dinsdag 23 februari 2016

15-02 Brussel: Staalbazen en vakbonden voor een 'algemeen belang' - Tegen Staaldumping

Brussel 15-02-2016 –
EEN KLASSIEK VOORBEELD VAN KLASSENCOLLABORATIE


Terwijl de grote crisis van het kapitalisme van 2008 zich blijft doorvreten, ervaart de Europese staalindustrie nu tevens in treinvaart een eigenaardige crisis – het overspoelen van de Europese markt door de overproductie van (goedkope) staal afkomstig uit China met als gevolg een grote verdwijning van de Britse staalindustrie, dit bovenop de eerdere verdwijning van de Britse scheepsbouw en de mijnsluitingen van tevens vorig jaar. Zo is dan ook tegen de Kerst van 2015 1 op de 6 Britse staalarbeiders op straat beland (6.000 arbeiders) en lijden nu ook verder in Europa vele ontslagen bij bedrijven. Staalbedrijven  als ArcelorMittal en Tata Steel (ook die in IJmuiden) zien hun cijfers tot miljarden in het rood schieten wat hun positie op de markt sterk doet wankelen. Ook bedrijven in Duitsland als ThyssenKrupp en Salzgitter AG ervaren dezelfde effecten van deze Chinese dumpingen. Alle redenen voor staalarbeiders en staalbazen dus om zich grote zorgen te maken over hun baan. Echter leverde deze bezorgdheid wel een zeer vreemde betoging op in Brussel.

,,Als China niet wordt gestopt, ben ik mijn job kwijt, net als duizenden anderen in de sector”. Dit hadden woorden kunnen zijn van een bezorgde staalarbeider, ware het niet dat hier voormalig CEO-man Geert van Poelvoorde van ArcelorMittal Gent aan woord was, o.a. hedendaags president van de staalvereniging Eurofer. Een menigte van 5.000 betogers bestaande uit arbeiders en patroons die gebroederlijk demonstreerde tegen “oneerlijke“ concurrentie uit China te samen met bezorgde arbeiders en managers uit andere sectoren zoals de chemie. Een zéér ongebruikelijke verschijning welk dan ook absoluut afgekeurd en bestreden dient te worden!

De Belgische syndicaten hadden niet deze betoging georganiseerd of zelfs opgeroepen een dergelijke actie te ondernemen, alles kwam uit de koker van werkgeversorganisaties (!). Syndicaten die de arbeiders mobiliseren voor de belangen van de patroons – voor het nationale belang van het kapitalisme dus. Corporatisme/solidarisme ten top waarbij klassenbewuste arbeiders niets te zoeken hebben.  Laat het “nationaal belang” niet boven het klassenbelang stijgen! (Op het gebied van klassenbewustzijn staan de Antwerpse dockers al klaarblijkelijk op een hogere trede, getuige het zelfstandige protest dat georganiseerd wordt tegen de verraderlijke syndicaatleiding omtrent het thema havenwerk en de wet Major).

Klassenbewuste arbeiders keuren deze betoging af omdat 1), deze niet door de syndicaten, of welke arbeidersorganisatie dan ook, georganiseerd is maar door de onverzoenlijke tegenstanders van de arbeiders, de kapitalistische klasse. En 2), omdat al sinds 2008 20% van de banen – 85.200 – in de staalsector verloren zijn gegaan, de syndicaten te samen met de werkgevers van de Europese Commissie nu pas verlangen actie te ondernemen in de vorm van importheffing etc. tegen de gedeformeerde arbeidersstaat China (in waar de staalindustrie staatseigendom is en gesubsidieerd wordt en dus goedkoper is).

Alhoewel China nog geen status heeft gekregen van een vrijemarkteconomie (zij voldoet “maar” aan 1 van de 5 criteria) door het neo-liberale beleid van de Europese Unie, komt zij wellicht toch in aanmerking voor deze titel wat het dumpen van de overcapaciteit aan Chinees staal op de Europese markt dan wel als zijnde ‘vrije markt beleid’ goedkeurt.  Maar hoe dan ook, de nu 16 lopende aangiftes tegen de dumpingen duren té lang om behandelen terwijl de importen uit China gewoon doorgaan, en de eventuele boetes zijn toch te laag om de winsten voor China teniet te doen. En tevens hebben teveel Europese bedrijven belangen in China om deze echt dwars te willen zitten. Factoren waar de EU ook zeker rekening mee houdt.

Maar het is niet aan ons om de belangen van de EU of de Europese kapitalisten veilig te stellen, en ook hebben wij er geen boodschap aan om de arbeiders uit China en Europa tegen elkaar uit te spelen omdat een bepaald land de markteconomie in haar voordeel heeft. Wij kiezen alleen de kant van het proletariaat en eisen daarbij de (RE-)NATIONALISERING VAN DE EUROPESE STAALINDUSTRIE onder zéér kritische voorwaarde. Wij zijn ons bewust van de reformistische inhoud ervan en weten dat het op langere termijn niets brengt, immers, in een kapitalistische staat blijven ook genationaliseerde bedrijven onder de kapitalistische wetten gelden. De enige juiste oplossing ligt in creatie van revolutionaire situaties… Deze eis biedt dan ook alleen maar een tijdelijke opvang van de klappen voor de staalbedrijven met behulp van staatssteun. Zoals China dat dus ook doet.

Het ACN/AKN blijft er op hameren dat er óók in deze tijden van crisis géén gemeenschappelijke belangen zijn tussen de onderdrukte arbeiders en haar kapitalistische uitbuiters. Ook al zou er een “internationaal gevaar” zijn, welk het “algemeen/nationaal belang” (de “welvaart” van de “nationale” arbeiders en hun  nationale bourgeoisie) bedreigd, dan nog blijft de vijand de eigen bourgeoisie! 
 
 

donderdag 4 februari 2016

Praktische tips voor het Straatgevecht: CS/CN-Gas

Zelfverdediging en eerste hulp bij verwondingen door traangasgebruik


"Chemical mace", kotsgas, braakgas, bestrijdingsmiddelen op afstand, traangas – de shit draagt vele namen. Maar slechts één is werkelijk juist: strijdgas. Zo betitelen de militaire handboeken deze chemische wapens. In internationale oorlogen en conflicten zijn het gebruik van CN-(Chlorazetophenon) en CS-(ortho-Chlorbenzylidenmalondinitril) strijdgas volkenrechtelijk verboden, ter bestrijding van de eigen bevolking worden ze echter door de cops in geheel West-Europa sedert enige tijd in versterkte mate ingezet. De hierbij gehanteerde concentraties strijdgas zijn aanzienlijk hoger dan bij het gebruik van de in de normale handel verkrijgbare gasspuitbussen.

Omdat ook wij tijdens onze acties herhaaldelijk met dergelijk strijdgasgebruik worden geconfronteerd, dienen de activisten op de hoogte te zijn van het volgende: Verschillende lanceerinrichtingen brengen het gas tot over een afstand van 120 meter effectief onder de mensenmenigte: Chemical Mace (“chemische knuppel”): 7 meter; <Pepper-Fog>> afvuurinrichting (combineert CN/CS met rook): 20 meter; de “Superknuppel” (ziet er op het eerste gezicht uit als een onkruidbestrijdingsapparaat): 15 meter; granaten: 40 meter; als bijmengsel in waterkanonnen: 65 meter. Nieuwste variant: grote sprongen makende, fragmenterende granaten en speciale projectielen met CN/CS, die dwars door ramen en deuren heen slaan en de achterliggende ruimte met rook vullen. Zowel CN als CS hebben beide hun uitwerking op de huid, de ademwegen en de slijmhuid van de ogen. Alleen al daarom zelfs tot de dood kan leiden.

In de regel echter verdwijnen de klachten al na betrekkelijk korte tijd vanzelf. Eenvoudige  maatregelen garanderen een goede zelfverdediging en een snelle eerste hulp; het afschrikkingeffect laat zich met succes neutraliseren.                                   

Doorsnede van een CS-Granaat


ZELFVERDEDIGING

De ogen kunnen het beste worden afgeschermd door een gasbeschermingsbril, die hermetisch luchtdicht afsluit. Mogelijk is ook een goed afgesloten skibril. Voor brildragers is een kleine bril met sportbeugel en onbreekbaar glas aan te bevelen; deze brillen zijn bij ons al gedeeltelijk in gebruik geraakt, deze bieden ook bescherming voor oogverwondingen door glassplinters bij fysiek contact.

Contactlenzen kunnen gemakkelijk eens verschuiven (bijv. bij het uitspoelen van de ogen), bovendien kan het CN/CS-gas zich onder de lens concentreren en langer werkzaam blijven.

De ademwegen kunnen perfect worden bedekt met een filtermasker. Kleinere
modellen, zoals in autospuiterijen gebruikelijk, voldoen volledig. De combinatie van bril en masker, het zogeheten <<volledig masker>>, maakt al na korte tijd het ademen echter tot een echte inspanning. Mond/gezichtsdoeken kunnen eveneens worden gebruikt en zijn ook het meest gebruikelijk. Deze dienen zo fijnmazig als mogelijk te zijn geweefd. Ideaal is een driehoeksdoek uit de verbanddoos. Het natmaken van deze zorgt weliswaar voor een bijkomstige afsluiting van het weefsel, op den duur echter verdampt het water door de lichaamswarmte, de gasdeeltjes hopen zich op, de concentratie stijgt hierdoor. Hier helpt alleen nog maar het wisselen van doek of meermalig uitspoelen met water.

Verreweg de meeste huidgedeelten kunnen het best door oliepakken of leren kleding en waterbestendig schoeisel worden beschermd. Leren kleding dient voldoende te zijn ingevet. Let erop dat de kraag van het jack zo nauw mogelijk rond de hals sluit, zodat er niets binnen kan sijpelen en zich in de onderkleding kan ophopen. Het vochtig warme CN/CS in contact met de huid zorgt voor huidverbrandingen over grote oppervlakte. (Zie illustraties)

Belangrijk is ook het hittebestendig bedekken van de handen teneinde eventuele projectielen terug te kunnen gooien. Geschikt zijn hiervoor motor- of werkhandschoenen (bijv. voor laswerkzaamheden). Wees erop bedacht: Granaten aan de niet-verhitte kant aanraken!

Van het zichzelf beschermen tegen CN/CS met behulp van crème, citroensap of azijn kunnen wij alleen maar dringend afraden. Deze “insidertips” hebben géén enkel nut of versterken zelfs de werking van het gas. Crèmes horen in de make-up tas, citroensap en azijn in de keuken. Water is en blijft onbetwistbaar het enige middel!

 
EERSTE HULP

Het aantal lichamelijke gevolgen na het gebruik van CN/CS is veelzijdig, en elk van de mogelijke uitwerkingen vereist snelle eerste hulp. Hoe langer de werking van het gas, des te groter het gevaar van acute en chronische schade.

Zoals bij vrijwel alle inwerkingen van chemicaliën op de ogen is ook hier water het juiste, en in noodgevallen ook enig aanwezige, middel van eerste hulp. Alleen door aanhoudend spoelen kan het gas verdund en uitgespoeld worden. Dat duurt  10 minuten of ook langer. De afnemende pijn is hierbij de enig mogelijke graadmeter om het succes van de behandeling vast te stellen. Treedt de pijn na enige tijd opnieuw op, dan betekent het in de regel, dat er nog steeds restanten zich onder het ooglid bevinden en dat er opnieuw gespoeld moet worden. Treedt de pijn pas na uren weer op, dan kan dit een indicatie voor een beginnende oogvliesontsteking zijn, die medische behandeling vereist.

Gespoeld wordt er steeds van binnen naar buiten, opdat er geen spoelvloeistof in het andere oog loopt. Hiertoe wordt het hoofd schuin naar achteren gehouden (de behandeling moet soms met geweld plaats vinden, omdat sommige personen na aanraking met gas in paniek raken en de oriëntatie verliezen), en de huid boven en onder het oog wordt uit elkaar getrokken. Met deze greep lukt het steeds weer om de verkrampte oogleden tenminste een kier te openen, zodat de eerste straal water het oog omzwemt. Binnen luttele seconden wordt de pijn minder, verdere stralen spoelen de gasresten uit.

Bij treffers op de huid of bij met gas volgezogen kleding moeten de kledingstukken zo snel mogelijk worden uitgetrokken en moet de huid met rijkelijk veel koud water worden afgewassen. Warm water is hiervoor niet geschikt, omdat het de poriën van de huid opent en de werking van het gas versterkt. Huidirritaties en blaren dienen later medisch te worden behandeld.

Nadat contact met gas heeft plaatsgevonden, is het belangrijk om zo snel mogelijk uit de met gas besmette kleding te komen en deze vacuüm in een plastic tas te verpakken. Anders zorgt de lichaamswarmte ervoor dat er voortdurend kleine hoeveelheden CN/CS uit de kleding verdampen en juist in besloten ruimten steeds opnieuw voor een verdere opnamen van het gas via de ademwegen zorgen. In besloten ruimte en in voertuigen dienen dus de ramen te worden geopend!

Bij alle vormen van ademhalingsmoeilijkheden, van pijn in de keel via hoesten tot ademnood, luidt de eerste maatregel: frisse lucht! Wie last heeft van de een of andere chronische ziekte aan de ademwegen, in het bijzonder astma of chronische bronchitis, dient bij aanraking met gas onmiddellijk het strijdtoneel te verlaten en ter voorkoming van ergere schade plat te gaan liggen met opgehoogd bovenlichaam.

Een bijzonderheid van het gebruik van CS is het gevoel geen lucht meer te krijgen. Desondanks lijken de longen echter nog voldoende ademlucht te krijgen (zie recente ervaringen in Noord-Ierland, Zwitserland, Beieren, Berlijn en Nederland). Een andere bijzonderheid van het CS-gebruik is sterkte misselijkheid en maagkrampen. Vandaar ook dat CS-gas als bijnaam heeft gekregen: braakgas (of ook wel “kotsgas”). In de regel verdwijnt de misselijkheid reeds na korte tijd vanzelf, normaal is hier geen eerste hulp nodig en mogelijk, de precieze uitwerkingen van CS-gas op de maagspieren zijn echter nog onbekend. Elk teken, dat verder gaat dan het hierboven beschrevene of langer duurt dan 24 uur, vereist een medische behandeling!

Deze tips ter zelfverdediging en voor Eerste Hulp zijn slechts geschikt om de werking van het gas te beperken, de gevolgen te verminderen en de groep weer zo snel mogelijk fit voor actie te krijgen, ze vervangen echter niet de behandeling door een arts in zwaardere gevallen!


De lichamelijke schade die een Amerikaanse militair opliep na enkele uren blootstelling aan CS-gas.





     
      



zondag 24 januari 2016

Over de 'restauratie van het kapitalisme' in de Sowjet Unie

Een bijdrage tot het onderzoeken van de oorzaken

In onderstaand discussieartikel wordt nader ingegaan op de meningsverschillen en conflicten tussen de diverse fracties binnen de leiding van de CPSU m.b.t. de verdere economische ontwikkeling in de USSR na de dood van Stalin. De conclusies die aan het eind worden getrokken, kunnen slechts als voorlopig worden beschouwd en zijn zeer zeker nog niet het absolute eindresultaat. 

Als marxist-leninisten beoordelen wij een maatschappelijke formatie aan de hand van een analyse van de aan deze ten grondslag liggende productieverhoudingen (d.w.z. bezitsverhoudingen), van de klassenstructuur en van de klassenstrijd.




Joseph Stalin



Volgens Stalin ,,levert de stand van de productieverhoudingen het antwoord op de vraag: in wiens bezit de productiemiddelen (de grond, de bossen, de wateren, bodemschatten, de grondstoffen, de productiewerktuigen, de productiegebouwen, de verkeers- en verbindingsmiddelen enz.) zich bevinden, tot wiens beschikking de productiemiddelen staan, tot beschikking van de gehele maatschappij of tot beschikking van afzonderlijke personen, groepen, klassen, die ze gebruiken om andere personen, groepen, klassen uit te buiten”. (Over dialektisch en historisch materialisme, p. 33).

Met andere woorden: Dankzij de monopolisering van de productiemiddelen op economisch gebied zijn de maatschappelijk heersende personen, groepen, klassen ook op geestelijk, ideologisch gebied toonaangevend. Die personen, groepen, klassen, die in de sfeer van de materiële productie heersen, beschikken dientengevolge ook over het monopolie op de middelen van de geestelijke productie (academiën, instituten, drukkerijen, media, scholen etc.). Tot wiens beschikking bevonden zich nu de voornaamste productiemiddelen ten tijde van Stalin? Of anders geformuleerd: Hoe was het gesteld met de eigendoms- en bezitsverhoudingen in het tijdperk van Stalin? En wie was in staat om beslissingen te nemen aangaande economische en politieke vraagstukken?

Enkel en alleen uit het juiste antwoord op deze vraag laat zich namelijk de daaropvolgende revisionistische politiek van het Chroesjtsjow-tijdperk en de daarmee samenhangende neergang van de socialistische Sowjet-Unie verklaren. De transformatie van een maatschappelijke formatie in zijn totaliteit (bestaand uit basis-onderbouw- en bovenbouw) veronderstelt immers, zoals bekend, kwalitatief gewijzigde bezits- en machtsverhoudingen.


Nikita Chroesjtsjow

Ten tijde van Stalin was er sprake van ,,twee basisvormen van de socialistische productie: de staats, volkseigen, en de collectief-economische*, die men niet als volkseigen kan betitelen. In de staatsbedrijven zijn de productiemiddelen en de fabricaten van de productie algeheel eigendom van het volk. In de collectief-economische bedrijven daarentegen zijn, hoewel de productiemiddelen (grond, machines) ook hier toebehoren aan de staat, de fabricaten van de productie echter eigendom van de afzonderlijke economische collectieven (coöperaties), aangezien het in de coöperaties zowel eigen arbeid als ook eigen zaaigoed betreft, terwijl de coöperaties over de grond (die hen is gegeven voor onbeperkt gebruik) feitelijk beschikken als ware het hun eigendom, hoewel zij deze noch mogen kopen, noch verkopen, noch verpachten, noch uitlenen”. (Stalin – Economische vraagstukken van het socialisme in de USSR, p. 17).

Hieruit blijkt dus duidelijk dat de voornaamste productiemiddelen van industrie en landbouw zich in handen van de proletarische staat (dictatuur van het proletariaat) bevonden. Het economische en maatschappelijke leven werd dienovereenkomstig gedirigeerd door een centrale planning. Uit welk leidinggevend personeel bestond echter de proletarische staat? Voor elk economisch-politiek ressort bestond er een verantwoordelijk kader (d.w.z. een groep) van kameraden. Zo fungeerde er een leidinggevend kader (of groep) voor wat de ressorts van de zware en bewapeningsindustrie, de lichte industrie (consumptiegoederenproductie) en de landbouw betreft. 


In de hand van dit kader, dat door de Partij werd gevormd, lag de controle over de voornaamste productiemiddelen. Zij besliste dientengevolge zowel over de productie, de distributie, de ruil en de consumptie van materiële goederen als ook over de politiek (d.w.z. over het karakter van de staat).

Direct na de dood van Stalin werd een zogeheten ,,leiderscollectief” (bestaand uit de representanten van het diverse kader) gevormd, dat uit volwaardige leden van het presidium van het Centraal Comité bestond. Rekening houdend met de steeds wisselende machtsconstellaties vielen er binnen het ,,leiderscollectief” drie niveaus uit te maken.

1e - Het opperste niveau werd in eerste instantie gevormd door Malenkow, die slechts gedurende korte tijd de functies van zowel partij- als regeringsleider in één persoon verenigde, en Berija als de hoogste in rang eerste plaatsvervangend minister-president zijnde. Na het splitsen van de beide hoogste functies volgden de tweemanschappen Malenkow/Chroesjtsjow en Boelganin/Chroesjtsjow. Na het overnemen van de functie van minister-president van de USSR door Chroesjtsjow in april 1958, waarbij Boelganin van zijn post werd ontheven, werd het opperste niveau nog enkel en alleen door Chroesjtsjow gerepresenteerd.

2e - Het middelste niveau bestond uit een ,,interne kring”, waarvan aanvankelijk alle eerste plaatsvervangend minister-presidenten, die tevens ook lid waren van het presidium van het CC, plus Chroesjtsjow deel uitmaakten. Na de verwijdering van de zogeheten ,,anti-Partijgroep” bleven in eerste instantie Chroesjtsjow, Kiritsjenko, Soeslow, Mikojan en Koslow over. Nadat Kiritsjenko van zijn functie was ontheven en er in mei 1960 enige verschuivingen op het gebied van het leidinggevend personeel hadden plaatsgevonden, bestond de ,,interne kring” voortaan uit de volgende personen: Chroesjtsjow, Koslow, Soeslow, Mikojan en Kossygin. De plaats van Koslow werd na diens ziekte ten slotte ingenomen door Bresjnew.

3e - Het laagste niveau werd gevormd door de leden van het presidium van het CC in hun totaliteit, die in formele zin allen gelijkberechtigde leden van het ,,leiderscollectief” waren.

De ‘herziene’ economische politiek in de eerste jaren na de dood van Stalin wordt gebruikelijk als de ,,Nieuwe Koers” betiteld. Deze vormde het equivalent op het gebied van de economische politiek van de zogeheten ,,dooi” op het gebied van het geestelijke leven. De zogeheten ,,Nieuwe Koers” duurde ongeveer vanaf de zomer van 1953 tot begin 1955. In de late zomer van 1953 kondigde de toenmalige minister-president Malenkow voor de Sowjet-Unie een ‘herziene’ economische politiek aan, waarbij sterker rekening gehouden zou worden met de behoeften van de bevolking. Teneinde de productie en levering van consumptiegoederen snel en duurzaam te ,,verbeteren” dienden de ontwikkeling van de lichte en levensmiddelenindustrie alsmede de uitbreiding van de landbouw en van het handelsapparaat wezenlijk sterker als tot dan toe doelstellingen te worden van de centrale planning. Naar buiten toe diende via de sterker op consumptie georiënteerde economische politiek in de staten van het westerse imperialisme de gepropageerde politiek van vreedzame co-existentie te worden bevorderd.

Voorts diende door middel van de ,,hervorming” van de agrarische belasting, het verhogen van de prijzen voor agrarische producten alsmede het vaststellen van nieuwe, lagere leveringsnormen het materiële belang van de boeren in de kolchozen[1] te worden geprikkeld.

Op 24 januari 1955 verscheen  ten slotte in de Prawda een langer theoretisch artikel van de hand van Sjepilow (lid van het CC van de CPSU) met als titel ,,De algemene lijn van de Partij en de vulgaire marxisten”, waarin werd vastgehouden aan het principe van de onvoorwaardelijke voorrang van de zware industrie (,,de enig juiste marxistisch-leninistische economische politiek”) en een gelijkmatige ontwikkeling van de productieafdelingen A en B werd afgewezen. Dit artikel luidde het begin van het liquideren van de ,,Nieuwe Koers” in, waarvan het einde met het aftreden van Malenkow als minister-president (februari 1955) duidelijk werd.

De kwestie van de voornaamste stootrichting van de economische politiek speelde dus bij het wisselen van de leiding in het begin van 1955 een allesbeheersende rol.

Malenkow trad op voor een voortzetting van de ,,Nieuwe Koers” en daarmee voor een sterkere benadrukking van de consumptiegoederenindustrie ten koste van de zware en wapenindustrie. Chroesjtsjow koos de kant van de voorstanders van het primaat van de zware industrie, die hij later zelf op verachtelijke manier als de ,,ijzervreters” placht te karakteriseren. Op de plenaire zitting van het CC in januari 1955 verwierp hij resoluut elke verlangzaming van het tempo van de ontwikkeling van de zware industrie als ,,zelfmoord” en als een ,,ontoelaatbare rechtse afwijking”. De zege van Chroesjtsjow over Malenkow op het januariplenum betekende het einde van de ‘Nieuwe Koers’. Hij bemoeilijkte daarmee ook zijn eigen streven om sterker rekening te houden met de behoefte van de landbouw. (Chroesjtsjow vertegenwoordigde namelijk de groep van de agrarische goederenproductie, de zogeheten ‘agrarische fractie’).

Anderzijds legde hij zodoende de basis voor een beslissende uitvalspositie in zijn strijd om de macht. Toen Chroesjtsjow na het 22e Partijcongres een poging ondernam om de ‘Nieuwe koers’-politiek van Malenkow nieuw leven in te blazen in het teken van het door hem nagestreefde ,,welvaartscommunisme” (‘goelasjcommunisme’), beschikte hij ondanks zijn dominerende positie niet over voldoende steun om dit te realiseren. Een dergelijke politiek was evenals in het tijdvak 1953-54 slechts mogelijk ten koste van de zware industrie. Derhalve moest deze politiek logischerwijze op het verzet stuiten van dezelfde krachten, die destijds als bondgenoten van Chroesjtsjow Malenkow ten val hadden gebracht. Thans waren het Koslow en Soeslow, die als de voornaamste exponenten van deze krachten naar voren traden. Chroesjtsjow zag zich dan ook gedwongen om aan het einde van de plenaire zitting van het CC in maart 1962 een verklaring af te leggen, waarin het primaat van de zware industrie nogmaals werd benadrukt en stelling werd genomen tegen pogingen om ,,financiële middelen naar de landbouw ten koste van de ontwikkeling van de industrie en de versterking van de landsverdediging” om te leiden.

Een hernieuwde poging van Chroesjtsjow om na het ziek worden van Koslow het primaat van de zware industrie ter discussie te stellen en daarmee aan de verhoging van het levenspeil de voorgang te geven boven de ontwikkeling van de zware industrie werd hem, evenals voorheen Malenkow, noodlottig. Het streven van Malenkow en later eveneens van Chroesjtsjow naar een economische politiek, die zich baseerde op het verlenen van prioriteit aan de productie van consumptiegoederen alsmede aan de landbouw, werd het scherpst bestreden door de representanten van de belangen van het ,,militair-industriële complex” (zijnde de sterkste groep binnen het ,,leidinggevend collectief”). Deze groep, die de controle uitoefende over de zware industrie, verlangde telkens opnieuw nieuwe financiële middelen voor bewapeningsdoeleinden. Dat was ook de reden waarom men zich tegen de ‘Nieuwe Koers’ had verzet.

Terug naar de machtsstrijd tussen de groep-Chroesjtsjow en de groep-Malenkow: In het conflict tussen Chroesjtsjow ener- en de zogenaamde ‘Anti-Partijgroep’ anderzijds speelde niet zo zeer de algehele economische politiek als veeleer de agrarische politiek een wezenlijke rol. Met steun van Zjoekow (een representant van de zware en bewapeningsindustrie) gelukte het Chroesjtsjow om zijn eerste grote administratieve hervorming van mei 1957 te realiseren. (Deze hervorming behelsde een decentralisering van het administratieve beheer over de industrie en de bouw op de grondslag van te vormen regionale economische raden). Een en ander stuitte echter op heftig verzet in het Presidium van het CC.

De poging van de meerderheid van het Presidium, waartoe naast Malenkow en Molotow ook Boelganin behoorde, om Chroesjtsjow van zijn functie als eerste secretaris te ontheffen, mislukte (juni 1957). Sedertdien wordt deze presidiumsmeerderheid als de zogeheten ‘anti-Partijgroep’ betiteld. Van de ‘Anti-Partijgroep’ maakten naast Malenkow en Molotow de volgende leden van het Presidium van het CC deel uit: Boelganin, Worosjilow, Kaganowitsj, Perwoechin, Saboerow en Sjepilow.

In februari 1958 werd Chroesjtsjow voorzitter van de Ministerraad van de USSR (ter vervanging van Boelganin). Hiermee verenigde hij (met steun van de zware industrie) de functies van partij- en regeringsleider in één persoon. Deze machtsconcentratie stelde hem in staat om een reeks van ,,hervormingen” uit te voeren, waaronder de ,,hervorming” van het agrarisch-economische systeem, welke gepaard ging met de afschaffing van de Machine-Tractor-Stations (MTS)[2] in maart 1958 en een reorganisatie van het agrarische areaal in juni 1958.

Degenen die deel uitmaakten van de ‘Anti-Partijgroep’, in het bijzonder Malenkow en Molotow, werden ervan beschuldigd, dat ze zich – afgezien van de MTS-hervorming – gekeerd zouden hebben tegen de onderstaande maatregelen van Chroesjtsjow op het gebied van de landbouwpolitiek:

1e – Hervorming van het systeem van de agrarische planning, waarbij sterker rekening werd gehouden met het principe van de materiële prikkel.
2e – Afschaffing van de verplichte levering van de opbrengst van de verbouw van gewassen op privéland van de kolchosboer.
3e – Het plan om de USA op het gebied van de productie van melk-, boter- en vleeswaren rond 1960/61 in te halen en voorbij te streven.
4e – De ontsluiting van nieuwe landbouwarealen in Sowjet-Azië.

Uit de motivering van de punten van beschuldiging door de partijgangers van Chroesjtsjow wordt duidelijk dat de leden van de ‘Anti-Partijgroep’ ijverden voor een intensiever gebruik van de reeds bestaande landbouwgebieden. Het utopische plan van Chroesjtsjow (vooral voor wat punt 3 betrof) werd door hen als een ‘rechtsopportunistische afwijking’ gezien. Aangezien de economische politiek van de Sowjet-Unie berustte op het primaat van de zware industrie, dienden de kapitalistische landen eerst en vooral op het gebied van de staal- en andere productietakken van de zware industrie te worden ingehaald en pas daarna op het gebied van de agrarische productie.

Zonder toestemming van de meerderheid van het Presidium ontvouwde Chroestsjow vervolgens op een mammoetconferentie van het topkader eind september 1964 zijn concept van een vijftien jaren-perspectiefplan betreffende de periode 1966-1980. Als ‘voornaamste taak’ van dit perspectiefplan betitelde hij de versnelde ontwikkeling van de consumptiegoederenindustrie naast de landbouw en een snelle verhoging van het levenspeil. Zijn streven om dit perspectiefplan, dat kennelijk niet alleen bij de ,,ijzervreters” op verzet stuitte, op de plenaire zitting van november te laten goedkeuren, werd doorkruist toen hij in oktober 1964 van al zijn functies werd ontheven. Dit gebeurde op instigatie van de groep die de zware en bewapeningsindustrie representeerde.

In laatste instantie weken beide groepen af van het pad van de door Stalin uitgestippelde economische politiek: Zowel de groep-Malenkow (en later ook Chroestsjow) met haar prioriteit voor de consumptiegoederenindustrie en de landbouw als ook de groep-Koslow/Soeslow (en aanvankelijk eveneens Chroesjtsjow) met haar prioriteit voor de zware en wapenindustrie. Nadat de groep der zware industrie het pleit had gewonnen, begon Chroesjtsjow stap voor stap op systematische wijze met het afbreken van het socialistische economische systeem.

Met de uitschakeling van de Partij en van de dictatuur van het proletariaat begon Chroesjtsjow aan een reeks van ingrepen in de productieverhoudingen. Hij wijzigde vooral de omverdelingsmechanismen: Het geaccumuleerde nationale inkomen (= kapitaal) werd niet meer – zoals nog ten tijde van Stalin – ten bate van de werkende bevolking aangewend. Onder Chroesjtsjow kreeg het geaccumuleerde kapitaal daarentegen meer het karakter van ,,privé-eigendom” (‘privé-eigendom’ in de betekenis van duurzame consumptiegoederen). Hierbij ging het in hoofdzaak om kleding, meubels, elektrische huishoudelijke apparaten alsmede – voor de in socio-economisch opzicht bijzonder goed gesitueerde elite (het leidinggevend kader) – ook om woonhuizen in privébezit.

Het basisbeginsel in de periode-Chroesjtsjow was dus vooral de accumulatie voor de consumptie[3]. Daarom leidde de goederenproductie ook niet tot een verdere ontplooiing van de productiekrachten. De arbeidersklasse zelf reageerde hierop met passief verzet, d.w.z. ze toonde géén interesse meer aan een verdere ontwikkeling van de productiekrachten. Als gevolg hiervan begon de economie te stagneren.

Concluderend kan men stellen dat de productie verhoudingen in conflict kwamen met de productie krachten, hetgeen uiteindelijk leidde tot de neergang van het socialisme. O.i. is het derhalve onjuist om te stellen dat onder Chroesjtsjow het kapitalisme weer zou zijn hersteld. Géén van de wezenlijke kenmerken van het kapitalisme, zoals door Stalin opgesomd (in zijn <<Economische vraagstukken van het socialisme in de USSR>>), is op het economische systeem van de periode-Chroesjtsjow van toepassing. In zoverre is het evenzeer onjuist om in dit verband te spreken van een kapitalisme in klassieke zin dan wel van een staatskapitalisme of een ‘kapitalisme van het nieuwe type’.





____________
* Hier verwijst Stalin naar het systeem van de kolchozen in de Sowjet-landbouw (zie onder) -

[1] Kolchozen (collectieve boerderijen) - Hierin zijn de bewoners van één dorp of van een aantal aan elkaar grenzende dorpen verenigd. In 1969 waren er in de gehele USSR ca. 36.000 kolchozen met een gemiddelde grootte van 6.000 ha. Gemiddeld wonen op een kolchoz zo’n 500 boeren met hun gezinnen die naast hun particulier veebezit (40% van al het vee in de USSR was particulier eigendom) collectief nog het bezit hebben over 1.100 runderen, 700 varkens en 1.6000 geiten. De boeren wijzen uit hun midden een bestuur aan, waarvan ze ook de voorzitter kiezen. (Meestal iemand die het vertrouwen geniet van de Partij.) De voorzitter regelt alle werkzaamheden en daartoe deelt hij alle volwassen mannen en vrouwen in brigades in. Elke brigade heeft zijn eigen specifieke taken.

De staat bepaalt wat er op de kolchoz wordt geproduceerd. Van staatswege wordt er een productieplan voorgeschreven, waarin exact staat hoeveel tarwe, suikerbieten, melk, varkensvlees etc. er elk jaar geproduceerd dient te worden. Een vastgesteld deel van deze productie gaat als verplichte levering naar de staat tegen van te voren vastgestelde (erg lage) prijzen. Een eventueel overschot koopt de staat ook, maar daarvoor gelden hogere prijzen. Daarnaast is er ook de mogelijkheid om overschotten te verkopen op de vrije markt.

In alle steden is er een dergelijke vrije markt. Deze is grotendeels het domein van de boeren die er levensmiddelen verhandelen. Hier worden niet alleen overschotten verkocht die collectief zijn geproduceerd, maar ook de producten van de eigen privégrond en van het eigen vee. Elke kolchos uit de omgeving heeft zijn eigen kraam op de markt. De kolchosboeren besteden te veel tijd aan hun eigen moestuintjes en hun eigen koeien en kippen. Het werk op de collectieve akkers wordt daardoor verwaarloosd en de productie is daar dan ook laag. In privébezit bevinden zich het boerenhuis, een stukje grond ter grootte van ½ ha en wat vee (één koe, een paar geiten, schapen, varkens, wat pluimvee).

Sowchozen (staatsbedrijven) - Deze zijn zeer veel groter dan de kolchozen; gemiddeld hebben ze een oppervlakte van 30.000 ha. I.t.t. de kolchozen zijn ze niet gevormd door samenvoeging van bestaande bedrijven: De staat heeft ze gesticht in gebieden waar nog géén landbouw werd bedreven (-> Siberië, Sowjet-Centraal-Azië). Een sowchoz lijkt nog het meest op een fabriek. De leiding v.h. bedrijf berust bij een directeur. Hij benoemt arbeiders die hun werkzaamheden verrichten tegen een vast loon. Weliswaar hebben deze arbeiders-in-loondienst evenals de kolchosboeren de beschikking over een stukje privé-grond voor eigen gebruik, maar daar mogen ze alleen maar tijd aan besteden buiten werktijd (-> anders dan in de kolchos). De sowchos is bedoeld als modelboerderij voor de kolchos, zodat de kolchosboer kan leren hoe hij een grootbedrijf dient te beheren. Sommige sowchozen hebben als speciale taak om de kolchozen te voorzien van fokvee, pootaardappelen of zaaigoed. Dikwijls zijn sowchozen gespecialiseerd in één enkel product, bijv. katoen, suikerbieten, melk of varkensvlees.

Terwijl het aantal kolchozen geleidelijk aan steeds meer afneemt (de staat wil er eigenlijk zoveel mogelijk van af), wordt het aantal sowchozen alleen maar groter. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat de landbouw steeds verder doordringt naar de nog onontgonnen gebieden in Oost-Siberië en Centraal-Azië. Ook is er een beleid van staatswege om de bestaande kolchozen zoveel mogelijk om te zetten in staatsbedrijven.

[2] Machine- en Tractorenstations (MTS) - Agrarische staatsbedrijven, die de zware landbouwmachines op de kolchozen in beheer hebben. Zoals gezegd zijn de MTS in handen van de staat. De MTS-arbeiders zijn dus in loondienst en worden uitgeleend aan de kolchozen tegen betaling in geld of natura. De MTS vormden de basis voor de opbouw v.h. socialisme in de landbouw (zie ‘Lehrbuch der Politischen Ökonomie’, Moskou  1954).

[3] De goederenproductie in de Chroesjtsjow-periode was géén productie  omwille van de winst, maar veeleer voor het parasitair eigen gebruik.

maandag 14 december 2015

ACN/AKN: Solidariteit met de gearresteerde Air France Stakers – Géén vervolgingen!


Op 5 okt. jl. vond er bij de luchthaven Charles de Gaulle in Parijs een betoging van het strijdbare vakverbond CGT plaats tegen de plannen van het Air France-management om plm. 3.000 arbeiders te ontslaan; dit bovenop de eerdere 9.000 ontslagen sinds 2012. Duizenden betogers namen deel aan dit beladen protest, dat al snel zou uitlopen op het “belagen” van twee hooggeplaatste kapitalisten en arrestaties van arbeiders een week later*.

De beelden van de half ontblote kapitalisten gingen in veelvoud over de wereld. ,,Criminelen”, zo betitelde premier Valls (PS) de arbeiders. ,,Dom”, trapte de Minister van Economie, Macron (degene die de sociale verworvenheden afbreekt) , hen na. Echter, zelfs de bourgeois-krant Le Monde haalde de betogers niet zo erg door het slijk. De gescheurde kleding kon ook het gevolg zijn van het feit dat de kapitalisten over een terreinhek moesten klimmen met behulp van de beveiliging in een poging om zo aan de woedende massa te ontkomen.

Deze kapitalisten waren van deze betoging nog degenen die het minst gewond waren. Op deze dag werden tevens een piloot en een steward zwaar mishandeld door de smeris op de luchthaventerminal. Balans: Zeker zestien arrestaties. De zwaarste straffen zullen gaan vallen voor de ‘Vijf’, vijf arbeiders die tot de industriële tak van Air France behoren en mogelijk drie jaar tegen zich horen eisen voor ‘groepsaanvallen’ en schadevergoedingen tot €45.000. Elf anderen moeten terecht staan voor ,,vernieling van eigendom” en voor zeventien arbeiders dreigt ontslag.

Het ACN spreekt hierbij dan ook haar onvoorwaardelijke solidariteit uit met de gearresteerde arbeiders tijdens dit gezamenlijk optreden van grond- en cabinepersoneel (wat al uitzonderlijk is) tegen hun kapitalisten. Het ACN ondersteunt dan ook volledig de eisen van de twaalf vakbonden van Air France-personeel betreffende de gearresteerde collega’s en hun strijd tegen deze vorm van bourgeois-klassenjustitie!

= ONVOORWAARDELIJKE INTREKKING VAN ALLE AANKLACHTEN TEGEN DE ‘VIJF’!

= STOP DE SYSTEMATISCHE JUSTITIËLE REPRESSIE TEGEN DE ‘VIJF’ EN HUN COLLEGA’S!

Anticapitalist Network/Antikapitalistisch Netwerk





Het (letterlijk) uitkleden van de kapitalisten, zoals zei met het proletariaat doen: een voorbeeldige acties die veel navolg verdient! More, more, more!



___________ * Dat “linkse” Franse politici en de arbeiders van Air France al jaren niet op goede voet staan is mede te danken aan de voormalige Minister van Transport, Gayssot (PCF[!]), die het bedrijf eind jaren ’90 privatiseerde en welk hedendaags zeer gemilitariseerd is.

donderdag 19 november 2015

Communique mbt de aanslagen in Parijs


Afgelopen vrijdag 13 november werd Parijs opgeschrikt door een aanval. Op zes plekken in de Franse hoofdstad werden aanslagen gepleegd door militanten van de Islamitische Staat (IS). Dit resulteerde in 129 doden en 352 gewonden. Wij veroordelen de willekeur van deze wrede actie. Ons medeleven gaat dan ook uit naar de onschuldige slachtoffers en hun nabestaanden.


Parijs in de greep van aanslagen door IS militanten

President Hollande veroordeelde de aanslag en bestempelde deze als "een oorlogsdaad".

Was het echter niet de imbeciel Hollande die deze oorlog begon van het Midden-Oosten tot Afrika? Het Franse volk bleef stil en keek apathisch toe hoe uit hun naam kruistochten werden gevoerd in Mali, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Irak en Syrië met onnoemelijk veel leed en onschuldige slachtoffers tot gevolg!


Ravage na luchtaanvallen van de anti-IS coalitie in Syrië en Irak, die vele honderden onschuldige burgers het leven gekost hebben

Dat weerhoudt President Hollande er echter niet van om de brute dood van zijn eigen volksgenoten te misbruiken in een cynische campagne om zijn repressieve apparaat te versterken en zijn imperialistische ondernemingen in het buitenland uit te breiden. Wie de zogenaamde "Republikeinse waarden" niet deelt kan keiharde repressie tegemoet zien.

Het angstklimaat wordt misbruikt om de bevoegdheden van politie en inlichtingendiensten steeds verder uit te breiden, zodat zij hun rol als waakhonden van de kapitalistische orde beter kunnen vervullen. Achter het veiligheidsbeleid van de staat zien we een steeds grotere vervaging van de grenzen tussen politiek, justitie, politie, leger, civiele beveiliging en de veiligheidsindustrie; het oogmerk van het nieuwe fascisme. 

 

Franse vreemdelingenlegioen in strijd met de Toeareg, een nomadisch volk in Mali 

In tegenstelling tot wat de imperialisten ons willen doen geloven, hebben de Islamisten geen monopolie op terreur.  Het zijn de imperialisten die deze oorlog en het bloedvergieten begonnen zijn! Onze solidariteit gaat daarom ook uit naar de slachtoffers van deze imperialistische agressie, zowel hier als in het verre buitenland!