zaterdag 19 januari 2019

De Opstand van de Gilets Jaunes – De Balans Opgemaakt


Hoewel er nog steeds ieder weekend hevig gedemonstreerd en geblokkeerd wordt in Parijs en andere plaatsen in Frankrijk, lijkt de opstand van de ‘Gilets Jaunes’ (Gele Hesjes) op haar retour te zijn. De deelnemers aantallen bij de protesten lijken langzaam maar zeker af te nemen. In een eerder artikel hebben wij getracht de sociale en politieke oorsprong van deze spontane volksbeweging te analyseren; “Gele Revolutie of Beweging van de Kleinburgerij?”. We classificeerden deze daarbij als een militante maar kleinburgerlijke beweging. In dit stuk kijken we, om de balans op te maken, naar de verdere evolutie van dit fenomeen.



De Eiffeltoren in Parijs gehuld in rook tijdens protesten van de Gilets Jaunes



Gele Hesjes: Een brede volksbeweging


De Gele Hesjes-beweging kenmerkt zich door haar heterogene karakter. Er wordt een breed politiek eisenpakket nagestreefd, variërend van oproepen tot sociaal-economische hervormingen tot meer reactionaire eisen – in feite kan iedereen een ‘geel hesje’ zijn. De beweging functioneert zelfstandig,  los en onafhankelijk van de traditionele vakbonden en (arbeiders-)partijen. Wat er binnen deze beweging aan arbeiders deelneemt, komt veelal voort uit de kleinbedrijven (waarin geen vakbond actief is). Het andere overgrote deel is gepensioneerd of zelfstandigen (ZZP'ers, zelfstandige ondernemers etc.). Dit alles weerspiegelt het kleinburgerlijke karakter van de beweging, aangezien er geen onafhankelijke (proletarische) klassenpositie wordt ingenomen; er wordt immers niet gekozen tussen een houvast aan de oude kleinburgerlijke situatie en een verval in het proletariaat.


Opmerkelijk aan deze beweging is wel, dat de arbeidersklasse voor het eerst binnen militante anti-regeringsprotesten een gemarginaliseerde rol speelt. Dat is grotendeels te wijten aan de vakbondsbureaucratie, die aanvankelijk géén steun wilde geven aan de Gele Hesjes. Op 1 december vorig jaar hield de CGT een landelijke betoging tegen werkloosheid in Parijs, maar in plaats van de demoroute te laten eindigen cq. aan te laten sluiten bij die van de Gele Hesjes op dezelfde dag, om zo een brede solidariteitsdemo te smeden, liet de CGT-bureaucratie haar achterban de andere kant op lopen; van de Gele Hesjes vandaan dus! Deze onnavolgbare stellingname leidde tot grote onvrede bij de vakbondsbasis en uitte zich in zelfstandige deelnames aan de acties van de Gele Hesjes (1). Het brede heterogene karakter van de Gele Hesjes werd ook benadrukt door het feit dat ook studenten en middelbare scholieren zich in de anti-systeem eisen van de Hesjes konden vinden. Scholieren zagen hier een kans om eindelijk eens tegen de autoriteiten van de Franse schoolbanken te rebelleren (zeker bij de ghettokids uit de banlieues, die weinig op hebben met de racistische Franse staat). Dit leidde o.a. tot de heftige beelden van 153 gearresteerde jongeren in Mantes-la-Joli.



Schermafbeelding van een beruchte video, waarin de Franse flics rebellerende scholieren als zware misdadigers behandelt, en ze vernedert om een voorbeeld te stellen



Gezamenlijk tegen het systeem


Dat het Franse volk een militante protestcultuur met een flinke dosis argwaan jegens de autoriteiten kent, werd in de recente geschiedenis meermaals duidelijk: van Mei '68, de beweging tegen de pensioenhervormingen van 2010, de antibelasting-beweging van de Rode Mutsen(2) (2013) tot de hevige strijd tegen de arbeidshervormingen van de Loi Travail (2016). Uit deze lange traditie van militant verzet tegen het systeem komt nu weer de Gele Hesjes beweging voort. En wederom bleef dit niet zonder resultaat. De totale ‘economische schade’ van blokkades en demonstraties wordt nu al officieel geschat op 10 miljard euro.


De totale rekening kan echter nog flink oplopen. Eén van ’s lands grootste supermarktketens, Auchan, zegt tot nu toe 150 miljoen euro omzetverlies te hebben geleden. Winkeliers boekten gemiddeld ‘ongeveer 25 procent omzetverlies’, aldus staatssecretaris Agnès Pannier-Runacher van Economische Zaken. Winkelcentra hebben het over een totale verliespost van ‘ongeveer twee miljard euro’, aldus branchevereniging CNCC. Economische schade op kleinere schaal is er ook. De winkel van luxemerk Dior op de Champs-Elysées in Parijs werd tijdens een demonstratie geplunderd. Kosten: 1 miljoen euro. In Bordeaux, waar het enkele keren tot zware gevechten kwam tijdens demonstraties van gele hesjes, liepen de hotels leeg. Patrick Seguin van de lokale Kamer van Koophandel: ‘In tien dagen tijd is de helft van alle hotelreserveringen in de stad geannuleerd.’ De Franse Centrale Bank rekende uit dat de economische groei door al die gebeurtenissen in het vierde kwartaal 0,2 procent lager uitkomt dan verwacht. De economische impact van de Gele Hesjes beweging moet dus niet onderschat worden. Nu linkse en rechtse krachten zich verenigden tegen het systeem, stond de Franse samenleving op haar grondvesten te schudden.


Gele Hesjes beweging demonstreert op de Champs-Elysées


De Gele Beeldenstorm


De protesten van de Gele Hesjes staan ondertussen bekend om hun garantie tot geweldsuitbarstingen tegen de politie, resp. de Franse staat. “Het geweld van de straat", “Vernielers van de Republiek” (doelend op de “Beeldenstorm" van Marianne bij de Arc de Triomphe of hun plunderingen van luxe winkels?). Allemaal harde taal van de kant van de Franse staat ten opzichte van de Gele Hesjes. Nog harder waren haar daden: honderden gewonden, betogers in coma, deelnemers die ledematen verloren door toedoen van FLI-F4-granaten van de CSR(3), gefabriceerd ‘bewijsmateriaal’ tegen militanten en een hoogbejaarde vrouw die in Marseille stikte in haar woning (op 4 hoog!) toen er een traangasgranaat naar binnen vloog. Niet te vergeten, ook nog ongeveer 179 deelnemers die het ziekenhuis in gemept werden door oom agent.


Als er rechtse initiatieven bij de Gele Hesjes aanwezig waren, werden deze vaak op lokaal niveau bestuurd(4). Wanneer later massalere protesten in de grote steden plaats vonden, namen linkse elementen mee het initiatief over en dook er weer de nodige sociale agitprop op binnen de beweging; zoals eisen voor hoger minimumloon en voor het aftreden van Macron. De smeris was het gezamenlijke optreden van nationale en sociale revolutionairen duidelijk ook niet ontgaan. Bij de vele confrontaties met de smeris werden er regelmatig bekende militante activisten van beide (linkse en rechtse) fronten herkend, die nu voor de verandering eens samen optrokken tegen de Franse staat.



Stillen, perfect vermomt als casseurs (relschoppers), arresteren een Gele Hesje op een betoging in Parijs, 1 december 



De Franse staat reageerde met harde repressie. Zo werd op 8 december rond 11:00 één van de vermeende auteurs (het ‘Onzichtbare Comité) van het pamflet 'De Komende Opstand' uit 2007, Julien Coupat, gearresteerd nadat hij zijn woning verliet om naar de protesten van de Gele Hesjes te gaan. De binnenlandse veiligheidsdienst DGSI onderschepte hem daar, met het totaal absurde idee dat deze ene man een dergelijke beweging beïnvloed en gemanipuleerd had met zijn manifest. Toch is het idee dat er een link is tussen de Gele Hesjes en het befaamde pamflet ook weer niet zo ridicuul. Immers, het pamflet put veel inspiratie uit de stadsguerrilla (in het bijzonder de spontane rellen van de jongeren in de banlieues), pleit voor de vorming van lokale communes (basisdemocratie), pleit voor afkeer tegen elke bestaande organisatie en politieke milieu (advies: laat je er niet door opslokken) en pleit voor de sabotage en blokkade van de infrastructuur. Anarchisme pur sang. Tevens ook iets wat de Gele Hesjes instinctief al deden op de snelwegen en rotondes op lokaal niveau sinds haar opkomst. Gezien het wantrouwen van bestaande organisaties en politieke milieus en daarmee de vrees om door deze opgeslokt te worden, is deze angst van zowel het pamflet als van de Gele Hesjes niet meer dan terecht(5).



De bekende anarchist Julien Coupat wordt een paar straten van zijn huis gearresteerd door Franse Anti-Terrorisme Eenheden


Over het hoogtepunt heen


Hoewel rond 17 december de ontruimingen van de snelwegblokkades en de bezette tolhuisjes (die veelal vernield waren) begonnen en vanaf 24 december de meeste vrachtwagens voor het eerst sinds een maand weer vrij konden doorrijden, heeft de Gele Hesjes beweging met haar militante protesten zeker enkele sociale verworvenheden terug gewonnen, of op zijn minst enkele annuleringen van geplande hervormingen gerealiseerd. Vermakelijk is ook dat van de maatregelen die door de Gele Hesjes van Macron zijn afgedwongen, de kosten grotendeels bij de Europese Unie komen te liggen. Het Franse begrotingstekort in 2019 zou eigenlijk 2,8% moeten bedragen, maar zal nu door de toezeggingen aan de Gele Hesjes oplopen tot 3,8% (aldus de voorspelling halverwege december). Ter vergelijking: de populistische Italiaanse coalitie van de Vijf Sterren beweging en Lega lag toen al een half jaar in de clinch met Brussel over een oplopend begrotingstekort van 2,4%. De staatsschuld van Italië betreft dan weliswaar 130%, maar de Franse staatsschuld tikt ook de 100% aan.



Gele hesjes blokkeren een tolhuisje in Frankrijk met spandoek: "Frankrijk is woedend!"  


Dat alles neemt echter niet weg dat de Gele Hesjes in essentie een kleinburgerlijk klassenkarakter heeft. Het is een radicale uitdrukking van een wanhopig kleinburgerdom dat het proletariaat in geworpen wordt. Door dit klassenkarakter ontbeert deze een duidelijke antikapitalistische kritiek, en blijft men veelal hangen in halfslachtige, reformistische sociale eisen, zonder de onderliggende aard van het kapitalisme te bekritiseren. Dat is de reden dat de acties van de Gele Hesjes zich in de (kapitalistische) reproductie sferen bevinden, omdat zij het productieproces van het Franse kapitalisme niet in zijn geheel aantasten. Zoals alle kleinburgerlijke bewegingen staan de Gele Hesjes voor de keus om in opstand te komen tegen de heersende klasse of om het compromis met hen aan te gaan om hun geprivilegieerde positie tot op zekere hoogte te handhaven. Hier zal het tegenstrijdige karakter onvermijdelijk leiden tot een breuk tussen een radicale vleugel enerzijds en een reformistische vleugel anderzijds.


Het aantal Gele Hesjes dat sinds eind vorig jaar elk weekend in geheel Frankrijk de straat op gaat, daalt langzaam maar zeker. Afgelopen zaterdag (12 jan.), waren er nog maar ongeveer 84.000 betogers (in tegenstelling tot de ruim 300.000 man eerder) die deel namen aan de protesten. Intussen schijnen Franse instituties ondertussen langzaam maar zeker grip op deze kwade burgers te krijgen, echter niet via de centrale Franse staat. Slechts 31% van de Fransen vertrouwt zijn parlementslid nog. Ook de premier lukt het niet om grip te krijgen met slechts 25% vertrouwen. Laat staan Macron die nog slechts 23% vertrouwen geniet. Veel Fransen in de kleinen steden en dorpjes (de “thuisbasis” van de Gele Hesjes) lijken nog wel vertrouwen te hebben in de lokale politiek en burgemeesters. Burgemeester Bussière van een Normandische dorpje is dan ook opgelucht. ,,Mensen zijn blij als ze gehoord worden. Wij wilden de discussie weer terugbrengen bij officiële instituties”. Weg van de straat, terug naar de poppenkast van de burgerlijke democratie dus. Het initiatief komt van de Association des Maites Ruraux de France, een club van burgemeesters van kleine plaatsjes. De “boze" inwoners van dergelijke plaatsen kunnen hun klachten opschrijven in zogenaamde 'klaagbrieven' (Cahiers de Doléances - verwijzend naar de maanden voor de Franse Revolutie, toen burgers hun beklag over Lodewijk XVI konden deponeren bij de Staten-Generaal in Versailles). De klachten kunnen een oproep tot btw afschaffing op eerste levensbehoeften zijn; maar ook een eis tot vermogensbelasting voor alle rijken. Zeer diverse grieven dus, net als de Gele Hesjes-beweging zelf. Het komt er dus op neer dat de terecht kwade Fransen nu per gemeente hun stoom eventjes mogen afblazen om de beweging zo te pacificeren en terug in de pas te laten lopen met de burgerlijke democratie.



Gele Hesjes worden op het stadhuis van het plaatsje Morbecque uitgenodigd tot gesprekken met lokale bestuurders


Het lijkt er dus op dat de opstand van Gele Hesjes hier langzaam maar zeker lijkt te stranden. Wat de Gele Hesjes echter zeker toegeschreven moet worden is dat zij na al die jaren het dominante identitaire politieke discours hebben doorbroken en het sociaal-economische discours weer op de kaart hebben gezet onder bredere lagen van de bevolking. Dit biedt weer perspectieven voor revolutionairen. Echter, met het verdwijnen van de Gele Hesjes, zijn de onderliggende onvrede en problemen nog niet verdwenen. Ongetwijfeld zal het verzet van de Gele Hesjes beweging zich in een nieuwe vorm reïncarneren en de autoriteiten wederom het vuur aan de schenen leggen.



Gele Hesjes buiten het Franse taalgebied


Ook buiten Frankrijk ontstonden er spontaan Gele Hesjes beweging. De Gele Hesjes in de lage landen zijn echter vanaf het begin af aan een erg slechte kopie van de protesten in Frankrijk en Wallonië (en later Brussel) geweest. Culturele verschillen en het ontbreken van de specifieke sociologische achtergrond, hebben ertoe geleid dat er in Nederland en Vlaanderen nooit een noemenswaardige Gele Hesjes beweging van de grond kwam. Het bleef beperkt tot een marginaal project van de bekende rechtse en identitaire groepjes (met idem identitaire thema’s als tegen het Marrakesh-akkoord, pleidooien voor een boerkaverbod en op PVV-achtige wijze op Rutte III afgeven in combinatie met af een toe een verdwaald sociaal thema zoals de afbraak van de zorg).



Gele Hesjes in de polder: braaf protesteren en zingen samen met burgerlijk-rechtse publicisten zoals Jan Dijkgraaf en Ebru Umar


Hoewel de linkse beweging in het begin de nodige afstand leek te bewaren van het Nederlandse Gele Hesjes fenomeen, lijkt daar ondertussen wat verandering in te zijn gekomen. Afgelopen zaterdag organiseerden de bekende linkse activisten een demonstratie in Utrecht. Zij stonden daar voor 'een beweging voor een socialer Nederland'. Maar niet in Gele Hesjes, nee, in Rode. Het klinkt allemaal wat SP/FNV-achtig en dat lijkt ook wel te kloppen. . Immers, het acht punten programma van deze Rode Hesjes is zo algemeen dat deze dag prominente FNV-medewerkers, SP’ers en hun leden (veelal studenten) en de IMT (International Marxist Tendency (8))* hand-in-hand liepen. Nee, van de - Gele dan wel Rode - Hesjes beweging in Nederland hoeven wij geen hoge verwachtingen te hebben.



De bekende middenklasse jongens en meisjes van de Internationale Socialisten & co. organiseren hun eigen sektarische Rode Hesjes protest als alternatief voor de 'xenofobe' Gele Hesjes


En wat betreft de Gele Hesjes in de rest van Europa? Tijdens protesten (een brede alliantie van vakbonden tot het extreemrechtse Jobbik aan toe) tegen Orbáns “slavenwet" in Hongarije (een wet die meer overuren en langere uitstel van uitbetaling ervan toe laat) doken er betogers in gele hesjes op, net als bij de laatste protesten in Catalonië voor de Catalaanse onafhankelijkheid. Ja, zelfs op de jaarlijkse LLL-demo in Berlijn (100 jaar nu) hadden enkele betogers Gele Hesjes aan. Daarvoor had Sahra Wagenknecht (Die Linke en de beweging Aufstehn) afzonderlijk in een videoboodschap, gehuld in een geel hesje uiteraard, opgeroepen om ook in Duitsland een Gele Hesjes-beweging te beginnen. Er waren geen exacte details bekend, maar er zou snel wat in 2019 beginnen. Laten we hopen dat dit niet een zodanig ‘succes’ als hier in Nederland wordt. Ook in London was er een marginaal reactionair “gele hesjes” protest om te pleiten voor een direct Brexit.



Gele Hesjes duiken op bij de militante straatprotesten tegen het neoliberale sociale afbraakbeleid van de rechtspopulistische Hongaarse president Viktor Orban 




_______________
Noten:

(1) In België zette de basis van de socialistische en christelijke vakbonden hun “eigen" bonzen dusdanig onder druk om ook eindelijk weer eens acties te voeren tegen het reactionaire liberale beleid van de regering-Michel. De stakingsbereidheid, aangezwengeld door de protesten van de Gele Hesjes in Frankrijk en Wallonië, was dusdanig groot dat de Belgische vakbonden nauwelijks moeite tot mobilisatie hoefde te doen om de acties tot een succes te maken. Op 15 dec. waren er 24-uurs stakingen in Charleroi en Luik. 260 metaal- en textielbedrijven waren dicht en industriezones waren geblokkeerd. In Brussel werd het pand van de werkgeversorganisatie VBO beklad met rode verf; in Namen werd het gebouw van de MR beklad met >>VBO beslist, MR voert uit<<. De grootste onvrede vond plaats in die sectoren met een laag gemiddeld loon en grote flexibiliteit omtrent het werk. Alleen in Vlaanderen was wederom de actiebereidheid klein en waren de bonden het oneens over de actiemethodes.


(2) Militante, maar vaak reactionaire en corporatistische beweging tegen speciale belastingen (waaronder ook weer ecotaksen) voor bijv. de binnenvaart, boeren, de varkensteelt etc.


(3) CRS (>>CRS = SS<<, aldus een leus van mei '68): een speciale politie eenheid, onderdeel van het leger en tevens reserve eenheid van het oorlogsministerie. Zij vallen wel onder het ministerie van Binnenlandse zaken.


(4) Vanaf de opkomst van de beweging flirtte mevrouw Le Pen al direct met de Gele Hesjes. Jammer voor haar had zij zich korte tijd vóór de beweging nog uitgesproken tégen de verhoging van het minimumloon, een latere eis van de beweging. Hierdoor verloor haar RN totale geloofwaardigheid, en werd de invloed van parlementair rechts bijna nihil. Des te meer ruimte kwam er voor radicalere krachten, zoals o.a. de pro-monarchistische Action Française (neofascisten) en andere radicalere nationalisten.


(5) Het perfect voorbeeld hiervan is Daniel Cohn-Bendit. Dit voormalige boegbeeld van mei '68 is dusdanig door de pro-Europese beweging opgeslokt, omdat hij dacht dat hij “het Systeem" vanuit haar eigen instituties zou kunnen veranderen. Hij is nu geëindigd met het op één lijn zitten met Macron. Dat hij vandaag de dag zelfs nog de hele geest van mei '68 verdraaid voor zijn eigen politieke gewin bewijst nog maar eens zijn conformisme aan “het Systeem”: ,,Wij vochten tegen een generaal, de Gele Hesjes willen een generaal aan de macht helpen”. Hierbij afkeurend doelend op het geweld tegen de pro-Europese liberale Franse staat onder Macron. Zo leert het verleden ook dat organisaties zoals de PCF en de CGT eind mei '68 de doodsteek gaven aan die beweging, en dus de Vijfde Republiek redde; dit door een akkoord te sluiten met President De Gaulle omtrent de verhoging van het minimumloon met 35% en de invoering van ondernemingsraden.


(6) De verhoging van het minimumloon zou bijv. uit het “sociale potje” v.h. staatsbudget moeten komen. ,,Deze ‘verhoging' van het minimumloon betaalt de werkloze", aldus een Geel Hesje. Een sigaar uit eigen doos dus. Ook de oproep van Macron aan bedrijven om een vrijwillige eindejaarspremie te geven aan hun werknemers werd gretig beantwoord door enkele grote bedrijven. Echter, niet omdat ze het zelf wat ging kosten, zij werden hier uiteindelijk door de Franse staat voor tegemoet gekomen.


(7) In Brussel werd bijv. de betoging van 1 december bezocht door vele oprecht bezorgde burgers die maandelijks de eindjes nauwelijks aan elkaar kunnen knopen, en demonstreerden veelal voor het eerst in hun leven. De betoging ontaardde in rellen bij de kleine Brusselse ring (uiteindelijk gingen er o.a. twee politiecombi’s in vlammen op), en kregen recentelijk vier voor het gerecht staande betogers absurd hoge straffen te horen: van één tot twee jaar cel.


(8) IMT: pseudo-trotskisten die o.a. steun geven aan links-bourgeoisregeringen zoals Venezuela, en deze zelfs verwarren met een gedeformeerde arbeidersstaat a la Cuba. Zij zijn niet voor de volledige onafhankelijkheid voor naties als Catalonië, Quebec en vormen vaak allianties met de vakbondsbureaucratie en vredesbewegingen evenals groene-alternatieven. Dit getuigt niet van een onafhankelijke proletarische klassenpolitiek. 



maandag 3 december 2018

Gele Revolutie of Beweging van de Kleinburgerij?


Sinds half november zijn Frankrijk en (Franstalig) België in de ban van de 'Gele Hesjes´ (les Gilets Jaunes; een verwijzing naar de gele reflecterende veiligheidshesjes die de demonstranten dragen). Dit is een grassroots beweging die voortgekomen is uit de Franse sociale media netwerken. Een burgerbeweging in de meest brede zin van het woord, die oproept tot o.a. wegblokkades en bezettingen als protest tegen (de inmiddels allesomvattende) regeringsmaatregelen die leiden tot  grootschalige sociale afbraak in Frankrijk.

Hoewel de beweging amper een maand bestaat, gaan er een hoop verschillende geruchten rond over deze spontane volksbeweging. Is de beweging zoals verschillende Franse ministers beweren gekaapt door extreem-rechts? Is deze geïnfiltreerd door extreem-linkse en anarchistische krachten? Brengt deze beweging zowel linkse als rechtse krachten samen in de strijd tegen de elite; tegen de macht van het geld? En wat kan deze beweging betekenen voor Nederland en Vlaanderen? Deze vragen zullen we hier proberen te beantwoorden.


De Gele Hesjes demonstreren in hartje Parijs


Frankrijk: Bakermat van de Gele Hesjes

De opstand van de 'Gele Hesjes’ zat er al een tijdje aan te komen. Het kwam voort uit de opeenstapeling van anderhalf jaar woede tegen het beleid van president Macron, door velen sarcastisch de Zonnekoning genoemd, die de volgens hem “vastgeroeste” Franse economie probeert te liberaliseren door afschaffingen van belastingen voor de rijken, ondernemingsbelastingen te verlagen, de versoepeling van het ontslagrecht en het buitenspel zetten van de machtige spoorbonden en haar strijdvaardige Cheminots (maar geen zorgen, de “radicalere" spoorwegbonden hebben tijdens de recente OR-verkiezingen flinke winst geboekt).

Zonnekoning Macron leek de laatste tijd nog maar weinig politieke tegenstanders over te hebben. Dat zou echter snel veranderen: Via een online video deed de 51 jarige 'hypnotherapeut' Jacline Mouraud een oproep aan Macron met het dringende verzoek om 'zijn jacht op automobilisten' te staken. De 32-jarige Priscilla Ludosky, aromatherapie adviseur van beroep, begon daarop een online petitie tegen de hogere brandstofprijzen. Op zaterdag 17 november resulteerde dat in de eerste blokkades en straatacties, waarbij op verschillende locaties in Frankrijk maar liefst 300.000 mensen betrokken waren. De spontane protesten hielden vier dagen aan. Op 24 november werd een manifestatie georganiseerd door de 'Gele Hesjes' op de Champ de Mars, die na provocaties door de smeris ontaardde in rellen. Uiteindelijk hebben de protesten aan twee mensen het leven gekost en meer dan 750 mensen werden verwond, waarvan 136 smerissen. Sindsdien houden de protesten aan en verspreiden deze zich ook naar andere landen zoals Italië en (Franstalig) België.

Daarmee waren de 'Gele Hesjes' geboren: Een typisch Frans fenomeen waarbij een vergaande 'verelendung' van de provinciaalse kleinburgerlijke Franse bevolking dreigt te ontstaan. Dit in schril contrast met de grote Franse metropolen, waar de politieke elites huizen die meer en meer het contact met de rest van de bevolking lijken te verliezen. (De naam 'Gele Hesjes' is een knipoog naar de 'Rode Mutsen' van 2013, waarbij in heel Frankrijk mensen massaal de straat op gingen om tegen de toenmalige President Hollande en diens ecotaks voor het wegtransport te protesteren).

Banen in Frankrijk verdwijnen in een rap tempo als gevolg van de globalisering. Dat treft bijvoorbeeld de 8.000 inwoners in de Franse Voor-Alpen, eens het middelpunt van de bruisende Franse textielindustrie. Mensen moeten hier tegenwoordig dagelijks 60 km westwaarts rijden naar Lyon om te kunnen werken. Dat is maar liefst 120 km op één dag, en nu stijgen ook nog de brandstofprijzen! De middenstand krijgt het zo steeds zwaarder. Hoewel metropolen als Parijs evengoed met de-industrialisering te maken hebben, zijn daar in ieder geval de afstanden nog kort en is er een uitgebreid openbaar vervoer. Echter, voor diegenen die buiten de grote Franse steden woont, is openbaar vervoer natuurlijk geen serieus alternatief. Meer dan 70% van de Franse bevolking gebruikt op dagelijkse basis de auto. Ook hier weer is de tegenstelling platteland versus stad bepalend in de strijd van de Gele Hesjes.


Blokkades op de Franse autowegen zijn aan de orde van de dag


Ook na 17 november bleven de spontane protesten van de 'Gele Hesjes' doorgaan. Tankstations, wegen en tolhuisjes werden geblokkeerd en demonstranten veroorzaakten verkeerschaos op de autowegen. Rotondes en wegen werden met behulp van pallets gesloten voor vrachtverkeer. Provinciale bureautjes van Macron zijn politieke partij werden besmeurd en vernield. Op het hoogtepunt werden er op tweeduizend locaties in het land lokale comités gevormd. Wat de aan de zijlijn gezette vakbonden al die tijd niet lukte, lukte deze volksbeweging nu wel: Frankrijk plat leggen! Nog zorgelijker voor de Franse regering is dat deze protesten dus niet, zoals gewoonlijk, door de vakbonden georganiseerd worden. Deze protesten zijn ontstaan op virtuele sociale netwerken via ad hoc comités, die weer met comités op andere locaties in het land in contact staan en daarna de acties in de praktijk uitvoeren. In tegenstelling tot de vakbond heeft de regering hier geen officieel orgaan waarmee zij kan onderhandelen. De beweging wordt via een soort collectieve intuïtie vanaf sociale media aangestuurd.

De protesten bevorderden de sociale solidariteit en bracht mensen bij elkaar. Dit alles had echter ook een minder mooie kant. De eerste zaterdag was er al een dodelijk slachtoffer gevallen, een actievoerster werd aangereden door een automobilist. Verder vielen er nog eens 400 gewonden, waar van er 14 in ernstige toestand verkeerden. Hoewel de politiebond 'Unité SGP Police' de protesten aanvankelijk nog steunde en protestanten niet wilde bekeuren voor de wegblokkades, verrichtten ze later alsnog tientallen arrestaties. Er zou nog een dodelijk slachtoffer vallen en het aantal gewonden, vooral veroorzaakt door ongeduldige chauffeurs, zou al snel oplopen naar 585 man. Hoewel verwacht werd dat de protesten tijdens de werkdagen weer zouden stoppen, gingen deze gewoon verder. Volgens peilingen zou 77% van de Franse bevolking de protesten steunen. Het hoogtepunt was het epische oproer in de luxe winkelstraat Champs-Élysées in hartje Parijs. Bij confrontaties met de smeris raakten dertig mensen gewond en werden 103 mensen gearresteerd. In heel Frankrijk gingen die dag 106.000 mensen de straat (of weg) op.


Protest van Gel hesjes escaleert, Parijs staat in Vuur en Vlam  


De Franse Minister van Binnenlandse Zaken, Christophe Castaner, vreesde voor een "totale ontsporing van het geweld en dat de acties snel zouden radicaliseren". Nu de Franse middenklasse dreigt af te zinken naar de levensstandaard van het proletariaat, lijken zij zich inderdaad tot radicalere acties te wenden om aan hun oude bestaan vast te kunnen houden. De Franse Minister doelde echter vooral op radicale linkse en rechtse activisten die zich mengden in de massamanifestaties om d.m.v. een gevecht met de gevestigde orde een radicalere boodschap af te geven.

Ook de gevestigde politieke partijen proberen een graantje mee te pikken van de successen van deze nieuwe volksbeweging. Zo steunde het Rassemblement National (het voormalige Front National) van Marine Le Pen het 'volksverzet' van de Gele Hesjes sinds het prille begin. Opmerkelijk genoeg deed Jean-Luc Mélenchon van de grootste linkse oppositiepartij dit niet. Belangrijke initiatiefnemers zoals Mouraud namen niet duidelijk afstand van 'rechtse invloeden', daarom werd er al snel aangenomen dat de 'Gele Hesjes', die zelf zeggen apolitiek te zijn, extreemrechts zouden zijn.

Wat enerzijds de sterkte van deze volksbeweging is, is tevens zijn zwakte. De Gele Hesjes is een spontane beweging zonder duidelijke politieke kleur. Binnen deze beweging kan letterlijk iedereen zich beklagen over van alles in de politiek. De te hoge brandstofprijzen, de belastingen, de dalende koopkracht, te weinig sociale hulp, het nieuwe dure servies van het Élysées (€500.000!), de pensioenen van ex-presidenten, de macht van de multinationals, het wanbeleid van president Macron, het maakt niet uit. Een concreet uitgewerkte ideologie kent men niet. Over een ding zijn de Gele Hesjes het wel eens: de elites moeten weg! Hier putten zij uit een lange Franse traditie, zoals de befaamde Franse revolutie van 1789. Zoals er toen volkswoede heerste tegen de hoge graanbelastingen, is er nu een volksopstand tegen de belastingen van Zonnekoning Macron - de adel van nu.


Marianne: Symbool van de burgerlijke (Franse) Revolutie van 1789 



Gele Hesjes in België en Nederland?

Vanaf 21 november kregen de protesten in Frankrijk navolging in Wallonië. Ook daar werden blokkades opgeworpen en pallets in brand gestoken. De blokkades liepen ook daar al snel uit de hand en de bevoorrading van tankstations werd een probleem. Men probeerde het verkeer op de kleine ring van Charleroi te blokkeren. Daar ontstonden confrontaties met de smeris waarbij een cameraman van RTBF klappen kreeg. Ook hier weer betrof het een bonte mix van boze burgers en geharde politieke activisten. Er werden eveneens aan de Franse grens ongeveer 300 vrachtwagens geblokkeerd. Gewone burgers mochten doorrijden en de vrachtwagens na enige tijd ook.

De lokale comités in Wallonië lijken van een wat meer volksere aard dan in Frankrijk; fabrieksarbeiders, werklozen en bijstandsgerechtigden doen ook mee. "Dit is een revolutie van de kleine man", aldus een actievoerder. "Wij hebben geen woordvoerder, wij hebben ook geen verantwoordelijken. We zijn allemaal samen verantwoordelijk. Iedereen mag het woord voeren.” Opvallend is dat de vlaggen en jasjes van de vakbonden niet welkom zijn, omdat "de vakbonden deel uitmaken van het systeem waartegen wij in opstand komen."

Ook hier zijn zowel linkse als rechts activisten binnen de beweging betrokken. Bij de grensovergang in Couvin dook er een foto op van een groepje Gele Hesjes, waarvan de ene helft bestond uit (linkse) PVDA/PTB activisten en de andere helft uit activisten van de (rechtse) solidaristische partij Nation. In een communiqué verklaart Nation: "Uiteraard zullen wij nooit de bloedbaden vergeten die zijn aangericht in naam van de communistische ideologie en hebben wij geen enkele sympathie voor de PTB, maar geconfronteerd met de vampiers van het hoge financierswezen voelen wij geen enkele schaamte om op te komen tegen de macht van het geld, zelfs aan de zijde van onze politieke vijanden". Een breed gedragen idee onder de Gele Hesjes die slechts één duidelijke scheidslijn lijken te kennen: Wij, de hardwerkende Fransman of Belg. En zij: de gevestigde orde, de elites.

En Nederland? Ja, ook daar probeerde men op één december in Den Haag en Nijmegen een volksopstand te ontketenen, maar dan op zijn typisch Nederlands natuurlijk. Met online protest tegen hoge brandstofprijzen, afbraak van het ziekenfonds, teloorgang van sociale huurwoningen, hoge studiekosten, de vele voedselbanken en ja, zelfs typische PVV-eisen zoals voor het handhaven van het boerkaverbod en afkeuring van het Marrakesh-verdrag. Hier lijkt het echter te gaan om een meer geïsoleerde poging van de bekende rechtse activisten en bloggers die een braaf protest wilden houden in het stadscentrum. Van een massale volksbeweging die spontaan probeert de infrastructuur plat te leggen lijkt hier momenteel geen enkele sprake te zijn. Vooralsnog hoeven we hier in de nabije toekomst zeker nog geen Franse toestanden te verwachten.


Ook in Wallonië trekken de Gele Hesjes spontaan de straat op


Een Gele Revolutie?

De 'Gele Hesjes'- beweging vertoont veel overeenkomsten met andere spontane volksbewegingen zoals Occupy of de Italiaanse Forconi (Hooivorken). Wat deze allemaal gemeen hebben is dat ze een concrete onderliggende wereldbeschouwing ontberen en daarom een relatief kort leven beschoren waren. De Franse beweging lijkt ook al geplaagd te worden door interne verdeeldheid over de politieke koers die gevaren moet worden. Zo was er al snel onvrede over acht personen die zich als officiële woordvoerders van de Gele Hesjes hadden opgeworpen tegenover de Franse Minister van Milieu, François de Rugy. Een aanzienlijk deel van de Gele Hesjes beweging erkende hun gezag niet.

Toch zijn het zeer intrigerende acties: ongeorganiseerd en spontaan, erg basis democratisch, ja zelfs anarchistisch te noemen. Ze ontstaan in de armere delen van het land, in de streken waar mensen zich in de steek gelaten voelen door de staat, waar alles duurder wordt. Een activiste van de Gele Hesjes omschreef het als volgt: "Het kookpunt is bereikt, zelfs de middenklasse is nu bereid om op de barricades te klimmen!" En dat vat de geest van de Gele Hesjes beweging uitstekend samen: Het is een opstand van de kleinburgerlijke lagen van de werkende bevolking, die door toedoen van kapitalistische rationalisering het proletariaat in worden geslingerd ('geproletariseerd').

Echter, zolang er zich binnen deze volksbeweging geen revolutionaire voorhoede uitkristalliseert, geen politieke krachten de beweging aan zich weten te binden, dan zal deze spontane volksbeweging waarschijnlijk net zo spontaan weer verdwijnen. In de geest van het anarchisme kunnen we hier echter wel gerust vaststellen: 'Bakunin keek en zag dat het goed was'.




Karikatuur van de Franse President Emmanuel Macron als Lodewijk de 16de, schuldig bevonden aan hoogverraad en geëxecuteerd door de Guillotine op 21 januari 1793



zaterdag 1 december 2018

Over het Karakter van de Staat in het Fascisme en Monopoliekapitalisme



Tegen de bourgeoisie en het wereldkapitalisme!
Noch 'fascisme', noch 'antifascisme' – maar het Derde Front – het onder zelfstandige leiding strijdende internationale proletariaat!


De laatste tijd hoort men vaak de uitspraak, dat er sprake zou zijn van een fascistische ontwikkeling, van een fascistische (of fascistoïde) tendens binnen de staat. Aanleiding voor deze veronderstelling is de keiharde wijze waarop het staatsapparaat of daartoe behorende functionarissen reageren op stakingen, demonstraties e.d. De harde taal van diverse Europese regeringsleiders, het optreden van bijvoorbeeld de Griekse of Spaanse oproerpolitie, de processen tegen Zuid-Europese revolutionairen, dat alles zou wijzen op een “fascisering” van het regiem. Is deze conclusie juist? Ook de liberaal-burgerlijke staat placht namelijk destijds ook altijd al met wapengeweld en blanke sabel te antwoorden op oproerige bewegingen.

In het algemeen is het de taak van de staat om met alle haar ter beschikking staande middelen (en daartoe behoort nièt in de laatste plaats niets of niemand ontziend geweld) de bestaande orde te handhaven. Uitoefening van de staatsmacht is altijd al zaak geweest van de heersende klasse. Wanneer de bourgeoisie sinds de opkomst van het kapitalisme de heersende klasse is, dient de staat de belangen van de bourgeoisie.

Naarmate er veranderingen in de kapitalistische productiewijze optreden – veranderingen die weliswaar niet raken aan de tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal en evenmin de scherpe kanten ervan wegnemen – wijzigt zich de werkwijze en het karakter van de staat dienovereenkomstig, zoals ook de bourgeoisie zich wijzigt.

Zo zien we bijvoorbeeld dat de liberale staat de belangen van de bourgeoisie ten tijde van het concurrentiekapitalisme – de bourgeoisie bestond destijds uit een groot aantal, in principe gelijkwaardige, kapitalisten – het beste diende door zich zo weinig mogelijk met het eigenlijke productieproces te bemoeien en zich voornamelijk te beperken tot bestuurlijke taken als het aanleggen en onderhouden van wegen en neerslaan van volksoproeren, wat in het gemeenschappelijk belang van de gehele bourgeoisieklasse was. De afzijdigheid van de staat, de scheiding tussen publieke en privé-sfeer, wat in de ideologie van de burgerlijke rechtstaat sterk werd benadrukt, betekent dat de liberale staat 'neutraal' was m.b.t. de met elkaar concurrerende kapitalisten.

In de fase van het monopoliekapitalisme, wanneer het kapitaal dus is geconcentreerd, is er géén sprake meer van vrije concurrentie en van gelijkwaardige kapitalisten, ten opzichte waarvan de staat zich 'neutraal' dient te houden. Terwijl er ten tijde van het concurrentiekapitalisme nog economische sectoren bestonden, die nièt ondergeschikt waren aan het kapitaal (ambachtelijke nijverheid, middenstand, boeren), worden in het tijdperk van het monopoliekapitalisme al deze restanten van een voorbijgegane productiewijze opgeruimd: De landbouw wordt geïndustrialiseerd (rationalisatie in het kader van de EEG; plan-Mansholt), de middenstand wordt verdrongen door grootwinkelbedrijven, die op kapitalistische grondslag te werk gaan.

Het monopoliekapitalisme heeft daarmee een grotere maatschappelijke en politieke macht, en de staat in het tijdperk van het monopoliekapitalisme bezit een dienovereenkomstig grotere macht, die aangewend wordt ten behoeve van het monopoliekapitaal. Onder specifieke omstandigheden biedt de fascistische staat een voorbeeld van de wijze, waarop een verregaande staatsmacht het gehele maatschappelijke leven beheerst en aan het kapitaal onderwerpt.


Is fascisme daarmee identiek aan het monopoliekapitalisme? 

Nu kan men natuurlijk dit hele probleem terzijde schuiven door te stellen dat kapitalisme, fascisme en imperialisme allemaal hetzelfde zijn, dat het allemaal een pot nat is. Dat was in 1940 bijvoorbeeld ook het standpunt van de Kommunistische Internationale en van de leiding van de CPN, welke stelden dat de wereldoorlog was uitgelokt door het Engelse imperialisme en daaruit de conclusie trokken, dat “het Nederlandse werkende volk tegenover de Duitse bezetting van het land een correcte houding dient aan te nemen” ('Politiek en Cultuur', theoretisch orgaan van de CPN, juni 1940). Gedurende het verdere verloop van de oorlog zag de CPN-leiding zich evenwel genoodzaakt om dit standpunt te herzien.

Anderzijds zou het theoretisch willekeurig door elkaar gebruiken van 'kapitalisme' en 'fascisme' voor bepaalde militante groepen een rechtvaardiging kunnen vormen voor de praktijk van de gewapende strijd. Deze theoretische verwarring – het op willekeurige wijze door elkaar gebruiken van de begrippen 'fascisme' en 'monopoliekapitalisme' – wordt bevorderd door de omstandigheid, dat het fascisme (nationaalsocialisme) zich van de staatsmacht meester maakte op een moment dat de economische verhoudingen al werden gekenmerkt door het monopoliekapitalisme. Een fascistische staat op basis van een monopoliekapitalistische economie heeft derhalve veel overeenkomst met een staat überhaupt in het tijdperk van het monopoliekapitalisme.

De groei van de industrie en de concurrentie van de productie in een klein aantal grote ondernemingen maakt vanaf (ongeveer) het einde van de 19e eeuw een einde aan het kapitalisme van de vrije concurrentie. Het monopoliekapitalisme doorbreekt de nationale grenzen en gaat op de wereldmarkt opereren. Lenin heeft in diens werk 'Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme' (1916) destijds al gewezen op het directe verband tussen monopoliekapitalisme en imperialisme. Noodzakelijkerwijze inherent aan het kapitalistische systeem is het om de productiekrachten sneller te ontwikkelen dan de koopkracht van de vraag. 

Dat betekent dat het monopoliekapitalisme een grotere markt nodig heeft dan de nationale, en dus tevens een groter afzet- en beleggingsgebied. Daar waar een dergelijk achterland ontbreekt, wordt het desnoods met wapengeweld veroverd, zoals bijvoorbeeld door het Duitse imperialisme gebeurde zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog.

De wereldoorlog werd in het geval van het Derde Rijk voorafgegaan door een handelspolitiek onder leiding van de staat. Vanaf 1933 liep alle buitenlandse handel van Duitsland via de staat, die Duitse industrieproducten ruilde tegen grondstoffen en landbouwproducten uit met name Centraal-Europa. Duitsland kon alleen maar betalen met industriële producten bij gebrek aan goud en de handelspartners van Duitsland waren gedwongen deze ruil te aanvaarden als betaling voor de schulden die ze hadden uitstaan.

Doordat alle buitenlandse handel via de staat ging, betroffen de transacties grotere voorraden met alle voordelen van dien: Naarmate de voorraden groter waren die door tussenkomst van de Duitse staat werden ingekocht, des te groter was de afhankelijkheid op handelspolitiek gebied van het leverende land.

De centrale rol van de staat is hierbij typerend voor deze fase van het kapitalisme. Directe aanleiding voor de staat om zich op een dergelijke ingrijpende wijze met de economie te bemoeien is altijd de crisissituatie. Maar ondertussen wordt het afzetgebied gecreëerd waaraan de kapitalistische monopolies behoefte hebben. Dat deze handelspolitiek ten behoeve van het Duitse kapitalisme tot oorlog zou leiden, was onvermijdelijk. “Hoe meer het Duitse planimperialisme echter de totale omverwerping van de Europese agrarische landen nastreefde, des te urgenter werd het om de industriële concurrenten op deze specifieke markt uit te schakelen, teneinde deze markt te monopoliseren” . 

Daarom dienden de beide Centraal-Europese industriestaten Oostenrijk en Tsjechoslowakije op militaire wijze te worden geannexeerd. De vooraanstaande rol van de staat in de economie was géén uitvinding van het Hitlerisme. Het is een algemeen verschijnsel dat optreedt, zodra het concurrentiekapitalisme heeft afgedaan en de industriële productie wordt geconcentreerd. De door de staat geplande economie wordt, voor wat West-Europa betreft, zo ongeveer over de gehele linie geïntroduceerd tijdens de Eerste wereldoorlog, wanneer het duidelijk wordt dat een uiterste oorlogsinspanning, maximale oorlogsproductie, de daarvoor noodzakelijke gedisciplineerde arbeid met ermee gepaard gaande lage lonen en een eveneens lage consumptie niet kunnen worden bewerkstelligd wanneer de staat blijft volharden in een passieve houding.

Met de productiewijze van de vrije concurrentie correspondeert de liberale staat, die zich zoveel mogelijk afzijdig dient te houden van de private aangelegenheden van haar burgers en bijgevolg van de gehele economie. De liberale staat diende er slechts voor om het gemeenschappelijk belang van de burgerij (bourgeoisie) te verdedigen, bijv. door het neerslaan van volksoproeren of het afweren van buitenlandse invallen en verder door zorg te dragen voor de noodzakelijke infrastructuur (zoals het aanleggen en onderhouden van wegen, bruggen e.d.). Volgens de liberale staatsopvatting mocht idealiter alleen maar in het privé-leven van de burgers (d.i. de burgerij = bourgeoisie) worden ingegrepen door middel van algemeen geldende wetten, die een voorspelbaar en calculeerbaar optreden van de overheid aangaven. Deze wetten dienden dan door de vertegenwoordigers van de bourgeoisie zelf in het parlement te worden geformuleerd. In het parlement vond dan ook de afweging plaats van de verschillende belangen van de bourgeoisie. Door het districtenstelsel (en het censuskiesrecht) waren bijv. in Nederland sinds 1848 de vertegenwoordigers van de bourgeoisie uit de verschillende streken van het land in het parlement vertegenwoordigd.

In het tijdperk van het monopoliekapitalisme speelt de staat niet langer een passieve rol m.b.t. het economische leven. Voor het overschrijden van de nationale grenzen door de kapitalistische monopolies dient de buitenlandse politiek van de staat de weg te banen. Hetzij via het verwerven van koloniën, hetzij via een bepaalde handelspolitiek, een import/exportpolitiek, of via oorlog om een bepaald afzetgebied te veroveren ten behoeve van de kapitalistische monopolies.

In het land zelf gaat de staat zorgen voor een zo ongestoord en gedisciplineerd mogelijk verloop van de productie met zo laag mogelijke lonen.

P. Lapinski spreekt in dit verband in zijn beschrijving van de ”sociale staat”, die zich tijdens en na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelt, van een kwalitatieve verandering, van een nieuwe etappe in de ontwikkeling van de imperialistische staat en van het gehele staatsmonopolistische kapitalisme.

De staat, die nauw vervlochten is met het bank- en industriekapitaal, oefent een grote invloed uit op de financiële markt en de economische conjunctuur (door middel van toezicht op de banken, vaststellen van de rentevoet, belastingspolitiek, het doen van overheidsuitgaven – die een belangrijk deel gaan uitmaken van het nationale inkomen – , vaststellen van invoerrechten en exportpremies, douanepolitiek etc.; in 1914 en in 1936 verbood de Nederlandse regering vanwege de monetaire situatie de uitvoer van goud). Tegelijkertijd voert de staat een sociale politiek, waarbij de arbeidsvoorwaarden verregaand worden gecontroleerd en er sterke invloed wordt uitgeoefend op de lonen. Dit komt tot uitdrukking in de wetgeving van staatswege op het gebied van het arbeidsrecht (in 1907 worden in het Burgerlijk Wetboek eerste bepalingen opgenomen m.b.t. de arbeidsovereenkomst) en in de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO).

Het inkomen van de arbeidersklasse is ná de Eerste Wereldoorlog in een andere verhouding samengesteld uit direct uitgekeerd loon en sociale premies dan ervóór. Een groot deel van het loon van een arbeider wordt door de staat thans ingehouden om het later uit te keren in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit e.d. Inherent aan de onderwerping van de arbeid aan de controle van staatswege is de corporatistische ideologie van de “sociale vrede”, “klassenverzoening”, “arbeidsgemeenschap” etc., waarbij de “bemiddelende” rol van de zogenaamde boven de klassen staande staat centraal komt te staan. Deze ideologie kwam tot uitdrukking in de overlegorganen van werkgevers en werknemers, die met name in de Weimartijd tot een omvangrijk paritair (evenredig) systeem werd omgebouwd. Het “ingroeien” van de vakbeweging in de staat, die op haar beurt weer nauw vervlochten was met de kapitalistische monopolies, veronderstelde dat de belangrijkste maatschappelijke klassen – bourgeoisie en proletariaat – een hoge graad van organisatie bezaten. Tegenover de erkenning door de staat van de gecorrumpeerde vakbondsbureaucratie – een erkenning die tot gevolg had dat alléén de zogeheten 'erkende' vakorganisaties vertegenwoordigd waren in de overlegorganen en gerechtigd waren om CAO's af te sluiten – stond dat de vakbonden de centrale rol van de staat dienden te erkennen en dienden toe te staan dat bijvoorbeeld de Duitse staat tijdens de Eerste Wereldoorlog de verplichte Arbeitseinsatz invoerde met het oog op de oorlogsproductie.

In Nederland is er in de periode tussen de beide wereldoorlogen van daadwerkelijk “klassensamenwerking” sprake, dáár waar de grote reformistische vakbonden samenwerken met staat en ondernemers op het gebied van de sociale voorzieningen en bij het afsluiten van CAO's.

Verder worden er plannen gemaakt voor de vervanging van het parlement door allerhande corporatistische en organische constructies. Enkele sociaaldemocraten doen daarbij niet onder voor notoire bewonderaars van het corporatistische model van Salazar in Portugal uit rooms-katholieke hoek.

Aan het einde van de 30er jaren vond er een grondwetswijziging plaats, die de mogelijkheid bood voor het op wettelijke wijze instellen van organen voor het bedrijfsleven met publiekrechtelijke bevoegdheden. In 1949 werd dit nader uitgewerkt in de wet op de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO). Bij de wet op de PBO is destijds de Sociaal-Economische Raad (SER) ingesteld, als hoogste orgaan van de PBO en als adviescollege van de regering inzake sociaaleconomische aangelegenheden. De SER is paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de werkgevers, van de 'erkende' vakbonden én door de staat aangewezen 'neutrale' deskundigen.

Zeer interessant zijn de ontwikkelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog: Toen werd door het Duitse bestuur de organisatie-Woltersom (genoemd naar de toenmalige voorzitter van deze bedrijfsorganisatie, ir. Woltersom) in het leven geroepen. Deze van bovenaf opgelegde organisatie naar Duits model omvatte de gehele industrie, de nijverheid en het bankwezen. Via deze bedrijfsorganisatie, waarin sprake was van het Führerprinzip (leidersbeginsel) en evenals in Duitsland de leiding in de diverse geledingen van de bedrijfsorganisatie in handen lag van invloedrijke industriëlen, was de Duitse overheid bij machte om aanwijzingen te geven inzake de productie, welke was ingekaderd in de oorlogspolitiek van het Duitse rijk. Tal van bekende Nederlanders hebben zich destijds lovend uitgelaten over de organisatie Woltersom. Over de organisatie-Woltersom zegt bijvoorbeeld Van der Grinten, een invloedrijke jurist inzake arbeids- en vennootschapsrecht: “Het werk van de O.C. (Organisatie-Commissie-Woltersom) valt in menig opzicht te bewonderen (…) In brede kringen vindt erkenning, dat organisatie van het bedrijfsleven ook in vredestijd nodig is. De ervaring, die wij in deze tijd met de bedrijfsorganisatie verwerven, zullen wij ons na den oorlog ten nutte kunnen en moeten maken” . 

De staatsplanning, die in Nederland door de Duitse overheid in zijn geheel wordt uitgevoerd, en waarvoor al sinds tientallen jaren de aanzet was gegeven, blijft ook na de oorlog bestaan, zij het thans uitgevoerd onder het bewind van de parlementaire democratie!

Laten we dit thans nader onder de loep nemen aan de hand van de loonvorming: In 1927 komt er in Nederland een wettelijke regeling van de collectieve arbeidsovereenkomst. In 1937 maakt een wet het aan de Minister van Sociale Zaken mogelijk om een CAO (of gedeelten daarvan) ook verbindend te verklaren voor werkgevers en werknemers in dezelfde sector, die zelf géén CAO hebben afgesloten dan wel niet aangesloten zijn bij een organisatie die wel een CAO overeengekomen is; ook kan de minister CAO's (of gedeelten daarvan) onverbindend verklaren. Hiermee had de staat een belangrijk instrument om in te grijpen in CAO's en de gehele loonvorming te controleren. Tijdens de oorlog werd het BBA uitgevaardigd, dat aan de Rijksbemiddelaars (functionarissen van de overheid) zeer verregaande bevoegdheden gaf m.b.t. de loonvorming, en verder een soort van gedwongen arbeid invoerde, doordat een ontslagname thans diende te worden goedgekeurd door de directeur van het gewestelijk arbeidsbureau. Ondertussen heeft de Duitse militaire bevelhebber in Nederland dan al (in mei 1940) het stakingsrecht opgeheven.

Na de oorlog blijft het BBA (Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen) gehandhaafd en wordt het stakingsrecht door de rechter (waarvoor door de ondernemers van tijd tot tijd korte gedingen aanhangig worden gemaakt jegens naar het stakingswapen grijpende vakorganisaties) NIET erkend, behoudens enkele uitzonderingen.

Men kan stellen dat hetgeen er vóór de oorlog in Nederland op gang is gebracht aan staatsplanning, door de (Duitse en Nederlandse) nationaalsocialisten tijdens de oorlog zeer rigide (onbuigzaam, strak) is doorgezet, en door de Nederlandse staat na de oorlog is voortgezet, zij het minder rigide, nu niet langer onder terroristische omstandigheden en thans geheel en al gelegitimeerd door de façade van de parlementaire democratie. De na-oorlogse staat beschikt over een compleet instrumentarium aan wettelijke bevoegdheden.

Wat het stakingsrecht betreft: De wet-Mulder, die in 1971 door het parlement werd geloodst, erkent het stakingsrecht MITS het aan een aantal vereisten voldoet: De staking mag 1) niet in strijd zijn met een verplichting uit de CAO, en 2) moet zijn uitgeroepen door een zogeheten “erkende” (d.i. rechtspersoonlijkheid bezittende) vakvereniging (wilde stakingen zijn verboden). Het is dus beter om te spreken van een wettelijk verbod op het stakingsrecht, waarop een aantal uitzonderingen zijn gemaakt. De bevoegdheden die de overheid toekwamen op grond van het BBA blijven gehandhaafd en worden zelfs uitgebreid in de in 1970 aangenomen loonwet (wet Roolvink).

De ontwikkeling van de 'sociale staat' in Nederland (d.w.z. de organische, corporatistisch ingekleurde ordening van het bedrijfsleven onder leiding van de staat alsmede de integratie van de reformistische vakbonden in deze) is (beknopt samengevat) als volgt verlopen:

Het afsluiten van CAO's door de leiding van de erkende bonden en de ondernemers geeft uitdrukking aan het gegeven, dat – gelijktijdig met de concentratie van de industriële productie – de arbeidsvoorwaarden worden gestroomlijnd (onder toezicht van de overheid). Uniformiteit voor wat de lonen betreft, welke gedurende enkele jaren zijn vastgelegd in grote sectoren van het bedrijfsleven, biedt de bourgeoisie een belangrijk instrument om de loonkosten gedurende een lange termijn calculeerbaar te maken en tevens om de lonen laag te houden (door middel van de regelmatig opflakkerende inflatie). De uniformering van de arbeidsvoorwaarden, welke een 'ingroeien' van de vakbeweging in de staat alsmede een vervlechting van de staat met de kapitalistische monopolies vooronderstelt en tegelijkertijd bevordert, vormt de basis voor de in 1949 ingestelde Publiekrechterlijke Bedrijfsorganisatie (PBO), waarin de samenwerking van staat, ondernemers en leiding der erkende vakorganisaties werd geïnstitutionaliseerd in organen van het 'sociaal overleg', zoals de SER en de Stichting van de Arbeid.

Enkel en alleen de door staat en ondernemersorganisaties 'erkende' vakverenigingen kunnen als 'sociale partner' van de ondernemers optreden en zijn gerechtigd om CAO's af te sluiten. Enkel en alleen de 'erkende' bonden zijn gerechtigd om afgevaardigden te sturen naar de organen van de PBO. Het is dan ook niet meer als logisch dat uitsluitend de 'erkende' bonden stakingen mogen uitroepen, indien de looptijd van de CAO is geëindigd, teneinde de inwilliging van een bepaalde eis af te dwingen bij het afsluiten van een nieuwe CAO. Niet-erkende bonden (zoals de Eenheidsvakcentrale na de oorlog of de zogeheten 'categorale' vakorganisaties) zijn géén partners in de zin van het 'sociaal overleg' en zijn dus ook niet gerechtigd om stakingen uit te roepen in het kader van het afsluiten van een nieuwe CAO.

De staat kan tussenbeide komen in door de ondernemers en bonden afzonderlijk afgesloten CAO's, indien deze (of afzonderlijke bepalingen in deze) strijdig zijn met het “algemeen belang” dan wel met het belang van een “gezonde economie”. Indien afzonderlijke organisaties van ondernemers géén 'nee' “durven” te zeggen tegenover de 'te veel' eisende bonden, dan zegt de staat in hun plaats naderhand 'nee' – uit naam van het 'algemeen belang' en gelegitimeerd door het parlement.

Sommige sociaalrevolutionairen zien in de onmacht van de bourgeoisie om zelf rechtstreeks de politieke macht uit te oefenen (terwijl de arbeidersklasse als zodanig nog niet sterk genoeg is om haar eigen revolutionaire omwenteling in gang te zetten) een typisch kenmerk van fascisme.

Gedurende deze (overgangs-)periode zou de politieke macht dan vervolgens in handen dienen te komen van een bonapartistische (militaire) dictatuur dan wel van een fascistische partij. Teneinde haar sociale en economische macht te redden dient de bourgeoisie de staatsvorm van het burgerlijk parlementarisme, die haar het best ligt (omdat het klassenkarakter van de staat in deze vorm het meest wordt verhuld), te laten vallen om door middel van een sterke staat een openlijk kapitalistische dictatuur uit te kunnen oefenen.

Ook de overname van de Duitse staat door de nationaalsocialisten ging gepaard met de – volkomen legale (want via een parlementair meerderheidsbesluit tot stand gekomen) – ontbinding van de Rijksdag. Het parlement was thans géén geschikt instrument meer voor de Duitse bourgeoisie om haar politieke macht tot uitdrukking te brengen.

Uit het feit echter dat na de oorlog in West-Duitsland het parlement haar oude functie weer herkreeg en ging functioneren, zoals in de andere West-Europese landen parlementen dat plegen te doen, mag niet de conclusie worden getrokken dat de bourgeoisie vanaf dat moment weer haar politieke macht uitsluitend via het parlement uitoefende. Het parlement in een monopoliekapitalistische staat is niet identiek aan een burgerlijk parlement van de liberale staat. In de liberale staat vond een afweging van de diverse belangen van de verschillende fracties der bourgeoisie plaats, die onder de verhoudingen der vrije concurrentie gelijkwaardig waren, en werd het optreden van de staat tamelijk gedetailleerd vastgelegd. Dat was ook mogelijk, omdat de rol van de staat zo beperkt als mogelijk diende te zijn en de vrije ontwikkeling van de productiekrachten (= het kapitalisme) niet in de weg diende te staan. Het burgerlijk wetboek garandeerde de vrijheid van contract – voor de gelijke leden van de burgerij (= de bourgeoisie).

Vanuit het concurrentiekapitalisme ontwikkelde zich via de industriële concentratie gaandeweg het monopoliekapitalisme en het behoort tot de dialectiek van de contractsvorm, dat het contract, de overeenkomst, dat typische verschijnsel uit het tijdperk van de vrije concurrentie, het juridische middel bij uitstek werd om een einde te maken aan de vrije concurrentie!

Door middel van contracten werden namelijk kartels gevormd, waar binnen de monopolistische productiewijze gestalte begon aan te nemen. De onbeperkte vrijheid van contract was dan ook in strijd met de beginselen van de klassieke liberale economische theorie, zoals geformuleerd door Adam Smith: Vrije concurrentie, de gelijkwaardigheid van de concurrenten. De onbeperkte vrijheid van contract kleedde op juridische wijze het proces in, waarin een einde kwam aan de periode van de vrije concurrentie.

In de fase van het monopoliekapitalisme is de rol van de staat veel uitgebreider. Teneinde het belang van de bourgeoisie (in het bijzonder de monopolies) het beste te dienen moet de staat thans actief zijn op tal van gebieden om de sociale en economische infrastructuur te leveren op basis waarvan het monopoliekapitalisme produceert. Deze actieve taak van de staat kan niet langer meer worden omschreven in wetten, die aan de ene kant algemeen van karakter zijn en aan de andere kant de taak van de staat tot in alle details vastleggen.

De wetten in de liberale staat maken – idealiter gesproken – het optreden van de overheid voorspelbaar voor alle leden van de burgerij (= bourgeoisie) en binden tegelijkertijd datzelfde overheidsoptreden aan de wetten, die door de vertegenwoordigers van de bourgeoisie in het parlement zijn gemaakt.

De wetten in een monopoliekapitalistische staat vaardigen slechts zeer globale richtlijnen uit voor de regeling van een bepaalde aangelegenheid, en delegeren vervolgens verstrekkende bevoegdheden aan de staat zelf om de betreffende aangelegenheid nader te regelen.

De wet vormt zodoende de basis voor zeer ruime staatsbevoegdheden, aangezien deze wetten zelf reeds bepalen dat nadere regeling door de regeringsbureacratie dient te gescheiden. Tegelijkertijd is de wet zo geformuleerd dat de overheid niet zozeer gebonden is aan de wet bij het invullen van nadere regelingen, maar integendeel carte blanche (blanco volmacht) krijgt om daarvan af te wijken. Op wettelijke bepalingen kan bijvoorbeeld door regering of minister een uitzondering worden gemaakt “in het landsbelang” of “in het algemeen belang”.

Doordat tal van uitzonderingen mogelijk zijn op “in principe” algemene, voor iedereen gelijke regels, blijft er weinig over van de formele rationaliteit van de wet, namelijk de algemene werking, voor iedereen in gelijke zin. Maar deze formele rationaliteit ging uit van de vrije concurrentie van in principe gelijkwaardige leden van de bourgeoisie. Wanneer er nu economische machtsconcentraties optreden, krijgt de staat – op basis van de wet – carte blanche om “doelmatig” – daarbij in feite uitgaand van de bestaande machtsconcentraties (trust- , kartelvorming) – te opereren en om regulerend, al naar gelang de noodzaak (en dus van geval tot geval verschillend), op te treden in een economie, die wordt gekenmerkt door de heerschappij van monopolies.

De wet op de economische mededinging is hiervan een goed voorbeeld. Op de bepalingen van de wet, bedoeld om ongewenste machtsconcentraties (kartelvorming) tegen te gaan, zijn tal van uitzonderingen mogelijk – uitzonderingen welke juist mogelijk worden gemaakt door diezelfde wet – ,waardoor het bestaan van grote monopolies niet in botsing komt met die wet.

Een dergelijke wet stabiliseert voornamelijk de verhoudingen in het midden- en kleinbedrijf – om te verhinderen dat de economie verstoord geraakt door bijvoorbeeld wilde concurrentieslagen – zonder evenwel de macht van de monopolies aan te tasten, terwijl het tegelijkertijd mogelijk blijft dat de monopolies geleidelijk hun macht uitbreiden en kleinere bedrijven opslokken.

Reeds voor de machtsovername door de nationaalsocialisten was deze staatsvorm echter al in grote lijnen aanwezig. De Rijkspresident beschikte in geval van Notstand over een eigen verordenings- (d.i. wetgevende) bevoegdheid, waarvan in ruime mate gebruik werd gemaakt.

In de periode 1930-1933 regeerden de achtereenvolgende kabinetten-Brüning, -Von Papen en -Von Schleicher vanwege het ontbreken van een parlementaire basis uitsluitend op grondslag van presidentiële decreten, daarom ook wel Präsidialregimes genoemd. Dit is dan ook de door Thalheimer bedoelde periode, waarin het parlement niet (meer) in staat – en voor de bourgeoisie niet langer geschikt – is om nog te kunnen regeren.

De rechter speelt zijn rol als staatsorgaan. Hij dient de wet en de op de wet gebaseerde bestuursmaatregelen van de regeringsbureaucratie toe te passen. Doordat de wetgeving en de daarop gebaseerde bestuursmaatregelen van de overheidsbureacratie sterk zijn toegenomen, wordt de rechter dus meer en meer gebonden aan de politiek van de staat. Als oplossing voor het probleem om een – in principe – algemene (en dus voor een ieder gelijke) wet toe te passen in een situatie, waarin er niet langer gelijke burgers (= leden van de bourgeoisie) op basis van de vrije concurrentie bestaan, maar waarin monopolies de economie beheersen, worden in het recht zogeheten Generalklauseln opgenomen. Het betreft hier juridische begrippen als “billijkheid”, “behoorlijk”, “goedertrouw” e.d. Dergelijke Generalklausel in de wet verschaffen aan rechter (en bestuursapperaat) carte blanche om een in principe algemene wet verschillend (d.i. rekening houdend met de omstandigheden en de machtsverhoudingen) toe te passen. Door toedoen van de Generalklausel, die een blanco element invoert in de norm, wat het overheidsoptreden – immers gebaseerd op die norm – niet meer voorspelbaar maakt, wordt de formele rationaliteit van de wet verstoord. Voor de monopoliebourgeoisie is dat geen probleem, want voor haar, met haar verbindingen met het staatsapperaat, is de wet niet irrationeel. Generalklausel duiken dan ook terstond op in het recht, zodra er monopolies ontstaan.

Deze ontwikkeling naar een staatsvorm, waarin wetgeving en bestuur in de hand van de rijkskanselerij worden geconcentreerd, gehoorzaam gevolgd door de rechters, terwijl de Rijksdag (het parlement) steeds meer een secundaire rol speelt, wordt met instemming begroet door een staatsrechtsprofessor als Carl Schmitt. Schmitt verklaart deze ontwikkeling uit het feit, dat de periode van de vrije concurrentie thans verleden tijd is, en daarmee ook de basis van het parlement opgehouden heeft te bestaan. Dat is ook de reden waarom Schmitt – en vele anderen met hem – de nationaalsocialistische staat toejuicht, waarin bovengeschetste ontwikkelingstendens uit de periode van de Weimarstaat in nog zuiverder vorm tot uiting komt.

De kenmerken van de monopoliekapitalistische staatsvorm, die zich tijdens het Derde Rijk in zijn meest zuivere vorm (omdat het klassenkarakter van de staat openlijk was) hebben gemanifesteerd, waren alle in aanzet reeds aanwezig in de monopoliekapitalistische staten van vóór de oorlog, en keren dan ook terug in de naoorlogse monopoliekapitalistische staten.

In de parlementaire democratieën van na de oorlog treedt het overheidsbevel in de plaats van de algemene wet; de bevoegdheid van de overheid om bevelen uit te vaardigen steunt op de wet, wat betekent dat het wetsbegrip in een monopoliekapitalistische staat totaal verschilt van het liberale wetsbegrip. Dit soort wetgeving, rijkelijk bestrooid met termen als “rechtvaardigheid”, “billijkheid” e.d., als basis voor het overheidsbevel toont de klassenverhullende functie van het parlement, dat een acclamatieve, legitimerende rol vervult, nauwelijks of überhaupt géén initiatieven neemt en het overheidsbeleid niet aan een diepgaande kritiek of analyse onderwerpt.

Voor de bourgeoisie is het parlement dan ook niet het instrument om de politiek van de staat te onderwerpen aan haar belangen. Het parlement heeft voornamelijk een functie naar beneden toe, naar de massa's; het versluiert het klassenkarakter van de staat, waarmee de bourgeoisie veel directere verbindingen onderhoudt dan via het parlement.

De monopoliekapitalistische staat als klassenstaat is bereid en erop voorbereid om de belangen van de bourgeoisie op grootscheepse wijze te verdedigen, niet alleen in het alledaagse bestuur, maar ook en onverbiddelijk in geval van een ernstige bedreiging van de kapitalistische eigendomsverhoudingen. De voorbereiding is in elk geval al tot in de puntjes geregeld in een serie noodwetten (dus door het parlement goedgekeurd).

In geval van een “oproerige beweging, die de rechtsorde en het volksbestaan bedreigt” kan de regering de burgerlijke uitzonderingstoestand of de toestand van verhoogde waakzaamheid afkondigen. In dat geval kan de Minister van Binnenlandse Zaken bijvoorbeeld het verspreiden van geschriften verbieden, iedereen laten arresteren, die de openbare orde in gevaar zou kunnen brengen, en het beleggen van bijeenkomsten en demonstraties strafbaar stellen. Voor het verlengen van de burgerlijke uitzonderingstoestand is de goedkeuring van het parlement vereist.

Tijdens de langdurige (wilde) staking in de Rotterdamse haven (in 1970) bestond er bij (delen van) de Nederlandse regering het plan om de burgerlijke uitzonderingstoestand af te kondigen. In de kazernes in Brabant waren de troepen dan ook al in staat van paraatheid gebracht.

Uit dit alles kan evenwel niet worden geconcludeerd dat fascistische en monopoliekapitalistische staat identiek zouden zijn.

Weliswaar zijn een aantal functies van de monopoliekapitalistische staat dezelfde als die van de fascistische. Maar het onverhulde klassenkarakter van de Duitse fascistische staat, de openlijke terreur tegen de arbeidersbeweging, de fysieke eliminatie van communisten, van het tussenkapitaal (en dus van de joden), waren allen typisch voor een bijzondere fase van het Duitse monopoliekapitalisme, dat zich gedwongen zag de militaire confrontatie aan te gaan met de nog sterkere imperialistische rivalen van de Verenigde Staten. Het Duitse nationaalsocialisme was een noodsprong van het kapitalisme, maar dan één, waarvan de Duitse kapitalistische monopolies zelf niet slechter zijn geworden. Het kind van de rekening hiervan was daarentegen wèl de Duitse arbeidersklasse, die bij gelijkblijvende lonen en geringere consumptie een grotere productie diende te leveren. Hetzelfde gold natuurlijk voor de arbeidersklasse in alle andere landen, die bij de oorlog waren betrokken, want ook daar heerste de oorlogseconomie.

De verscherpte uitbuiting van de arbeidersklasse door de Duitse monopolies en de exploitatie van de bezette gebieden, onder gebruikmaking van de Arbeitseinsatz, kon géén permanent systeem blijven, omdat het op zijn grenzen stootte door de fysieke uitputting van de arbeiders en omdat het Duitse imperialisme zich uiteindelijk neer moest leggen bij het – met name militaire – overwicht van het Amerikaanse imperialisme.

De militaire nederlaag van het Derde Rijk in 1945 vormde voor de Duitse monopolies het signaal om de productie en meerwaarde-accumulatie voort te zetten, maar dan zonder de extreme uitbuiting, die tijdens het Derde Rijk had plaatsgevonden. Voor de Duitse bourgeoisie was dit de enige mogelijkheid überhaupt om de uitbuiting van de arbeidersklasse nog te kunnen voortzetten!

Als voorwaarde voor de voortzetting van de uitbuiting van de arbeid is in het tijdperk van het monopoliekapitalisme de actieve medewerking van de leidingen van de sociaaldemocratie (sociaal-reformisten) alsmede van de reformistische vakverenigingen in het staatsapparaat absoluut onontbeerlijk gebleken. Bovendien boden naderhand de EEG (Europese Economische Gemeenschap), de Derde Wereld (een industriestaat heeft na de Tweede Wereldoorlog géén koloniën meer nodig om in de Derde Wereld goedkope grondstoffen te verkrijgen en er afzetgebieden te vinden) evenals de handel met het Oostblok voldoende achterland voor de Duitse monopolies.

Samengevat: 

Het is niét juist om te spreken van een sinds enkele jaren plaatsvindende 'fascisering' dan wel van een fascistoïde ontwikkeling. Alle fenomenen, die men aanvoert om de these van de 'fascisering' te onderbouwen, zijn al sinds zeker zeventig jaar aanwezig, namelijk sinds het ontstaan van het monopoliekapitalisme. Wat inderdaad niet wegneemt, dat de nationaalsocialistische staat destijds de meest openlijke verschijningsvorm van de monopoliekapitalistische staat is geweest.


donderdag 29 november 2018

'Sit in'-Acties door Militante Metallo's bij Werkgeverskoepel FME


Afgelopen maandag drongen circa 150 militante vakbondsleden uit de Metalektro-sector (voorheen grootmetaal) de hal van het kantoorgebouw van de werkgeverskoepel FME in Zoetermeer binnen. Een ,,vreedzaam” protest volgens het FNV; ,,intimiderend” volgens een woordvoerder van het FME. Zo zou er geroepen zijn: ,,als je nou niet opendoet, sla ik je op je muil". Hoe dat allemaal ook moge zijn, vast staat dat deze metallo’s terecht kwaad zijn over de lange onderhandelingen omtrent een nieuw CAO. Al sinds juni zijn er meerdere stakingen geweest bij bedrijven zoals Scania, Siemens, VDL en Fokker. Vorige week waren er nog stakingen in Limburg en zelfs gisteren in Friesland en Nijmegen. Het CAO Metalektro geldt voor ong. 150.000 werknemers in bedrijven als DAF en Stork, arbeiders van deze bedrijven hebben meegedaan aan deze sit-in actie. Het cao-conflict draait voornamelijk om een gewenste 3,5% loonsverhoging. FME is alleen tot 2,5% bereid. Een belachelijk bedrag, zeker in deze tijd van economische conjectuur. Andere eisen zijn o.a. meer zeggenschap over uren en meer lonen voor jongeren en inhuurkrachten.





Om deze sit-in beëindigen, moest het FME de hulp van de politie inroepen. Dit is diezelfde politie (de “fijne collega’s in uniformen") waarvan de woordvoerder van de politievakbond afgelopen 15 september jl., op de dag van de oprichting van de SP-beweging 'Tijd voor Rechtvaardigheid', nog opriep om kwaadwillige politici op te sluiten ,,in zijn cellen (!)” wanneer er geen sociale gerechtigheid kwam in het land. Stoere praat en sympathiek wanneer zijn collega agenten zelf in een Cao-conflict zijn beland, maar wanneer hun dispuut eenmaal is opgelost, treden zij vervolgens wél op tegen andere “collega’s” die in hun strijd voor sociaal recht schijnbaar de wet overtreden.



Links: Vakbonds-smeris Jan Struijs van de Nederlandse Politiebond 
- Spreker op de SP manifestatie te Rotterdam
Rechts: FNV voorzitter en voormalig smeris bij de Koninklijke Marechaussee: Han Busker  


Nee, de politie is geen “arbeider in uniform", maar de knuppelgarde van het kapitalisme (van diegenen die alle bedrijven en infrastructuur als privé eigendom in bezit hebben). De politie krijgt haar eisen wel vervuld, de overtollige arbeidersmassa’s moeten maar bitter strijden voor enkele restjes.

Daarom nog altijd: Smeris, weg uit de arbeidersbeweging!*




_________

* In het kader van 100 jaar Novemberrevolutie wijzen we op de foutieve stelling in grote delen van de linkse beweging, dat de op 4 januari 1919 ontslagen Berlijnse politiecommissaris Emil Eichhorn, lid van de linker vleugel van de USPD, een “socialistische” agent zou zijn. Hij was een agent in dienst van een kapitalistische staat, van de SPD-regering sinds eind 1918, en dus een bourgeoisie agent. Want, hoewel regeringen veranderen blijft de agent hetzelfde. Hoewel Eichhorn met enkele “socialistische” geestverwanten na de Novemberrevolutie soms zij-aan-zij door de straten van Berlijn patrouilleerde (de Sicherheitswehr), verlieten zij Eichhorn tevens net zo snel, en dienden zij de contrarevolutie, gedurende de “Spartakist opstand" in Berlijn januari na zijn ontslag.

maandag 12 november 2018

Onafhankelijkheidsdag in Polen: Autonoom Verzet in Warschau!


Afgelopen zondag vierde de Poolse natie honderd jaar onafhankelijkheid. Vanaf 2007 wordt deze historische gebeurtenis jaarlijks herdacht met een onafhankelijkheidsmars (Marsz Niepodległości) door de Poolse hoofdstad Warschau. Deze viering van het Poolse nationalisme trekt vele tienduizenden deelnemers uit alle lagen van de Poolse bevolking. Sinds 2017 formeren autonome nationalisten een Zwart Blok op deze mars, om daarmee een revolutionair-nationalistisch geluid uit te dragen. Reden genoeg voor een Nederlandse ACN/AKN-delegatie om naar Warschau te reizen en hier aan deel te nemen. 


Honderd jaar onafhankelijkheid 

De Poolse geschiedenis begon met de komst van Slavische volkeren die zich in de 6e en 7e eeuw vestigden in het gebied. In de 10de eeuw vormde daar een koninkrijk, dat vanaf 1569 als het Pools-Litouws Gemenebest bekend zou komen te staan. Het Pools-Litouws Gemenebest kende een turbulente geschiedenis. Vanaf begin 17e eeuw verkeerde het in een reeks conflicten en oorlogen, waarbij delen van het land geannexeerd werden door Pruisen, Rusland en Oostenrijk; de Eerste Poolse Deling.

De Tweede Poolse Deling vond plaats na de Russisch-Poolse oorlog van 1792. De laatste verdeling van Polen vond plaats na een opstand tegen de Pruisische en Russische indringers. Deze opstand kwam ten einde met de slag van Maciejowice (1794). Wat nog restte van het oude Gemenebest werd verdeeld onder Rusland, Pruisen en Oostenrijk in 1795.

Het zou maar liefst 123 jaar duren voordat Polen na de Eerste Wereldoorlog (1918) weer een onafhankelijke natie zou worden.


Józef Piłsudski wordt op 10 november 1918 vrijgelaten uit Duits gevangenschap in Magdeburg en helpt de Tweede Poolse Republiek te stichtten.



Repressie

Dit jaar begon de onafhankelijkheidsmars niet zonder problemen. Een golf van repressie teisterde de organisatie van de mars. Allereerst leek het er op dat de mars verboden zou worden door de liberale Burgemeester van Warschau: Hanna Gronkiewicz-Waltz. Na dit verbod kondigde de rechts-conservatieve regering van de 'Recht en Rechtvaardigheid' partij (PiS) een 'alternatieve onafhankelijkheidsmars' aan. Deze officiële - door de Poolse staat georganiseerde - mars zou geleid gaan worden door president Andrzej Duda. Bij deze officiële mars zouden de radicalere nationalistische geluiden van de organisaties (zoals Obóz Narodowo-Radykalny (ONR) en Młodzież Wszechpolska) die de onafhankelijkheidsmars begonnen waren, niet langer getolereerd worden.


Andrzej Duda van de rechts-conservatieve PiS ontvangt EU gezant Donald Tusk 


Op donderdag sneuvelde het verbod van Gronkiewicz-Waltz echter bij de rechtbank van Warschau. Omdat er nu gevreesd moest worden voor ongeregeldheden tussen de officiële en de nationalistische mars werd er door de regering naar een oplossing gezocht. Op zaterdag sloot de Poolse regering en een van de belangrijkste organiserende partijen - Obóz Narodowo-Radykalny (ONR) onder leiding van Robert Bąkiewicz en Robert Winnicki, een schaamteloze deal om gezamenlijk de mars te organiseren. Dit onder de voorwaarde dat radicalere en revolutionaire nationalisten van de mars geweerd zouden worden!


Robert Bąkiewicz en Robert Winnicki van de Obóz Narodowo-Radykalny (ONR)


Samen met het verraad begon de Poolse regering een campagne van hevige repressie tegen Poolse nationalisten - vooral tegen de organisatoren van het autonome Zwart Blok. Hierbij werd 'anti-terrorisme' wetgeving ingezet om op basis van vage verdachtmakingen meer dan honderd Poolse nationalisten door speciale terreureenheden te laten arresteren en hun huizen te doorzoeken.

Intimidaties door de smeris en de geheime dienst waren aan de orde van de dag. Websites werden op zwart gezet en verschillende buitenlandse delegaties van nationalistische bewegingen werden aan de Poolse grens terug gestuurd. Twee nationalistische congressen en een concert in Warschau werden eveneens op last van de smeris afgelast. Deze konden echter op geheime locaties alsnog doorgang vinden, maar de organisatoren werden na afloop gearresteerd.

Ook hier weer lijken de lessen uit het verleden nog steeds relevant zijn: de revolutionaire voorhoede wordt door de rest van de nationale beweging verraden en afgeserveerd d.m.v. een smerige deal met de reactie (in dit geval vertegenwoordigt door de PiS-regering) te sluiten.


Speciale Anti-Terreur Eenheden van de 'Agencji Bezpieczeństwa Wewnętrznego' (ABW) arresteren nationalistische activisten



De onafhankelijkheidsmars

Meer dan 200.000 deelnemers verzamelden zich afgelopen zondag in Warschau. Ondanks de golf van repressie die de Poolse staat tegen revolutionaire nationalisten ontketend had, verzamelden honderden autonome nationalisten zich in het centrum van Warschau om daar een Zwart Blok te vormen. Ondanks de strenge grenscontroles waren er delegaties uit Nederland, Rusland, Griekenland, Spanje en zelfs Malta aanwezig. Opvallend was ook het grote aandeel vrouwelijke deelnemers.




Hoewel het Zwart Blok honderden deelnemers had, in tegenstelling tot de duizenden van het jaar ervoor, mag dit gezien de vele obstakels nog steeds een groot succes heten! Met hun voorkomen, hun symbolisme, hun pyrotechniek en hun radicale slagzinnen onderscheidde het Zwart Blok zich binnen de onafhankelijkheidsmars van de reactionairen. Ondanks de gevaren van repressie en politieke vervolging gingen ze de straten op om te strijden voor hun idealen. Het Zwart Blok vertegenwoordigde dan ook het geluid van de nationale revolutie!




Met deze actie maakten de Poolse autonome nationalisten een vuist tegen de repressie van de reactionaire PiS. Een systeempartij die de honderdjarige onafhankelijkheid van de Poolse natie wilde kapen voor eigen gewin. Ze verzetten zich tegen de opportunistische en verraderlijke weg die de organiserende partijen (o.a. Obóz Narodowo-Radykalny (ONS) en Młodzież Wszechpolska) voorts ingezet hebben. 




Ondanks al deze repressie, de verboden en het verraad hield het Zwart Blok gedurende een groot gedeelte van de dag stand. In de avond werden de spandoeken en vlaggen opgeruimd en loste het Blok op in de massale menigte in de straten van Warschau. Hier werd wederom bewezen: Verzet laat zich niet verbieden! 




Ten slotte: dank aan de organiserende Poolse kameraden voor hun moed en gastvrijheid!