dinsdag 9 mei 2017

Arbeiterkampftag: Waarom de 'Allianz' klote is!



Verklaring van 'Die Ungemuetlichen' aangaande het spontane protest in Apolda 1 Mei j.l.: 

Op de eerste mei demonstreerden wij tegen kapitalisme, oorlog en uitbuiting. De Dag van de Arbeid is voor ons een dag van strijd voor waardige arbeidsomstandigheden en voor een duurzame economische politiek. Het is op deze dag dat we de elites laten zien, hoe zeer wij dit systeem en deze maatschappij afkeuren. Via een revolutionaire omwenteling moet er een nieuw nationale socialisme voor in de plaats komen, welke een menselijk en rechtvaardig systeem voort zal brengen.

De smeris en de sociaal democraten hebben op de eerste mei hun eigen wetten overtreden en daarmee wederom aangetoond hoe waardeloos afspraken op papier wel niet zijn. Zij gebruiken deze wetten slechts als het hen uitkomt en schaden daarmee het soevereine volk. De smeris handelde op deze eerste mei wederom als handlanger van een volksvijandig systeem. Tegen betaling volgden zij bevelen op, treiterden ze ons en pakten zij de Duitse jeugd hun recht op manifestatie en vrije meningsuiting af. Met hun hondenbrigades, dubbele hekwerken, vernederende controleposten en meer verkondigden zij vroegtijdig hun escalatiepolitiek. De inzet van een politiehelikopter maakte het geheel af. Wederom werden wij geconfronteerd met zwaar uitgeruste, vermomde, geweldbereide en bepantserde troepen van de politie, die vijandig tegenover ons stonden.        

Schouder aan schouder met de burgerlijke staat lukte het 'antifascisten' en een allegaartje van andere groepen om de straten te blokkeren - de knokploegen van de staat waren geenszins bereid om deze blokkades te ruimen. Dit terwijl de waterkanonnen en blokkaderuimers wel aanwezig waren. Op deze manier was de  Arbeiterkampftag voor ons onbereikbaar, omdat de slagkracht om door te breken te klein was. Het was daarom dat wij in plaats van tot het uiterste een confrontatie met de smeris te zoeken, wij onze weg vonden naar Apolda. Samen met andere vreedzame activisten zetten wij daar onze manifestatie voort. Een andere groep probeerde in Merseburg te demonstreren, maar dat werd daar door arrestatie eenheden verhinderd. In Köthen lukte het eveneens om zonder begeleiding te manifesteren, totdat de toegesnelde arrestatie eenheden hen naar het station begeleiden.

Naast een paar motorkappen van de uitgerukte smeris moesten in Apolda ook de ruiten van de Allianz verzekeringsmaatschappij er aan geloven. Waarom alles nu zo halfslachtig wild, of eigenlijk veel te onschuldig plaats vond, willen wij door middel van de volgende voorbeelden ophelderen:


Winsten door wapenexport! 

Volgens Facing Times verdient de Allianz SE aan wapenexport. Rheinmetall is in deze context een bekende speler. Wie geld verdient met clusterbommen en pantsers, creëert vluchtelingen, terreur en verdrijvingen.


Speculatie op voedingsmiddelen! 

De Allianz SE speculeert op levensmiddelen en maakt daarmee de honger van miljoenen mensen tot een kansspel. Wie op voedingsmiddelen speculeert, schept internationale problemen: Honger, onrecht, asociale economische structuren.  



De Allianz lobbyt!  

Volgens transparante EU-registers heeft de Allianz SE in het jaar 2014 tussen de 1,5 en de 1,75 miljoen euro, evenals €300.000 aan directe lobbyen, aan de EU-organen gespendeerd. Dat het geld niet wordt aangenomen om de belangen van het volk te dienen, wordt aan de hand van het volgende duidelijk: ,,De Allianz had een vertegenwoordiger, directielid Helga Jung, in de zogenaamde Speciale commissie voor de versterking van investeringen in Duitsland. Deze speciale commissie  bestond tussen 2014-2015 en had als doel private investeringen in de openlijke infrastructuur (Public Private Partnership [PPP]) te bevorderen”.


We kunnen met recht stellen dat: De Allianz gewoonweg klote is! 

Ze is mede schuldig aan vluchtelingenstromen, aan oorlog en daarmee ook aan de massa-immigratie. Wanneer wij daadwerkelijk onze grenzen willen sluiten, dan moeten wij eerst de profiteurs van de geglobaliseerde terreur in het eigen land bestrijden. Zolang zij daarvan profiteren en de politiek naar hun hand blijven zetten, zolang zij met een gerust hart tegen Duitsland kunnen blijven ageren, blijft ieder verlangen naar nationalisme en socialisme een lege leus.  


Bestrijdt de nationale en internationale kapitalisten!

Wat is dat nou voor een klotenbende! Wanneer miljoenen mensen, evenals ons eigen volk, sterven?



Getekend, 

Die Ungemuetlichen



dinsdag 2 mei 2017

Dossier Trilaterale Commissie


Politbureau van het kapitalisme oftewel het complot tegen de volkeren



Rambouillet, Porto Rico, Londen, Bonn, Guadeloupe, Tokio, Parijs: Sinds 1975 volgen de economische topconferenties van de toonaangevende regeringspolitici uit de Verenigde Staten, West-Europa en Japan elkaar in snel tempo op. In kleine kring worden aldaar de urgente economische en politieke vraagstukken, die alle volkeren ter wereld direct aangaan, bediscussieerd en worden er besluiten dienaangaande genomen. De kopstukken van de kapitalistische wereld pogen hun belangen ondanks de crisis en de interne tegenstellingen gezamenlijk te coördineren. In dit verband valt vaak het woord 'Trilaterale Commissie'. Wat is nu precies deze 'Trilaterale Commissie' en welke krachten zitten er eigenlijk achter deze zogeheten “groepering van privé-personen afkomstig uit West-Europa, Japan en Noord Amerika”, waaruit onder meer ook het overgrote deel van de regering-Carter afkomstig is?


“We dienen het internationale systeem te vervangen door een globaal systeem, waarin de in de laatste tijd ontwikkelde actieve en creatieve krachten zijn geïntegreerd. Dit systeem dient Japan, Brazilië, de OPEC-landen en zelfs de Sovjet Unie – in zoverre deze laatste gewild is überhaupt aan een globaal systeem deel te nemen – te omvatten. De realiteit van onze huidige tijd is, dat een moderne samenleving als de Verenigde Staten een centraal besluitvormingsorgaan nodig heeft (ter coördinatie en innovatie), dat niet uit 600 personen (het Amerikaanse Congres – red.) kan bestaan.” 


“De gemeenschap van industrielanden, die geleidelijk bezig is te ontstaan, zal zich in een betere positie bevinden om echte ontspanning (détente) na te streven, waarvan het doel niet een kunstmatig onderverdeelde aardbol is, die zich vanaf het allereerste begin in een conflict bevindt met de globale dynamische oerkrachten, maar een wereld, waar de gebieden die onder uitsluitend nationale heerschappij staan verdwijnen.” 


Aldus omschreef nationaal veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski, 'de Kissinger van de regering-Carter', de doelstelling van de Trilaterale Commissie (in het vervolg aangeduid met TC).


De TC werd in 1972 in Knokke-le-Zoute (België) in het leven geroepen door David Rockefeller, voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Chase Manhattan bank en vanaf 1970 president van de Council on Foreign Relations (CFR)**


Op de gedachte om een “groepering van privé-personen uit West-Europa, Japan en Noord-Amerika” – vandaar de term 'trilateraal' – te vormen kwam de dollarmultimiljonair in de wandelgangen van een bijeenkomt van de Bilderbergconferentie.***


De TC, 'het werkelijke bevoorradingsdepot van de regering-Carter' ('Newsweek', 28 maart 1977) – meer dan 20 van haar leden waren tot nu toe werkzaam in de regering-Carter – is nòch een zondagsdebatteerclub van een handjevol belangrijke heren in de kapitalistische wereld, nòch een toevalskindje. Het jaar van oprichting – 1972 – is ook géén toeval: De crisis klopte destijds reeds bij de kapitalistische landen aan de deur en de totale nederlaag van het Amerikaanse imperialisme in Vietnam tekende zich inmiddels duidelijk af. De ouderwetse methoden van het westerse imperialisme deugden niet meer, de noodzaak van een nieuwe strategie drong zich op aan de beleidsmakers van het wereldkapitalisme.



“Het Noorden verenigen” 


Op 23 oktober 1972 vond in Tokio reeds de eerste bijeenkomst van de TC plaats. Naast oprichter David Rockefeller en toonaangevende politici zoals Zbigniew Brzezinski, Walter Mondale, Cyrus Vance, Andrew Young, Michael Blumenthal en Raymond Barre zijn ook tal van vertegenwoordigers van industrie en bankwereld aanwezig: Giovanni Agnelli (Fiat), Chujiro Fujino (Mitsubishi), Umberto Colombo (Montedison), Edmond de Rothschild (Finanz AG Holding) en Hans-Günther Sohl (Thyssen).


Voorts afgevaardigden van de grote concerns Cola-Cola, Exxon, Dunlop, Royal Dutch, Barclays Bank, Bendix, Credietbank Nippon Steel enz. enz. De 200 leden van dit gerespecteerde orgaan, opgedeeld in drie gelijke delen over de Verenigde Staten, Japan en West-Europa, beschouwen zichzelf als de baanbrekers van een aaneensluiting op brede grondslag van de drie centra van het ontwikkelde kapitalisme. Gefinancierd wordt de TC door de volgende belastingvrije stichtingen:


– Rockefeller Brothers Fund 

– Ford Foundation 

– Lilly Endowment 

– Kettering Foundation 


De dagelijkse leiding ligt in handen van een comité, het 'Trilateral Political Committee' geheten (kortweg het 'politbureau'). De TC komt enkele malen per jaar bijeen in onregelmatige intervallen.


Tegen wie de stootrichting van de TC is gericht, vertrouwde ons TC-lid Richard Ullman, hoogleraar voor internationale betrekkingen aan de universiteit van Princeton, toe:

“Een essentiële reden om het Noorden te verenigen is daarin gelegen om des te slagvaardiger met het Zuiden, d.w.z. de ontwikkelingslanden, te kunnen onderhandelen.” ('Trilaterialism: Partnership For What?' in: 'Foreign Affairs', oktober 1976)


Een formulering, die voor de Japanse vertegenwoordigers van de TC duidelijk te openhartig en daarmee te onvoorzichtig was, aangezien deze laatsten bevreesd waren, dat “de trilaterale leiding van de rijke industrielanden ressentimenten en wantrouwen bij de communistische landen en de landen van de Derde wereld zou kunnen provoceren”. Daarom stelden de Japanners voor om “een buitengewoon grote omzichtigheid aan de dag te leggen m.b.t. de openbare verklaringen van de nieuwe commissie”, zoals de 'Washington Post' destijds inzake de eerste bijeenkomst van de TC wist te vermelden.


Hetgeen door de Trilateralen daarna ook ter harte werd genomen: Sedertdien komt men nog bijna uitsluitend in het geheim bijeen en zijn de rapporten en documenten van de TC nog slechts voor een handjevol ingewijden toegankelijk.



Amerikaanse hegemonie 


Al meteen vanaf het begin maakten de Amerikaanse vertegenwoordigers duidelijk wie de teugels van de TC op het niveau van de wereldpolitiek in handen dient te houden.


“Het trilateralisme als de uitdrukkingsvorm van de internationale relaties in zijn totaliteit is geheel en al een Amerikaanse uitvinding. De TC is in de Verenigde Staten in het leven geroepen en groot geworden. Vanuit het oogpunt van Washington gezien – onafhankelijk van welke regering er op dat moment ook aan de macht moge zijn – is een doeltreffend trilateralisme er steeds op uit om beperkt te blijven tot een efficiënte ondersteuning van de Amerikaanse standpunten door de Europeanen en Japanners.” (Prof. Richard Ullman in 'Foreign Affairs', oktober 1976)


Het trilateralisme is dus niets anders dan een meer subtiele, meer verfijnde variant van de Amerikaanse hegemonie voor de “vrije wereld”, welke Henry Kissinger in 1963 in zijn befaamde redevoering 'Het jaar van Europa' iets te onvoorzichtig had aangekondigd. Een soort van 'New Deal' op wereldschaal teneinde het kapitalisme, ondanks de crisis waarin het verkeert, zo onveranderlijk als mogelijk te behouden, deze keer echter door middel van een meer “reformistische” politiek, in het kader waarvan programma's van ontwikkelingshulp worden voorgesteld met het doel om te komen tot “een meer uitgebalanceerde economische orde binnen de bestaande structuren van de vrije markteconomie”. 


Amerikaans messianisme, of beter gezegd imperialisme, in een nieuwe variant: “Globale drijfveer van de Verenigde Staten is het om de verandering te stimuleren”, stelt Brzezinski (Ámerica In A Hostile World', 'Foreign Affairs' Nr. 23 p.92). Hij ziet in de Verenigde Staten daarom “het sociale laboratorium van het universum”. 


De TC dient te komen tot “een gemeenschappelijke politieke noemer van de regeringsinstanties van de drie centra, d.w.z. van de Noordelijke kapitalistische industrielanden”, benadrukte TC-voorzitter**** Brzezinski (tevens adviseur van president Carter inzake de nationale veiligheid) tegenover zijn Amerikaanse, WestEuropese en Japanse vrienden.



Het contra-offensief ('roll back') 


“De wereld veranderen – teneinde deze op die manier beter te kunnen behouden, zoals zij thans is” – dat is het credo van de baronnen van het internationale kapitaal, die bij de TC de deur platlopen. Daarom mag uitgerekend vandaag de dag, waar het imago van de vrije markteconomie door de crises, inflatie en werkloosheid zware schade heeft opgelopen, de ideologische strijd tegen het socialisme en het communisme niet worden verwaarloosd:


“Het is een vergissing om de macht van het woord en van de ideeën te onderschatten”, benadrukte dan ook een buitengewoon prominente woordvoerder van de TC, namelijk de Amerikaanse president Jimmy Carter (redevoering aan de NotreDame-universiteit, 22 mei 1977).


Zijn campagne voor de mensenrechten diende vooral ter rehabilitering van de “waarden van het kapitalisme”. Om wat voor waarden het daarbij gaat, maakte Carter ons ook nog eens duidelijk:


“De vrijheid (…), dat is de vrije en open concurrentie, welke de creatieve verandering op het gebied van de politiek, handel, wetenschap en kunst voortbrengt.” (Redevoering aan de Notre-Dame-universiteit e.v.)


Teneinde de ideologische strijd beter te kunnen voeren, heeft de TC twintig intellectuele persoonlijkheden aangeworven, waaronder tien professoren (o.a. Richard Ullman), zes directeuren van toonaangevende onderzoeks- en opleidingsinstituten, drie uitgevers (o.a. de uitgever van de tijdschriften 'Time' en 'Foreign Policy') benevens een journalist (Carl Rowan, de enige kleurling in deze intellectuele 'Brain Trust').



Trilaterale prioriteiten 


De TC heeft zich bepaalde prioriteiten ten doel gesteld die door middel van de 'troefkaarten' van de kapitalistische wereld – de economische macht van de Verenigde Staten en haar westerse geallieerden, haar militaire slagkracht en haar internationale instrumenten voor de economische overheersing van de wereld, zoals de Wereldbank en het IMF – verwezenlijkt dienen te worden:


– 'Externe Collaboratie' – de “nauwe samenwerking tussen de industriële democratieën”. (Carter)


– 'Interne Collaboratie' – het interne evenwicht binnen de hoogontwikkelde “driehoek” (Verenigde Staten, West-Europa, Japan) behoeden voor sociaal en politiek ongewenste veranderingen en dáár, waar dit evenwicht op een wankel fundament berust (d.w.z. dáár, waar de georganiseerde arbeidersbeweging sterk is, i.c. West-Europa) desnoods met delen van deze georganiseerde arbeidersbeweging (d.i. de rechtse sociaaldemocratie en de rechtse leidingen van de vakbeweging) samenwerken.


Dat verklaart ook de aanwezigheid van individuele sociaaldemocraten in de TC. Daarom ook het aandringen van de TC op een sterk, geïntegreerd Europa teneinde broodnodige democratische veranderingen, waardoor enkele Europese landen worden “bedreigd”, een slag vóór te zijn. “Een actief, met ons verbonden Europa komt overeen met ons idee van een stabiel internationaal systeem”, verklaarde TC- kopstuk Brzezinski in een interview met 'Le Monde' (2 mei 1979) met betrekking tot de verkiezingen voor het Europese parlement (juni 1979). Want aan de toenemende internationaliteit van het kapitaal (de multinationals) dienen ook adequate supranationale instellingen op het politieke vlak ter beschikking worden gesteld.


– Re-organiseren van de betrekkingen tussen de industriestaten en de landen van de Derde Wereld – beter bekend onder de slogan 'Nieuwe internationale economische orde' of ook wel 'Noord-Zuiddialoog': De toenemende afhankelijkheid van de trilaterale landen van de ontwikkelingslanden voor wat energie en grondstoffen betreft evenals het sterker worden van de wil tot onafhankelijkheid bij enkele van deze landen maakt een nieuwe, meer subtiele politiek noodzakelijk, een soort van “neokolonialisme op kousenvoeten”.


– Een “vreedzame cöexistentie die van conflicten is gevrijwaard” met de staten van het socialistische blok – voor de TC betekende dit, dat men wat de bewapening betreft steeds een neuslengte voor diende te liggen op de USSR, echter zonder daarbij het risico van een nucleair conflict al te zeer aan te wakkeren. Ook het gebruik maken van de scheuring binnen het socialistische blok (tussen de pro-Sovjetvleugel ener- en de pro-Chinese vleugel anderzijds) vormde hiervan een onderdeel.


De “koude oorlog” was weliswaar vanwege de verzwakking van het westerse imperialisme niet meer in dié mate mogelijk zoals nog in de jaren '50; in plaats daarvan werd de vlam (van de oorlog) bewust op 'lauwwarm' (aldus TC-lid Richard Ullman) gehouden.



Een nieuwe internationale taakverdeling 


“Het is waarschijnlijk, dat in de nabije toekomst het vraagstuk van oorlog en vrede meer afhangt van de economische en sociale problemen tussen Noord en Zuid als van de problemen inzake de militaire veiligheid tussen Oost en West”, constateerde president (en tevens TC-lid) Carter.


“Het Noord-Zuid conflict dient daarom als zodanig te worden aangepakt en niet meer in de hoedanigheid van de Sovjet-Amerikaanse rivaliteit”, stelt het 'Report of Task Forces to the Trilateral Commission' dan ook (Nr. 12/1976, p.9).


Omdat de landen van de Derde Wereld thans hun eisen hebben verhoogd (zoals de OPEC-landen) wil de TC ook een einde maken aan bilaterale betrekkingen tussen individuele industrielanden en de grondstofexporterende landen, omdat deze betrekkingen aan “de mogelijkheid om het energieprobleem op korte dan wel lange termijn op te lossen slechts afbreuk doen”. Daarom is de TC ook voorstander van meer representatieve Europese instellingen, die niet meer uitsluitend binnen het kader van Europa zelf blijven. Vanuit het oogpunt van een globale strategie van de kapitalistische landen tegenover het Zuiden wordt de integratie van Europa tot een uiterst belangrijke factor. Het nieuwe Europese parlement was een eerste succes voor de trilaterale strategie, want vanaf dat moment vormde West-Europa (de landen van de Europese Gemeenschap – EG) voor de Verenigde Staten en Japan niet meer langer een chaotische bende, “een ietwat onhandige partner” (rapport van de 'Task Forces' van de TC).


Aangezien de huidige economische crisis globaal is, streeft de TC ook naar een globale oplossing: Een hiërarchisch wereldsysteem gecentreerd rond de drie pijlers (Verenigde Staten-hegemonie; Japan – West-Europa, gedomineerd door de economisch sterke BRD). Deze drie pijlers dienen een vrijhandelszone te worden voor de 'multinationals' (de multinationale concerns), waar de specifieke wetenschappelijke, technische en culturele bijzonderheden van de afzonderlijke naties zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming worden gebracht en geminimaliseerd.


Want: “De industriële politiek wordt noodzakelijkerwijze steeds internationaler, in diè zin, dat de structurering van de ruimte op wereldvlak vandaag de dag in gelijke mate zowel door de concerns als door de naties wordt bepaald, of veeleer door de ontwikkeling van de strategieën van de grote ondernemingen, die zich een weg dwars door de naties banen”, aldus Alain Cotta, een toonaangevend theoreticus van de nieuwe trilaterale industriepolitiek ('Le redeploiement industriel. Etudes de politiques industrielles', in: La Documentation française 1977).


En verder: “De internationale dimensie van de industriële specialisaties maakt van de politiek van druk uitoefenen op de staten een noodzakelijk actiemiddel”.



De staten als lakeien van de multinationals 


Onder het motto 'Nieuwe economische orde' dienden de verschillende markten op wereldniveau steeds meer te worden geïntegreerd. Gepaard gaande met een gecoördineerde internationale politiek diende het operationele terrein van de 'multi's' te worden vergroot. En daartoe was er een nieuwe monetaire politiek nodig. Teneinde de monetaire chaos te bestrijden, stelde de TC voor om 'coöperatieve systemen' in het leven te roepen, “in het bijzonder voor landen met een fluctuerende (wisselende) koers” ('Voor een vernieuwd internationaal systeem', Document Nr. 14 v.d. TC-1977).


Eerste stap in deze richting: Het Europees Monetair Systeem (EMS). Het EMS, door de BRD met haar sterke D-mark op krachtige wijze beïnvloed, had o.m. tot doel om de Europese kapitaalbewegingen 'vrij' te maken en een gezamenlijk reservefonds aan te leggen, met behulp waarvan de “sterke” landen (BRD, Nederland, Denemarken) druk konden uitoefenen op de politieke, economische en sociale besluiten van regeringen, die zich geconfronteerd zagen met een sterke arbeidersbeweging (ZuidEuropa, Groot-Brittannië).


Tot de 'Nieuwe economisch orde' hoort ook een nauwe integratie van de ontwikkelingslanden in de kapitalistische vicieuze cirkel. Instrumenten daartoe zijn de Wereldbank, gedomineerd door de Verenigde Staten, die de internationale investeringsmarkt controleert, en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Bij het IMF, opgericht in 1944 na het verdrag van Bretton-Woods, zijn 130 landen aangesloten (uitgezonderd Zwitserland en de staten van het socialistische blok, maar wèl met inbegrip van Joegoslavië en Roemenië). Het IMF functioneert als een particuliere vennootschap, d.w.z. de afzonderlijke landen bezitten overeenkomstig hun aandelen (quota) van het IMF meer of minder stemmen. De Verenigde Staten, die het IMF tezamen met de BRD, Japan, Frankrijk en Groot-Brittannië domineren, bezitten met 20,8% van de stemmen een vetorecht.


De beide kredietinstellingen pompen (tegen een hoog rentepercentage) “ontwikkelingsgeld” in de landen van de Derde Wereld, waarmee aldaar industriële infrastructuren worden geschapen. De 'multi's' verplaatsen hun productie naar deze ontwikkelingslanden, waar de arbeidskrachten goedkoper en door dictatoriale regiems gekneveld zijn.


Intensief geïnvesteerd wordt er thans vooral in de agrarische sector van de ontwikkelingslanden, in de agro-voedingsmiddelensector. De TC had op een bijeenkomst begin 1978 een investeringsplan ter hoogte van 54 biljoen dollar voor de voedingsmiddelproductie in Azië uitgewerkt. “De vorming van een egalitaire agrarische samenleving in de Derde Wereld in de nabije toekomst is een onrealistische zaak”, luidde de conclusie van het verslag van deze conferentie van de TC. En verder: “De enige weg om het inkomensniveau van de arme plattelandsbevolking te doen stijgen is via een verhoging van de voedingsmiddelproductie.” 


Waarom uitgerekend Azië? “Omdat hier het grootste potentieel voor de verhoging van de voedingsmiddelproductie door middel van stijgende opbrengsten op reeds aanwezig cultuurland bestaat.” 


Wat hier echter óók bestaat, is een grote afzetmarkt voor de producten van de Amerikaanse agro-business, waarvan de topvertegenwoordigers zitting hebben in de TC. Ter verhoging van de agrarische opbrengsten zijn nieuwe technologieën, nieuwe meststoffen en nieuwe machines nodig, die splinternieuw door de Amerikaanse agromulti's worden geleverd. Het geïnvesteerde geld komt zodoende via de achterdeur weer terug, de ontwikkelingslanden raken nog dieper in de schulden en worden op die manier nog afhankelijker van de industriestaten.


De TC gaf in haar rapport van begin 1978 weliswaar toe, dat een hogere voedingsmiddelproductie en lagere prijzen “niet toereikend zullen zijn om het probleem van de ondervoeding in de Derde Wereld op te lossen”. Echter: “We mogen met ons 54 biljoen dollar-plan niet wachten, totdat we weten hoe de agrarische samenleving te hervormen.” 


De TC schrok er vervolgens zelfs niet voor terug om de catastrofale gevolgen van haar eigen politiek voor de Aziatische bevolking uiteen te zetten: “Natuurlijk is het gevaar aanwezig, dat onze investeringspolitiek in de Aziatische voedingssector enkele ongewenste sociale consequenties zal hebben, zoals een ongelijke inkomensverdeling of een polarisering binnen de plattelandsgemeenschap.” 


Ook delen van de internationale sociaaldemocratie spelen dit spel van de TC in de Derde Wereld mee. Zo werd bijvoorbeeld de 'Autonome Commissie voor Ontwikkelingsopdrachten', in 1976 in het leven geroepen door de president van de Wereldbank Robert McNamara, geleid door Willy Brandt, voorzitter van de Duitse SPD en van de 'Socialistische Internationale' (SI).


Precies zoals de TC heeft ook de 'Commissie-Brandt', zoals deze tegenwoordig wordt genoemd, de pretentie om een “onafhankelijke” instelling te zijn. Haar officiële raak: Regeringen adviseren. Haar doel: Coherente voorstellen uitwerken om een antwoord te bieden op de huidige crisis en om een sociaal conflict op wereldschaal te verhinderen.


Teneinde het rapport van zijn commissie voor te bereiden, dat eind 1979 werd gepubliceerd, had de sociaaldemocraat Brandt een team van experts samengesteld, waarvan tien vertegenwoordigers afkomstig waren uit de ontwikkelingslanden en zeven uit de trilaterale staten. Tot deze laatste groep behoorden o.m. Olaf Palme, voormalig socialistisch regeringsleider uit Zweden, Edward Heath, voormalig Brits regeringsleider (Tories), Eduardo Frei, ex-president van Chili (Christendemocraat), Pierre Mendès-France, ex-regeringsleider uit Frankrijk, G. Peterson, voormalig adviseur van president Carter voor internationale economische vraagstukken, alsmede Haruki Mori, ex-minister voor internationale economische vraagstukken in Japan.


Deze “onafhankelijke” commissie, waarvan steeds een vertegenwoordiger aanwezig is bij de bijeenkomsten van de TC, streeft dezelfde doelstellingen na als de TC zelf, namelijk een kapitalistische uitweg uit de crisis, wat alleen mogelijk is, indien de ontwikkelingslanden er bij worden betrokken, die 75% van hun handel met de landen van de OECD (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) afwikkelen.


Bovendien streeft de Commissie-Brandt ernaar (overeenkomstig de officiële politiek van de SI) om in de landen van de Derde Wereld de invloed van de reformistische politieke krachten te vergroten, teneinde op die manier het gras voor de voeten van de radicale stromingen, die zich tegen de dictaturen verzetten, weg te maaien.


“Het Noorden (Verenigde Staten-Japan-West-Europa) verenigen – teneinde des te slagvaardiger met het Zuiden (de ontwikkelingslanden) te kunnen onderhandelen”: dat is het doel van het multinationale kapitaal en haar handlangers in de regeringen van de Verenigde Staten, Japan en West-Europa, die zich aaneengesloten hebben in de 'Trilaterale Commissie'. De politiek van dit 'politbureau' van de kapitalistische wereld heeft niet alleen catastrofale gevolgen (namelijk nog meer armoede, honger en onderdrukking) voor de Derde Wereld, maar ook voor de volksmassa's in de Verenigde Staten, Japan en West-Europa.


De democratie is niet meer datgene, wat het eens was. Wat nu te doen? Antwoord: De democratie inperken, want een teveel aan democratie schaadt de democratie. Zo ongeveer kan men het “democratie-debat” van de TC typeren. “De democratie is onregeerbaar geworden!”, klaagde de TC destijds al in haar ideologische geloofsbrieven, in 1975 opgesteld onder de auspiciën van TC-lid Samuel P. Huntington, professor aan de Harvard-universiteit, en adviseur Brzezinski ('The Crisis Of Democracy', University Press New York). Professor Huntington had toendertijd zijn sporen als 'democratie-specialist' al verdiend en wel in Vietnam.


Teneinde de democratie in Vietnam te redden voor het communisme dacht hij destijds de geniale strategie van de zogeheten “gedwongen urbanisatie” uit: Met napalm-, fragmentatie- en booby-trap bommen (verborgen in kinderspeelgoed) alsmede chemische ontbladeringsmiddelen diende toen het platteland en de dorpen in Vietnam onbewoonbaar te worden gemaakt en de boerenbevolking naar de steden te worden verdreven, waar deze vervolgens in concentratiekampen beter onder verscherpte sociale controle zou kunnen worden gehouden.


Als briljant logisticus meende Huntington, dat op die manier de Vietcong niet meer “als vissen in het water van de volksmassa's” zouden kunnen zwemmen. De gevolgen van deze politiek van 'democratie-specialist' Huntington zijn bekend: Honderdduizenden doden en voor de duur van vele decennia totaal verwoeste vegetatie en landbouwgebieden.


Tegenwoordig staat Huntington aan het hoofd van degenen, die een wereldwijde hetze-campange tegen de Socialistische Republiek Vietnam voeren vanwege vermeende 'schending van de mensenrechten' aldaar. Wat betekent de democratie van het type van de TC voor ons? Tussen 1950 en het begin van de jaren '70 had een “aaneenschakeling van gelukkige factoren” het aan de democratische maatschappijen mogelijk gemaakt om “respectabele prestaties te volbrengen”.


Maar deze gunstige voorwaarden waren thans niet meer gegeven. Waarom? Uitgerekend vanwege het succes van de democratie! Want, “hoe democratischer een systeem, des te groter de gevaren, waaraan het is blootgesteld”, aldus het TC-rapport (p.8).


“Gedurende de laatste jaren schijnt het functioneren van de democratie een erosie van de traditionele middelen van sociale controle te hebben geprovoceerd, een delegitimering van de politieke autoriteiten evenals andere vormen van autoriteit, alsmede een overvloed aan eisen aan de regering, eisen, die de mogelijkheid van de regering om deze te vervullen, te boven gaan.” 


Wat de TC bovenal irriteert, zijn de sociale groepen, die zich vandaag de dag teweer stellen tegen staat en ondernemers en voor hun rechten opkomen.


“Het doeltreffend functioneren van het politieke democratische systeem vereist gewoonlijk een grote mate aan apathie en inactiviteit van enige individuen en groepen. In het verleden had elke democratische samenleving een in numeriek opzicht gezien in meerdere of mindere mate marginale laag van de bevolking, die niet actief aan het politieke leven deelnam. Op zichzelf is de marginalisering van bepaalde groepen anti-democratisch, maar het was ook een van de factoren, die een werkelijk functioneren van de democratie mogelijk maakten. Marginale sociale groepen, zoals bijvoorbeeld de zwarten in de Verenigde Staten, nemen tegenwoordig volledig aan het politieke systeem deel. En het gevaar blijft, dat het politieke systeem met eisen wordt overhoopt, die zijn functie uitbreiden en zijn autoriteit ondermijnen.” (p.114)


De “kwetsbaarheid” van de democratie komt dus nièt rechtstreeks door “bedreigingen van buitenaf, hoewel deze reëel zijn, en evenmin door binnenlandse subversie van links of rechts, hoewel deze beide risico's zeer zeker aanwezig kunnen zijn, maar veeleer door de eigen dynamiek van de democratie zelf in een in hoge mate geschoolde, gemobiliseerde en actieve samenleving.” 


“Wij zijn thans op een punt beland, waar wij moeten inzien, dat er potentiële grenzen aan de economische groei zijn, die verwelkomd dienen te worden. Even zo zeer zijn er ook potentiële te verwelkomen grenzen aan de onbeperkte uitbreiding van de politieke democratie.” (p. 115)


Een bijzonder gevaar voor de democratie van het type van de TC vormt een vrije onafhankelijke pers. “De autonomie van de journalisten leidt niet onvoorwaardelijk tot een transparantie van de waarheid; deze kan integendeel de waarneming van de realiteit deformeren (vervormen).” (p. 36)


Daarom moet aan de regering “het recht en de praktische mogelijkheid worden gegarandeerd om informatie achter te houden”. 


Huntington beval in zijn TC-rapport een radicale therapie ('shock-therapy') aan voor de “in chaos ontaarde democratie”: Het doen verlagen van het staatsdeficiet (= tekort), van de staatsschulden en de koopkracht van de arbeiders; het nemen van “harde beslissingen” op het gebied van de loon- en prijspolitiek; het bevrijden van de regering van de dwang om een spectaculaire buitenlandse politiek te moeten voeren teneinde af te leiden van de binnenlandse moeilijkheden (Huntington wijst hier op de superioriteit van dictaturen op dit gebied); het vermogen om “aan zijn volk de nodige offers op te leggen, teneinde een efficiënte buitenlandse en militaire politiek te kunnen voeren”. Dat alles, zo gaf Huntington toe, maakt, dat “de sectoren, waar democratische processen op hun plaats zijn, in het kort gezegd beperkt zijn”. 



De vijand zijn de loonafhankelijken 


Gevaarlijk wordt het voor de “democratie” van de trilateralen dan, indien bewegingen, partijen en vakbonden het spel niet meer meespelen. De arbeidersklasse is, in de woorden van de Europese co-auteur van het TC-rapport 'The Crisis Of Democracy', Michel Crozier, “slechts ten dele in het sociale spel geïntegreerd, vooral in de Latijnse landen en in Frankrijk. Het ontbreken van een dergelijke integratie verhindert elke onderhandeling, verhindert elk wederzijds begrip direct in het bedrijf. Daarom zijn de Europese ondernemingen bijzonder kwetsbaar. Dat verklaart ook dat zeer weinig jonge mensen stilzwijgend een vernederende en slecht betaalde handenarbeid accepteren.” 


Het op de bres staan voor traditionele democratische waarden en het verdedigen van de eigen belangen en rechten van de loonafhankelijke bevolking jaagt de TC en daarmee de ondernemerswereld angst aan.


“Deze waarden kunnen onder bepaalde omstandigheden een revolutionaire uitwerking hebben”, aldus Huntington in zijn TC-rapport. “De democratische golf dient af te ebben, opdat de vitaliteit en de regeerbaarheid van het democratische systeem weer wordt hersteld.” 


Hiermee wordt ook duidelijk, wat de “overdreven democraten en eisenstellers”, de loonafhankelijken dus, blijft om zich teweer te stellen tegen de strategie van de TC, d.w.z. van het internationale kapitaal en haar regeringen: Zich te organiseren, onafhankelijk van de burgerlijke staat en de ondernemers, om hun belangen en rechten er door te boksen. Nièt te vertrouwen op de “gematigde leiding” in vakbonden of arbeiderspartijen. Vooral, indien men iets zorgvuldiger rondkijkt in de top van de TC: Hier vinden we namen als Heinz-Oskar Vetter, voorzitter van de Deutsche Gewerkschaftsbund (DGB) en SPD-lid, Erwin Kristoffersen (DGB), Horst Ehmke (SPD), Lane Kirkland, penningmeester van de Amerikaanse vakcentrale AFL/CIO, I.W. Abel (Amerikaanse bond van metaalarbeiders), Jozef Houthuys, leider van het Algemeen Christelijk Vakverbond (België), Dan Murphy, leider van de vakbond voor overheidspersoneel (Ierland), Yukitaka Haraguchi, leider van de Japanse bond van metaalarbeiders. Al deze “arbeidersvertegenwoordigers” maken of maakten deel uit van de TC.


“Tegen het trilaterale offensief helpt alleen een multinationale breuk van de arbeidersbeweging en alle loonafhankelijken met het kapitalisme en haar burgerlijke staat”, verklaarde een FIAT-arbeider in Turijn naar aanleiding van een door radicale vakbondsbasisgroepen en militant links belegde discussiebijeenkomst met als thema <>. “En dat”, zo ging hij voort, “is een wedloop tegen de klok, die wij moeten winnen, voordat deze twaalf slaat.”. 



Naschrift: 


De laatste coup van de Trilaterale Commissie Aardverschuiving binnen de regering-Carter: Michael Blumenthal wordt als minister van financiën vervangen door William Miller, president van de Federal Reserve Board (de Amerikaanse centrale bank).De plaats van Miller wordt ingenomen door Paul Volcker, president van de Reserve Bank van New York. Nieuwe speciale adviseur van Carter wordt Hedley Donovan, voormalig hoofdredacteur van 'Time' en beheerder van de Ford- en Carnegie-stichtingen. Alle drie genoemde personen die promotie hebben gemaakt zijn lid van de TC.


Teneinde de diepere betekenis van deze personele reorganisatie te kunnen begrijpen, dienen we wat verder terug te gaan in de geschiedenis.


De dynamiek van de wereldeconomie en de gewijzigde verhoudingen tussen ondernemers en vakbonden hebben een wig gedreven in de Amerikaanse bourgeoisie. Aan de ene kant bevinden zich de multinationale concerns en de grote handelsbanken, aan de andere kant de financiële en industrievennootschappen, die georiënteerd zijn op de binnenlandse markt. De “binnenlandse fractie”, die uitsluitend grondstoffen importeert en deze in de Verenigde Staten verwerkt voor de binnenlandse consumptie, is voorstander van een protectionistische politiek teneinde de spanningen en de druk van de wereldeconomie te ontwijken (staal-, textiel-, schoenenindustrie en de kleine ondernemingen). Daarentegen streven de 'multi's', die een groot deel van hun productie naar het buitenland (vooral de Derde Wereld) hebben overgebracht, naar een grotere “vrije” handelsuitwisseling op wereldvlak en uitgebreide rechtstreekse investeringen in het buitenland (oliemaatschappijen, auto-, elektro-, en chemische investeringen, agro-business).


Dit antagonisme weerspiegelt zich tegenwoordig in de beide grote politieke partijen: De Democraten vertegenwoordigen de belangen van de 'multi's', de Republikeinen die van de protectionisten. Deze nieuwe constellatie der krachten heeft zich pas in het begin van de jaren '60 uitgekristalliseerd, toen de invloed van de vakbonden binnen de Democratische partij afnam en het apparaat van de Republikeinse partij door de protectionisten in bezit werd genomen. Sinds de moeilijke jaren van de 'Nieuwe economische politiek' van toenmalig president Nixon – protectionisme, devaluatie van de dollar, importheffingen – is in de Verenigde Staten een nieuwe politieke figuur ontstaan: De 'Democraticus multinationalis', belichaamd door David Rockefeller, president van Chase Manhattan, voorzitter van de Council on Foreign Relations (CFR), medeoprichter van de Bilderberg-conferentie en oprichter van de Trilaterale Commissie.


Om tegenover de “provinciaalse” economische politiek van de Republikeinse leiding een multinationale politiek van de “vrije” handelsuitwisseling door te kunnen drukken, ondernam de TC alles om Jimmy Carter, zelf lid van de TC, aan de macht te brengen.


Sindsdien hebben meer dan twintig TC-leden, die tot op heden in de regering-Carter werkzaam zijn geweest, ervoor gezorgd, dat er naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van de 'multi's'.


Tegen deze historische achtergrond wordt de betekenis van de recente regeringsreorganisatie duidelijker.


In maart 1978 sloeg de TC voor de eerste keer toe. Arthur Burns, president van de Federal Reserve Board, moest toen het veld ruimen voor William Miller, lid van de TC. Burns was nooit een echte vriend van de 'multi's' geweest, aangezien zijn connecties met het grootkapitaal slechts van sporadische aard waren. Tezamen met Richard Nixon was hij president van de Mutual Life Insurance Company, die zich economisch gezien in een neerwaartse spiraal bevond. Bovendien was Burns beheerder van de zeer conservatieve Tax Foundation en fervent tegenstander van elke vorm van staatsbemoeienis in het economische leven. Dat maakte hem voor de 'multi's' en hun agenten in de TC onacceptabel, waarvan het verlangen naar een 'sterke staat' tegenwoordig een nieuw tijdperk in de economische politiek inluidt.


Geheel anders zijn opvolger William Miller: Als president van de Textron Corporation en voormalig leider van de Conference Board, het meest belangrijke instrument op het gebied van research van de grote Amerikaanse concerns, was hij dè geschikte man voor de TC, waarvan hij bovendien zelf ook deel uitmaakt. Een reusachtige campagne voor de benoeming van Miller als opvolger van Burns werd door Millers collega in de leiding van Textron, Health Larry, gelanceerd. De laatste is tevens president van de National Association of Manufactures (de Amerikaanse ondernemersorganisatie). De pro-Millercampagne werd ondersteund door het belangrijke tijdschrift 'Time' en haar toonaangevende hoofdredacteur Hedley Donovan: Ook hij is een lid van de TC en thans... speciaal adviseur van president Carter!


De 'Washington Post' droeg eveneens het nodige bij tot de benoeming van Miller. Katherine Graham, directrice van de 'Washington Post', zetelt tevens in de Raad van Bestuur van het concern Allied Chemical, waarvan John Connor, een boezemvriend van Miller, president is. Miller was eveneens beheerder van de Federated Department Stores-groep, waarvan de president, Ralph Lazarus, zitting heeft in de Raad van Bestuur van de Chase Manhatten-bank (President: David Rockefeller). Daarenboven was Miller actief lid van de Business Roundtable, een lobbygroep van de 200 grootste Amerikaanse ondernemingen.


Reeds in september 1977, ten tijde van de jaarvergadering van het IMF, was het lot van Burns al bezegeld: “Eminente bankiers hebben al laten doorschemeren, dat zij het nièt meer als essentieel beschouwen, dat Burns nog langer aanblijft als baas van de Federal Reserve Board.” ('Washington Post', 29 december 1977)


Zijn erdoor gedrukte opvolger Miller versoepelde als eerste amtshandeling maar meteen de controle op de grote bankkredieten aan ontwikkelingslanden, die zijn voorganger had ingevoerd. Dat bracht Miller direct alle lof van de voltallige bankierswereld, welke ook voordien al zeer nauw met Miller verbonden was geweest: Miller was namelijk ook president van de Reserve Bank van Boston.


Met de benoeming van Miller tot minister van financiën in plaats van Blumenthal en het doorschuiven van Paul 'Hurrican' Volcker naar de post van president van de Federal Reserve Board blijft de continuïteit van de TC binnen de regering-Carter volledig gewaarborgd. Volcker, voormalig president van de Reserve Bank van New York en lid van de TC, is ook beheerder van de belastingvrije Rockefeller-stichting, die op haar beurt weer fungeert als medefinancier van de TC. De relatie van Volcker tot de grote banken is uitstekend: Hij wordt gezien als protegé van Robert Roosas van de bank Brown Brothers Harriman, lid van de Bilderberg-conferentie en ex-minister van financiën; bovendien was Volcker jarenlang werkzaam voor de Chase Manhatten-bank van TC-collega David Rockefeller.



Carter of Kennedy? 


Eén probleem blijft voor de Amerikaanse strategen van de TC echter overeind: De groeiende populariteit van Jimmy Carter. Het devies van de TC voor de komende presidentsverkiezingen staat ondertussen reeds vast: Verdediging van de dollar (géén devaluatie), geen beperkingen voor de kredietverlening van de banken ten behoeve van buitenlandse investeringen (wat zal leiden tot een nog lethargischer binnenlandse economische situatie met een dienovereenkomstig stijgende werkloosheid), het nauwlettend volgen van de populariteitsgraadmeter van Carter, die desnoods ten gunste van de meer populaire Edward Kennedy zal worden vallen gelaten.


Het mechanisme, dat het mogelijk dient te maken om een geschikte presidentskandidaat te vinden, d.w.z. een kandidaat die èn de belangen van het multinationale grootkapitaal behartigt èn nog populair genoeg is om de nationalistische en protectionistische Republikeinse tegenkandidaten (Ronald Reagan dan wel John Connally) in toom te houden, draait reeds op volle toeren. De van de post van minister van financiën “ten behoeve van andere politieke taken” vrijgestelde Michael Blumenthal, eveneens lid van de TC, heeft in opdracht van de TC al een gesprekskanaal richting Edward Kennedy geopend. Blumenthal is inmiddels tevens besprekingen begonnen met New Yorkse uitgevers om zijn bijna voltooide memoires als minister van financiën te doen laten publiceren. Reeds gaat in bepaalde New Yorkse kringen het gerucht, dat diens memoires een catastrofaal beeld van Jimmy Carter zouden schetsen...



Noten:

* Dossier Trilaterale Commissie: Jean-Michel Berthoud. Vertaling aan de hand van de in <> in 1979 gepubliceerde Duitstalige versie

** CFR: Organisatie bestaande uit ca. 2000 personen afkomstig uit de Amerikaanse industrie, het 
bank- en beurswezen en de intelligentsia. Heeft zich een kapitalistische planeconomie over de gehele wereld ten doel gesteld onder de hegemonie van de US-dollar, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Officieel orgaan: 'Foreign Affairs' (verschijnt driemaandelijks). 

*** Bilderbergconferentie: Een met de CFR enigszins vergelijkbaar internationaal overlegorgaan, dat sinds maart 1954 jaarlijks bijeenkomt en waarvan leidinggevende persoonlijkheden uit politiek, economie, bankwereld, strijdkrachten en pers uit geheel West-Europa en Noord-Amerika deel uit maken.


**** Sinds 1976 beschikt de TC uit “overwegingen van decentralisatie” niet meer over een voorzitter. Brzezinski speelt echter als Amerikaans vertegenwoordiger in de Program Advisory Council tezamen met een Japanner en een Europeaan evenals voorheen een centrale rol.


zondag 16 april 2017

Stop Imperialistische Agressie! Verdedig Noord-Korea!


Afgelopen maart werd een Amerikaanse troepen opbouw in Zuid-Korea bekend gemaakt. De ‘Gray Eagle company’, een eenheid van aanvalsdrones, werd vanaf dat moment permanent op de Kunsan Air Base in Seoul gestationeerd. Ondertussen werden de militaire provocaties van de Amerikaanse imperialisten verder opgevoerd met de grootste militaire oefening ooit in de Zuid-Chinese zee. Washington en Seoul kondigden tevens aan om de ‘Terminal High Altitude Area Defense’ (THAAD) in Zuid-Korea in te zetten, als onderdeel van een raketschild in Azië. Beijing maakt bezwaar hiertegen, omdat de THAAD een radarsysteem heeft dat diep in het Chinese achterland kan penetreren en zo de Amerikanen een strategisch overwicht geeft in het geval van oorlog. Momenteel is de Amerikaanse troepenmacht in de regio uitgebreid met een vloot, waaronder het vliegdekschip Carl Vinson.    




Hoewel de Trump administration en de bourgeois media claimen dat deze militaire maatregelen erop gericht zijn om de Zuid-Koreaanse cliënt-staat van Washington te beschermen tegen een mogelijke nucleaire holocaust, zijn het feitelijk de Amerikaanse imperialisten die de Noord-Koreaanse arbeidersstaat in het vizier hebben. Ondertussen overweegt de ‘National Security Council' voor het eerst sinds de Koude Oorlog de inzet van nucleaire wapens. Hoewel Noord-Korea momenteel het doelwit van de imperialisten is, moge het duidelijk zijn dat de machtigste concurrent van de imperialisten, China, de achterliggende hoofdprijs is. Noord-Korea lag altijd al op het pad van de Amerikaanse imperialisten naar de omverwerping van de Chinese revolutie van 1949. Om deze reden werd het Koreaanse schiereiland totaal vernietigd tijdens de Koreaanse oorlog van 1950-53.


Hoewel de bourgeois media de ontwikkeling van Noord-Koreaanse nucleaire wapens wegzetten als het product van een bizarre en los geslagen dictatuur, is dit een volkomen rationeel beleid van zelfverdediging. Aan het einde van WO II en met de overgave van haar eerdere koloniale meester Japan ontstond er een burgeroorlog op het Koreaanse schiereiland. Met steun van de Amerikaanse imperialisten onderdrukte het marionettenregime in het zuiden de Jeju opstand van 1948-49, waarbij meer dan 30.000 arbeiders en boeren zonder pardon vermoord werden. In 1950 leidde dit tot een burgeroorlog waarbij het Noord-Koreaanse leger in rap tempo Zuid-Korea innam waarbij zij als bevrijders werden onthaald door de arbeiders en boeren.


Toen de Amerikaanse imperialisten troepen stuurden, leidde dit tot een bloederige oorlog, waarbij de Amerikanen barbaarse middelen inzetten. Achttien van de grootste steden van het Noorden, werden geheel vernietigd en met bombardementen werden irrigatie dammen opgeblazen waardoor drie kwart van de Noordelijke voedselproductie vernietigd werd met hongersnood als gevolg. Tijdens deze oorlog dreigden de Amerikaanse imperialisten meerdere keren met de inzet van nucleaire wapens, enkel de dreiging van een vergelding door de Sovjet Unie weerhield hen ervan deze ook daadwerkelijk in te zetten. Deze oorlog eindigde in 1953 met een patstelling, waarbij het schiereiland in het Noorden en Zuiden werd opgedeeld. De Amerikanen plaatsten nucleaire wapens op hun militaire basissen in Zuid-Korea en stationeerden meer dan 30.000 Amerikaanse troepen permanent in het land, een constante dreiging voor Noord-Korea en China.


Het is de plicht van revolutionairen om zich achter Noord-Korea en China te scharen, nu deze onder vuur liggen van de Amerikaanse imperialisten en hun Japanse en Zuid-Koreaanse proxy's. De verdediging van deze landen houdt ook in dat deze landen nucleaire wapens en effectieve toedieningssystemen hebben, om zich tegen deze imperialistische agressie te verdedigen. Het waren immers de Amerikaanse imperialisten die de enigen zijn die ooit zulke wapens hebben ingezet, toen zij in 1945 meer dan 200.000 Japanse burgers in Hiroshima en Nagasaki vermoorden met een nucleaire vuurzee. Onder de onbetwiste wereldheerschappij van het Amerikaanse imperialisme, is de enige betekenisvolle manier om nationale zelfbeschikking te verzekeren het bezit van een geloofwaardig nucleair afschrikmiddel. Het gevaar van een gebrek hieraan werd pijnlijk duidelijk in landen als Afghanistan, Irak en Libië, waar regimes werden afgezet als gevolg van NAVO troepen en lokale huurlingen. Dit ligt anders in Noord-Korea die de middelen heeft om zichzelf te verdedigen tegen dit soort agressie.  



Daarom:
Stop Imperialistische Agressie! 

Verdedig de Volksdemocratische Republiek Korea!

NAVO uit de Zuid-Chinese Zee!

donderdag 13 april 2017

Arthur Moeller van den Bruck: Grondlegger van de Conservatieve Revolutie 


Arthur Moeller van den Bruck (April 23, 1876 - Mei 30, 1925) was een Duitse filosoof en cultureel historicus die een bepalende rol binnen de Conservatieve Revolutie speelde. Hij is hoofdzakelijk bekend vanwege zijn Duitse vertalingen van de werken van Dostoevsky en van zijn eigen boek 'Das Dritte Reich". 



Biografie


Arthur Moeller van den Bruck werd op 23 april, 1876, in Solingen, Duitsland geboren. Hij studeerde van 1898 tot 1910 op het gymnasium, maar werd daar geschorst vanwege zijn onverschilligheid met betrekking tot zijn studies. Hij vond dat Duitse literatuur en filosofie (met name Nietzsche) een betere scholing vormde en vervolgde zijn studie op zichzelf in Berlijn, Parijs en Italië. In 1905 publiceerde Moeller zijn 8-delige volume over de culturele geschiedenis van het Duitse volk: 'Die Deustchen: unsere Menschengeschichte'. In een boek dat hij als aanvulling hierop schreef, 'Die Zeitgenossen', drukte hij als eerste zijn idee van 'jonge naties' en 'oude naties' uit. In 1907 keerde hij terug naar Duitsland en schreef zichzelf in 1914, toen de eerste wereldoorlog uitbrak, in bij het leger.   


Na de oorlog stortte Moeller van den Bruck zich in het politieke activisme en richtte hij de 'Juni Klub' op om jonge conservatieven te verenigen om tegen het Versailles Dictaat te strijden. Later werd de organisatie herdoopt tot 'Deutscher Herrenklub' en nam sterk aan invloed toe. Zij speelden een belangrijke rol bij het aantreden van Franz von Papen als Reichskanzler in 1932. Tijdens deze periode schreef Moeller meerdere boeken waarin hij uitdrukking gaf aan zijn anti-liberale, anti-parlementaire, antikapitalistische en revolutionair-conservatieve ideeën. Tot zijn meest opmerkelijke werken behoren; ' Der Preufiische Stil', 'Das Recht der jungen Volker' en 'Das Dritte Reich'. In Mei 1925 kreeg Moeller echter een zenuwinzinking, waarop hij zelfmoord pleegde.       



Politieke en Economische Ideeën


Arthur Moeller van den Bruck benadrukte dat de ware democratie niet ging om de theoretische rechten van de mens of om parlementaire praktijken, maar om het volk dat haar eigen lot bepaald. De Duitsers kenden in het verleden al monarchieën die in essentie democratisch waren. Met betrekking tot het leiderschap benadrukte Moeller dat: "Leiderschap geen kwestie van stembussen is, maar van keus gebaseerd op vertrouwen. De ontgoocheling die de partijen hadden gebracht, leidde tot de ontvankelijkheid van het leiders-ideaal. De jeugd staat er volledig achter. Er is binnen dit ideaal geen plaats voor de monarchie; de monarch heeft dit ideaal voor zichzelf geclaimd; maar deze claimde het exclusief als een kwestie van privileges, niet een van verdiensten. Toen de Revolutie kwam werd het leiders-ideaal mogelijk, het ideaal van een leider die niet vernietigd, maar conserveert."  


Hij verklaarde dat de republikeinen, die zichzelf democraten noemden, nu de vijand van het volk waren en verslagen dienden te worden. Hij keerde zich hierbij tegen het liberalisme: "Liberalisme is de partij van de parvenu's*, die zich hebben gesitueerd tussen het volk en zijn grote mannen. Liberalen zien zichzelf als geïsoleerde individuen, die aan niemand verantwoording hoeven af te leggen. Zij delen niet in de tradities van de natie, zij staan onverschillig tegenover haar verleden en hebben geen ambities voor de toekomst. Zij zoeken alleen hun persoonlijke voordelen in vandaag de dag.  Hun droom is de grote internationale, waarbinnen alle volkeren, talen, rassen en culturen zullen worden verpletterd."  


De fundamenten van een gezonde natie moeten nationalisme en conservatisme zijn: "Conservatisme wilt de natie haar waarden behouden, door deze traditionele waarden te conserveren zolang deze de kracht tot groei bezitten, en door alle nieuwe waarden die de natie haar vitaliteit doen toenemen, te assimileren. Een natie is een gemeenschap van waarden; en nationalisme is het bewustzijn van die waarden."


Moeller maakt een onderscheid tussen vier algemene socio-politieke groepen in zijn tijd: de reactionair, de conservatief, de liberaal en de revolutionair. Volgens hem dacht de reactionair vaak dat deze een conservatief was, maar was dit feitelijk iemand die het verleden in haar totaliteit wilde recipiëren. Dat was een onrealistische positie die alle eerdere tradities en waarden als iets goed behandelde, zelfs als deze volkomen afkeurenswaardig zijn. De liberaal is de totale individualist die tot geen enkel volk behoort en geen tradities deelt; alles wat deze doet is wat het beste voor hemzelf is als individu, hij volgt een louter individualistische filosofie. De radicale revolutionair, in zijn visie vertegenwoordigd door communisten, wil de samenleving volledig veranderen door middel van revolutie. Zijn fout is om te denken dat hij alle oude gebruiken, tradities en waarden weg kan vagen en simpelweg kan vervangen door een nieuwe wereld. De conservatief is superieur ten opzichte van al deze groepen omdat deze begrijpt hoe de wereld eigenlijk in elkaar steekt. In tegenstelling tot de reactionair erkent de conservatief dat samenlevingen evolueren en hun waarden en tradities veranderen. Maar de conservatief probeert juist die waarden en tradities te behouden die goed voor de natie en haar volk zijn. Tegelijkertijd omhelst deze nieuwe waarden als deze de natie verbeteren of de oude waarden vervangen als deze de vitaliteit van de natie doen afnemen.     
   

Moeller besteedde veel tijd aan het bekritiseren van de materialistische en rationalistische grondslagen van het Marxisme. Volgens hem hadden deze een gebrekkig begrip over de mens en namen deze niet de vitale factoren mee. Als alternatief hiervoor propageerde hij een Duits socialisme. Hij stelde: "Elk volk kent haar eigen vorm van socialisme. Als we praten over een Duits socialisme, bedoelen we natuurlijk niet het socialisme van de sociaaldemocraat waar de partij na onze ineenstorting toevlucht zocht; noch bedoelen we het logische Marxistisch socialisme dat weigert de klassenoorlog van de internationalen achter zich te laten. ..Internationaal socialisme bestaat niet. Het bestond niet voor de oorlog en nog minder erna. Socialisme begint waar marxisme eindigt. Duits socialisme is opgeroepen om een onderdeel te vormen in de spirituele en intellectuele geschiedenis van de mensheid door zichzelf te ontdoen van ieder spoor van liberalisme. ... Dit nieuwe socialisme moet de grondslag vormen voor Duitslands Derde Rijk."   


"Oude" en "Nieuwe" Naties


Moeller van den Bruck stelde dat naties (Völker) in "ouderdom" verschilden. Dit werd niet begrepen in termen van ouderdom in jaren, maar in het karakter en gedrag van de natie (Volk). Dus er zijn "oude" en"nieuwe" naties die werden geïdentificeerd volgens bepaalde voorbeelden. De "jonge natie" was energiek, sterk, bezat de wil-tot-macht, vitaliteit en arbeidsethiek. De "oude natie" was sterk ontwikkeld, uitgeput, kende weinig vitaliteit en kende een tendens richting de corrupte idealen van 1789 (onder andere rationalisme en liberalisme) en doelen voor Bentham** zijn concept van geluk. Voorbeelden van jonge naties waren Bulgarije, Finland, Japan, Rusland en Duitsland (met name Pruisen, wiens waarden en stijl door Moeller geprezen werden). Belangrijke voorbeelden van oude naties waren Frankrijk, Italië en Engeland.    


Moeller geloofde dat het lot van de naties bepaald werd door "de wet van vooruitgang en achteruitgang van de naties". Volgens deze wet zouden alle oude staten meedogenloos naar beneden zakken van hun hegemoniale posities. Echter zoals de Eerste Wereldoorlog al had laten zien, kon een jonge natie zoals Duitsland nog altijd verslagen worden als gevolg van haar onervarenheid, onstuimigheid, of omdat het door een coalitie van oude naties aangevallen werd (Engeland, Frankrijk, enz.).  Een nederlaag in oorlog zou echter de jonge natie niet doen breken als het Vredesverdrag onverlet verhinderde dat de natie kon bestaan, groeien en vrij zijn. Deze ideeën van Moeller werden vooral ontwikkeld in 'Die Zeitgenossen', en later concreet gemaakt in 'Das Recht der Jungen Volker' en 'Das Dritte Reich'.  



Het idee van Ras


Moeller sprak zich uit tegen de antropologisch theorieën die Duitsers en andere Europese volkeren categoriseerde in talloze subrassen en mixen. Hij stond voor de “rassen van de geest" die alle Europeanen deed verenigen. Met deze positie stelde hij dat alle Duitsers van een raciaal type waren, die nergens door verdeeld konden worden op het vlak van ras, fysiek of spiritualiteit. Hoewel hij geloofde dat biologisch ras echt was, argumenteerde hij dat het niet zo krachtig was als dat de wetenschappers het afschilderden; het was meer een vormend element voor de natie, dat werd gebruikt als een idee om het nationale bewustzijn te doen ontwaken. Het "ras van geest" concept van Moeller had dan ook meer gemeen met het concept van de Volksgeest, dan met het concept van ras zelf.



Kritiek op Spengler


Moeller schreef dat Spengler zijn theorie van culturele cycli inaccuraat was en niet in overeenstemming was met het echte leven van naties en culturen. Evolutie was constant en een onvoorspelbare ontwikkeling, die niet in het "Morfologische"*** proces van Spengler paste. Verder stelde hij dat mensen "meer dan enkel natuur" waren en dus dat Spengler zijn pogingen om de geschiedenis en cultuur te verklaren via natuurwetenschap incorrect was. Spengler gebruikte dan wel metafysische taal en irrationele concepten, maar in essentie zag hij mensen slechts als biologische entiteiten onderworpen aan natuurlijke ritmes. Voor Moeller echter, hadden mensen een veel hogere spirituele kant, dat betekende dat hun neigingen en bewegingen niet geheel door de natuur geleid werden.  


Moeller geloofde ook niet dat culturen bestonden en verdeeld waren op de manier dat Spengler dat geloofde. De Greco-Romeinen waren op veel manieren een veel jongere versie van wat men kent als het Westen. Ook was Duitsland voor Moeller niet Westers, noch Oosters, het was een energierijke "jonge" natie, in tegenstelling tot Westerse naties zoals Engeland en Frankrijk. Hij verwierp ook het fatalisme van Spengler, hij beargumenteerde dat de geschiedenis niet circulair was, maar meer als een spiraal. Een natie kan haar energie verliezen en oud worden ("beschaafd" in Spengler zijn termen), maar het kan en doet dit proces omkeren, door te regenereren en herboren te worden binnen een jongere generatie. Duitsland was de belichaming van zo'n jonge en vitale natie, in tegenstelling tot Frankrijk, die als oud en levenloos werd gezien.  




Noten:


* Parvenu: Iemand met veel geld die zich beweegt in kringen waar hij door zijn komaf niet thuis hoort.

** Jeremy Bentham (Londen 1748 -1832) was een Engelse jurist, filosoof en sociaal hervormer. Hij was een vooraanstaande rechtsfilosoof en een vroege pleitbezorger van het utilitarisme. Het utilitarisme is een ethische stroming die de morele waarde van een handeling afmeet aan de bijdrage die deze handeling levert aan het algemeen nut, waarbij onder algemeen nut het welzijn en geluk van alle mensen wordt verstaan. Vermijden van pijn en verwerven van plezier zijn volgens deze theorie de motieven voor het menselijke handelen.

*** Morfologisch = Vormkunde/Cultuurvorming



dinsdag 11 april 2017

Het Turkse Nationalisme als Leerschool


Eerste Wereldoorlog

Er bestaat een lange traditie van contacten tussen het Duitse rijk en het Ottomaanse rijk. Sinds de tweede mislukte poging van de Ottomanen om in 1683 Wenen in te nemen, werden er al diplomatieke relaties gevestigd tussen de twee grootmachten. Onder het leiderschap van de Duitse Kaiser Wilhelm II werden deze banden sterk aangehaald en ontstond er een heus Duits-Ottomaans wapenbroederschap. Het Ottomaanse rijk bleek cruciaal voor de Kaiser zijn aspiraties om een Midden-Europese macht te vormen, die een tegenwicht moest kunnen bieden aan de West-Europese zeemachten enerzijds en het Tsaristische Rusland anderzijds. Kaiser Wilhelm II riep zichzelf uit tot de beschermheer van de Islamitische volkeren. In dat licht werden er verschillende gezamenlijke projecten met de Ottomanen ondernomen, waaronder de vestiging van de ‘Baghdad treinroute’ die via het Ottomaanse rijk naar het Midden-Oosten liep en een uitgebreide militair-economische samenwerking. In de aanloop van de eerste wereldoorlog waren het Duitse- en Ottomaanse rijk onlosmakelijk met elkaar verbonden.  

Het Ottomaanse rijk in de 19de eeuw

De Duits-Ottomaanse ambities naar macht bleven niet onbeantwoord en in 1914 brak de eerste wereldoorlog uit. Het Duitse- en Ottomaanse rijk bundelden hun krachten in de strijd tegen Rusland en de Westerse alliantie. Naar het idee van de Duitse Kaiser riep sultan Mehmed V op 14 november 1914 de Jihad (Heilige oorlog) uit tegen het westen (Groot-Brittanië, Frankrijk en ‘de joden’ in het bijzonder). Dit was tevens een potentiële poging om de miljoenen moslims in de koloniën van Groot-Brittannië en Frankrijk te doen rebelleren tegen hun imperialistische bezetters. Door de inspanningen van de Britse geheim agent T.E. Lawrence (van Arabië) werd dit deels voorkomen, hij wist de Arabische stammen juist te verenigen en te mobiliseren tegen het Ottomaanse rijk, om hen vervolgens te verraden. Na 4 jaar oorlogsinspanningen verloor de Duits-Ottomaanse alliantie de oorlog en vielen beide rijken uiteen. Het Duitse rijk werd aan banden gelegd met het Dictaat van Versailles (1919) en het Sykes-Picot verdrag (dat in het geheim al in 1916 was gesloten door de Britten en Fransen, om het midden-oosten als oorlogsbuit onderling te verdelen) leidde tot het uiteenvallen van het Ottomaanse rijk.


Het Wapenbroederschap: Kaiser Wilhelm II (Duitse rijk) - Sultan Mehmed V (Ottomaanse rijk) - Tsaar Ferdinand I (Bulgarije) - Kaiser Franz Joseph I (Oostenrijk-Hongarije)    



Ataturk en de onafhankelijkheidsoorlog

Voor de Duitse nationalisten betekende de uitkomst van de eerste wereldoorlog een ramp van Bijbelse proporties. Met het Dictaat van Versailles viel het eens machtige Duitse rijk ten prooi aan de Entente. De eerste jaren van de nieuwe Weimar republiek, die uit de resten van het Duitse rijk verrees, werden dan ook gekenmerkt door een grote teleurstelling en machteloosheid. Maar met het einde van de oorlog hield de strijd nog niet op. In Rusland vochten de witte en rode legers om de verovering van gigantische stukken territorium, in Fiume riep de proto-fascist Garbrielle D’Annunzio een vrijstaat uit en in de Baltische regio was er veel Freikorps activiteit. In Duitsland kenmerkte dit de aanvang van de revolututionaire ‘kampfzeit’ en het felle verzet tegen de onderdrukking van Versailles.

Ondertussen was ook het Ottomaanse rijk ineengestort, haar eens machtige leger werd geplaagd door deserties, munitie- en wapentekorten. In 1919 patrouilleerde geallieerde troepen door de straten van Istanboel. Christenen en andere minderheden wilden het rijk ontbinden en hun eigen staten uitroepen. Armenië eiste onafhankelijkheid en de geallieerden wilden grote delen van Anatolië aan de Grieken toekennen. Toen de Grieken de stad Smyrna en haar achterland bezette, kwam de Griekse droom van de heroprichting van het Byzantijnse rijk dichterbij dan ooit te voren. Terwijl de Ottomaanse kusten omsingeld waren door geallieerde slagschepen, gaf de Ottomaanse sultan Abdul Hamid II steeds meer toe aan de eisen die de geallieerden aan hem stelden.

Dit alles veranderde echter in mei 1919 toen Mustafa Kemal Pasha (later bekend als Ataturk) in Anatolië landde en de Turkse onafhankelijkheidsoorlog uitriep. Kemal startte een nationale bevrijdingsbeweging tegen de annexaties die het Turkse heartland bedreigden. Zij voerden niet alleen een onwaarschijnlijke strijd tegen de Armeense en Griekse legers, incidenteel zelfs tegen de Ottomaanse legers, maar waren de facto ook in oorlog met de geallieerde machten. Met deze vier jaar durende strijd (1919-1923) werd de nieuwe Turkse natie gevestigd, zoals uiteindelijk werd vast gelegd in het Verdrag Van Lausanne.

'Ataturk' Mustafa Kemal

Deze gigantische prestatie van Mustafa Kemal vormde een grote inspiratie voor de Duitse nationalisten en de wanhopige Duitse natie. Deze ‘Turkse lessen’ verleenden een nieuwe impuls aan de Duitse nationalisten, die de Duitse natie van het Dictaat van Versailles wilden bevrijden. Zo was het NSDAP orgaan de ‘Völkische Beobachter’ duidelijk toen deze verklaarde: “Vandaag de dag is Turkije de jongste natie. Eens zal ook de Duitse natie gedwongen zijn om zichzelf op de Turkse methode te beroepen.” Volgens de Völkische Beobachter waren de Sultan en de minderheden als vijfde colonne de uitvoerende macht van de Entente geworden en moest de nationale oppositie van Mustafa Kemal geprezen worden.

Later verklaarde ook Adolf Hitler zelf in een interview dat de succesvolle strijd van Mustafa Kemal hem het vertrouwen gaf dat de nationaal socialistische beweging ook succesvol zou zijn. In dat opzicht beschreef hij de Turkse nationale beweging als zijn “schijnende ster in de duisternis”. Hij benadrukt: “Turkije was onze bondgenoot in de eerste wereldoorlog . De treurige uitkomst van deze strijd woog net zo zwaar op deze natie als op onze eigen natie. Toen alle geluk hen verlaten had en de natie door een verschrikkelijk lot getroffen werd, was de grote stichter van het jonge Turkije de eerste die als een rolmodel diende voor de opstand tegen de geallieerden.” Voor de Duitse nationalisten was het nieuwe Turkije een voorbeeld van een ‘staat par excellence’; de één-partij staat binnen een völkische context. Het Kemalisme was geen regime, noch een ideologie, maar een ware massabeweging: het levende bewustzijn van 18 miljoen Turken, zonder een enkele uitzondering. In 1938 overleed Mustafa Kemal aan levercirrose.

1934: Ere-uitvaart voor de Turkse ambassadeur Kemalettin Sami in Berlijn


Tweede Wereldoorlog   

De uitbraak van een tweede wereldoorlog zette de nodige druk op het oude wapenbroederschap tussen de Duitsers en Turken. Sinds 1938 hadden de Turken verschillende verdragen gesloten met de Britten. In een Anglo-Turks vedrag uit 1939, verplichtte de Turken zichzelf om de Britten militair te steunen als er een oorlog uit zou breken. Deze oorlogsverklaring bleef echter uit toen in 1939 de geallieerden wederom in oorlog kwamen met het Duitse rijk. Het oude wapenbroederschap was nog niet vergeten en in 1941 sloten de Turken en Duitsers een verdrag, waarin de Turken verklaarden neutraal te blijven in deze oorlog. Hetzelfde jaar boden de Turken de Duitsers aan om Duitse troepen via Turkije naar Irak te laten marcheren, maar werd onder geallieerde druk gedwongen om dit voorstel in te trekken.

Ondanks haar neutraliteit leverde Turkije belangrijke grondstoffen aan het Duitse rijk en gaf zij in het geheim inlichtingen aan het Duitse regime. In de Kaukasus en Balkan dienden vele tienduizenden etnisch-Turkse soldaten in de SS en velen meer in de Wehrmacht. Echter tegen het einde van de oorlog, dwong een geallieerde boycot van Turkije de Turken ertoe dit beleid te herzien. Onder toenemende druk van de geallieerde machten werd Turkije gedwongen haar diplomatieke betrekkingen met het Duitse rijk op te zeggen. Als gevolg hiervan verklaarde Turkije in 1945 het Duitse rijk symbolisch de oorlog. Lange tijd bleef een sterk verdeeld Turkije door zwak leiderschap en (vaak door de geallieerden aangewakkerde) interne conflicten onder de invloedssfeer van de geallieerde machten. In 1952 treed het land toe tot de NAVO.

Händschar Divisie doet het ochtendgebed


Een nieuw Turks nationalisme   

Met de komst van een nieuw politicus, Recep Tayyip Erdoğan, kwam hier verandering in. Hij werd geboren in een arm gezin in de wijk Kasımpaşa in Istanboel en begon zijn politieke carrière bij de islamistische partijen van Necmettin Erbakan, die ook de politiek-religieuze Millî Görüş beweging opzette. Erdogan blijkt een slim strateeg die het politieke spel als geen ander begrijpt. Zijn toenemende invloed en macht doet hem in 1998 voor tien maanden in de gevangenis belanden als politiek gevangene. Na zijn vrijlating richtte hij in 2001 zijn eigen partij op: de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP). Deze partij wint met een overtuigende meerderheid bij de Turkse verkiezingen en in 2002 wordt Erdogan premier van Turkije.

AKP leider Recep Tayyip Erdoğan

Hoewel Erdogan een islamist is, is hij bovenal een pragmaticus, die zich ook bedient van een sterk nationalisme. Zijn ideologie steunt voor een groot deel op de Turkse dichter Necip Fazıl Kısakürek, die ernaar streefde het Ottomaanse rijk weer in haar oude glorie te herstellen. De ‘Westerse Democratie’ wordt hierbij gezien als de vijand van het nieuwe Turkije (het Grote Oosten), wat ertoe leid dat Turkije sinds enkele jaren zich tot groot ongenoegen van haar Westerse bondgenoten van de NAVO aan het vervreemden is en een onafhankelijke koers is gaan varen ten gunste van de Turkse natie.

Met gevaar voor eigen leven voorkomt de Turkse bevolking een staatsgreep

Uiteraard betekend Erdogan zijn neo-Ottomaanse islamitisch-nationalisme een duidelijke breuk met het seculiere nationalisme van Mustafa Kemal, maar beiden weten het doorgaans sterk verdeelde Turkse volk onder hun banier te verenigen en de natie te sterken. Dit kwam onder andere tot uitdrukking tijdens de recente coup d’état die op 15 juli 2016 plaats vond in het land. Deze staatsgreep kon uiteindelijk verhinderd worden door een verenigt Turks volk, dat massaal de straten op ging om met gevaar voor eigen leven en met een ongekend fanatisme het leger van de coupplegers te ontwapenen. Ook in de Turkse diaspora, bij de talloze Turkse immigranten in bijvoorbeeld Duitsland en Nederland, leeft er nog een sterk nationaal bewustzijn. Ten alle tijden blijven Turken loyaal aan hun volk en natie.

In plaats van dit uitzonderlijke nationale bewustzijn te bekritiseren, doen nationalisten er wellicht beter aan om net als in het verleden daarvan te leren en hier inspiratie en kracht uit te putten!