers van het FN is bijna een exacte kopie van die van de PCF uit de jaren ’70 en ‘80. Vandaar dat een groot deel van het electoraat in Noord-Frankrijk, de oud-communistische kiezers in de vervallen industriesteden - de grote verliezers van de globalisering - op het FN stemmen. Haar economische programma is er een van het economisch protectionisme**, iets wat de PCF toentertijd ook al nastreefde. (De oppositie tegen homoseksualiteit overigens ook, dat door de CPF destijds nog als een negatief aspect van het kapitalisme werd beschouwd).

Het FN en de PCF delen ook hun stellingname omtrent het immigratievraagstuk. De PCF moest in de jaren ’80 tot de conclusie komen dat de vele immigranten in Frankrijk geen plaats hadden, omdat het land zelf al met meer dan 2 miljoen inheemse werklozen kampte. Verder was het de PCF-burgemeester van het Parijse Vitry-sur-Seine, die persoonlijk achter het stuur van een bulldozer stapte, om een asielzoekerscentrum voor Malinezen te slopen. Onder leiding van de burgemeester in de “Rode Banlieues” demonstreerde het PCF voor het huis van een Marokkaans gezin dat in de drugswereld zat en eiste hun vertrek. Tevens stuurden zij een open brief naar de Grote Moskee in Parijs om hiermee de problemen van de multiculturele samenleving aan te duiden.

Ook zijn er parallellen met de nieuwe anti-globalistische en anti-Amerikaanse koers van het FN, tot grote ergernis van de oude Le Pen (op economisch gebied een groot voorstander van het liberalisme, dit in tegenstelling tot zijn dochter Marine, die een overtuigd tegenstandster van het neo-liberalisme en de reactionaire bezuinigingspolitiek is). Hij en zijn kleindochter (Marion, nichtje van mevr. Le Pen) heersen dan ook in het meer conservatieve Zuid-Frankrijk met een rechtse en economisch liberale politiek.

President Hollande vreest terecht dat het politieke "linkse" vacuüm dat hij in Frankrijk achtergelaten heeft, opgevuld wordt door een concurrent. Een concurrent die de linkse taal beter beheerst dan hij of wie dan ook. Echter deze concurrent komt niet van 'links', maar van 'rechts'.
 
Marine is dus niet alleen de dochter van Le Pen, maar evenzeer van Georges Marchais.



* De PCF heeft na 1982 gaandeweg de lijn-Marchais verlaten ten gunste van een samenwerkingsverbond met de PS en een deelname aan de regering-Mitterand (vier en later twee ministersposten). Na Mitterands reactionaire ommezwaai in 1983 (een draai van 180 graden ten opzichte van het oorspronkelijke gemeenschappelijke verkiezingsprogramma) bleven de communisten desalniettemin in de regering zitten en daarmee mede-verantwoordelijk voor de, voor de arbeiders, desastreuze kaalslagpolitiek van Mitterand. Vanaf dat moment liep de aanhang van de PCF gestaag terug en werd de partij door Mitterand buiten spel gezet. Voor de vele gedesillusioneerde PCF-stemmers van destijds voert de weg (vaak via de PS als tussenstation) uiteindelijk naar het FN van Marine le Pen.

** Protectionisme = een systeem waardoor de handel en de industrie van een bepaald land beschermd worden tegen concurrentie uit andere landen: Het verbod op invoer van bepaalde producten (de grenzen sluiten); beperkingen op de invoer door maximumhoeveelheden op te leggen of door vergunningen af te geven; de heffing van invoerrechten.