zondag 12 mei 2013

12-05-2013 C9M in Parijs


Op zondag 12 mei verzamelden vele honderden nationalisten zich in de vroege ochtend op het Place de la Madeleine in Parijs voor de jaarlijkse mars van het "Comité du 9-Mai" (C9M) tegen globalisering en ter herdenking van de gevallen kameraad Sébastien Deyzieu, die om het leven kwam door politiegeweld. Ook een Nederlands-Duitse delegatie van het Anti-Capitalist Network (ACN/AKN) nam deel aan de manifestatie.


Vanuit het Place de la Madeleine verplaatste de manifestatie zich richting het standbeeld van Joanne d'Arc waar verschillende toespraken zouden worden gehouden. Opvallend was de aanwezigheid van enkele FEMEN activistes die een spandoek tegen de manifestatie ontvouwd hadden op het dak van een gebouw. Zij moesten onder luid gejuig en gezang van de nationalistische menigte, door de brandweer verwijderd worden en door de politie ontzet en afgevoerd worden. Hierna werd het programma simpelweg hervat. Verschillende sprekers, waaronder Serge Ayoub van "Troisième Voie" en Hervé Van Laethem van "Nation", hielden diverse toespraken. Hierna werd het  revolutionaire Marseillaise verzetslied gespeeld, waarmee de manifestatie ten einde kwam.


Onze Franse kameraden hebben met deze manifestatie wederom een duidelijk signaal afgegeven tegen globalisering. Wij geloven niet in de zogenaamde "wereldburger", maar erkennen dat ieder volk iets eigens in zich draagt dat vorm krijgt door middel van haar taal, cultuur, tradities en erfgoed.  Globalisering en imperialisme hebben veel gemeen, waaronder het opleggen van zogenaamde “universele” waarden aan een veelzijdigheid van volkeren, culturen en landen. Het doet ons goed om te zien dat honderden nationalisten bereid zijn om hiertegen de straat op te gaan, iets waar we ook in eigen land een voorbeeld aan kunnen nemen.   






zaterdag 4 mei 2013

4 Mei dodenherdenking: De Schaduwzijde van de "Bevrijders"


"Geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars" - Winston Churchill




Terwijl in Nederland de discussie is losgebarsten of de dodenherdenking op 4 mei een Joods privilege moet zijn en/of "foute" Nederlanderse en Duitse slachtoffers van de tweede wereldoorlog wel of niet herdacht mogen worden, blijft enige kritische beschouwing op onze zogenaamde "bevrijders" uit. Waren deze "bevrijders" nu eigenlijk wel zo brandschoon als men ons vandaag de dag wil laten geloven? Kunnen we eigenlijk wel spreken van “goede” en “foute” mensen of worden we geconditioneerd om zo te denken?

De meesten van ons zijn wel bekend met het gruwelijke bombardement op Dresden dat plaats vond in de nacht van 13 op 14 februari 1945. Onder leiding van Winston Churchill en de Engelse luchtmaarschalk Arthur (Bomber) Harris werd de burgerbevolking van Dresden moedwillig gebombardeerd. Het doel was om zoveel mogelijk burgerslachtoffers te maken, om zo de Duitsers te "demoraliseren". De eerste aanvalsgolf werd uitgevoerd door 244 Lancaster- bommenwerpers van de Britse Royal Air Force. De Havilland Mosquitos van de RAF-groep nr. 8 (Pathfinder) gooiden rode markeurs op de doelen. Daarop volgden luchtmijnen die boven de grond ontploften om de daken met een schokgolf te verwoesten. Daarna werd er nog eens 3900 ton aan brandbommen en brisantbommen gegooid om "het af te maken". Tijdens het daaropvolgend afschuwelijke inferno vonden tienduizenden onschuldige Duitse mannen, vrouwen en kinderen de dood.



Vaak horen wij dat dit afschuwelijke en misdadige bombardement op Dresden door de geallieerden, gerechtvaardigd zou zijn omdat het een "noodzakelijke reactie" was, om Nazi Duitsland op de knieen te dwingen en als tegenwicht voor de vermeende gruweldaden van het Derde Rijk. Echter op handen gedragen geallieerde oorlogsmisdadigers zoals Winston Churchill en Arthur Harris kenden een lange maar relatief onbekende voorgeschiedenis van agressie, bruutheden en massamoord op en jegens onschuldige burgers. Hun misdaden zijn echter grotendeels weggeschreven uit de geschiedenis door een gigantisch leger van Anglo-Amerikaanse historici, journalisten en politici. Deze onvertelde geschiedenis vormt dan ook een belangrijke les voor de 21ste eeuw, waarin het Britse imperialisme is veranderd in een evenredig geweldaddig en vernietigend Anglo-Amerikaans imperialisme, wiens terreur en wreedheid niet onderdoet voor dat uit de tweede wereldoorlog.

Winston Churchill was al langere tijd bekend met de wreedheden van het Britse imperialisme. Als soldaat was hij in Zuid-Afrika gestationeerd ten tijde van de Britse genocide op het Boerenvolk. Tussen 1899 en 1902 stierven meer dan 28.000 onschuldige vrouwen en kinderen uit Oranje Vrijstaat en Transvaal in de Britse concentratiekampen door ziekte en hongersnood. In 1915 was Churchill verantwoordelijk voor de noodlottige Dardanelles campagne van 1915 tegen het Ottomaanse rijk die uiteindelijk resulteerde in de Armeense genocide.

Het precedent voor het Dresden inferno kan men vinden in Irak. Na de val van het Ottomaanse rijk bezetten de Britten in 1917 Irak. Het verzet van de Arabische en Koerdische volkeren dat hierop volgde, ontwikkelde zich in 1920 tot een grootschalige opstand voor nationale bevrijding. Om deze opstand neer te slaan namen de Britten steeds repressievere maatregelen, waaronder het gebruik van gifgas. Winston Churchill - toen nog koloniaal-secretaris - en Arthur Harris waren beiden grote voorstanders van het bombarderen van de opstandelingen in hun dorpen en steden. Harris benadrukte; "De Arabieren en Koerden weten nu wat bombardementen echt betekenen in termen van slachtoffers en schade. In 45 minuten kan een volledig dorp worden weggevaagd en kan een derde van haar inwoners worden vermoord" Churchill voegde daar aan toe; "Ik begrijp de teergevoeligheid omtrent het gebruik van gas niet. Ik ben een groot voorstander van het gebruik van gifgas tegen onbeschaafde stammen." . Hiermee werd Irak een laboratorium voor nieuwe wapens; napalm, fosfor bommen, luchtmijnen, brisantbommen en andere granaatkartets werden hier voor het eerst gebruikt door de Britten.

Tijdens WO II was Winston Churchill eveneens actief betrokken bij de onderdrukking van Brits-India en de Bengaalse Holocaust (1942-1945). Genadeloos ontzegde en blokkeerde hij om strategische redenen voedselhulp aan de verhongerende Hindu's en Moslims in Bengal, Assam, Bihar en Orissa. Deze militaire strategie om de Japanse strijdmacht te stoppen via een kunstmatige hongersnood resulteerde uiteindelijk in 6 tot 7 miljoen onschuldige doden. Met recht behoort dit tot een van de zwaarste oorlogsmisdaden in de menselijke geschiedenis. Echter in tegenstelling tot de Joodse Holocaust, waar constant aan gerefereerd wordt, is deze Bengalese Holocaust grotendeels uit de Westerse geschiedenis "verdwenen".

Winston Churchill had weldegelijk gelijk toen hij stelde dat de overwinnaars de geschiedenis schrijven. Het is echter belangrijk om te erkennen dat genegeerde geschiedenis leidt tot een herhalende geschiedenis. De uit de context getrokken en incorrecte kijk die wij in het Westen hebben op het verloop van de gruwelijke wreedheden die gepaard gingen met WO 2 en het koloniale verleden, hebben geleid tot een misleidende kijk op de realiteit. De wereld kampt nog steeds met imperialisme, oorlog, hongersnood en armoede. We kunnen niet langer de leugens van oorlogsstokers en imperialisten negeren, die ertoe hebben geleid dat zij hun vernietigende en afschuwelijke beleid hebben kunnen doorzetten tot in de 21ste eeuw. Waarheidsbevinding en een nuchtere kijk op de geschiedenis is dan ook van fundamenteel belang voor eenieder die zich voor de ware feiten interesseert. Stilte is medeplichtigheid, dus weerleg de leugens van deze imperialistische oorlogsstokers!




maandag 29 april 2013

Publicatie: Een inleiding tot het Nationaal-Syndicalisme



Het Nationaal-Syndicalistisch Platform heeft de brochure “Een inleiding tot het Nationaal-Syndicalisme” uitgegeven. In deze brochure wordt een korte uiteenzetting gegeven over de historische ontwikkeling van het Nationaal-Syndicalisme en de relevantie van deze theorie in de 21ste eeuw. Van de theorie van Georges Sorel zijn Revolutionair-Syndicalisme, de Nationaal-Syndicalistische praktijk van Arturo Labriola en Alceste de Ambris in Italië, tot de opkomst van het Mussolini Fascisme, wordt behandeld in deze 16 pagina’s tellende publicatie.


vrijdag 26 april 2013

NGO's: Instrumenten van het Imperialisme


Door de gehele geschiedenis heeft de gevestigde orde, die uit een kleine minderheid bestaat, altijd vertrouwd op het staatsapparaat en sociale instituties (zoals de kerk) om hun macht, winsten en privileges te behouden. In de recente geschiedenis zien we echter de opkomst van een nieuw soort sociale institutie in de vorm van "niet-gouvernementele organisaties", beter bekend als NGO's. Deze NGO's dienen eenzelfde functie als de sociale instituties van weleer, namelijk het uitoefenen van controle en ideologische mystificatie.
Voorbeelden van dit soort “nieuwe” organisaties zijn mensenrechtenorganisaties zoals "Amnesty International", of liberaal-democratische organisaties zoals de "National Endowment for Democracy". Momenteel zijn er wereldwijd ongeveer 50.000 van deze NGO's die ongeveer 10 miljard aan subsidies ontvangen van de internationale financiële instituties. In veel gevallen zijn deze organisaties in samenwerking met corporate en financiële topmannen, direct of indirect verantwoordelijk voor beleidsbeslissingen die miljoenen mensen beïnvloeden.
NGO's zijn invloedrijke belangrijke politieke en sociale spelers, die zich met name in de derde wereld manifesteren - in Oost-Europa, Zuid-Amerika, Afrika en Azië - maar eveneens een sterke binding hebben met hun belangrijkste financiers in Europa en de Verenigde Staten. Door de overtuigingskracht van deze organisaties met hun economische en politieke macht, blijft enige vorm van kritiek richting de NGO's, hun negatieve uitwerking en hun verbondenheid met het kapitaal, vanuit linkse organisaties uit de zogenaamde "progressieve wereld" met haar democratische mensenrechten retoriek, grotendeels uit. Men kan zelfs met recht stellen dat de NGO's erin geslaagd zijn om de linkse beweging en haar organisaties voor een groot deel te infiltreren, met name haar ambitieuze intellectuele strategisten en organisatorische leiders die hun slecht betaalde idealen verruilden voor een goedbetaalde baan binnen een NGO.

Een aanzienlijk deel van de kritiek vanuit de linkse beweging beperkt zich dan ook tot die instituties (IMF, Wereldbank, Multinationals, enz), die de economische agenda bepalen voor de uitbuiting van de wereld. Hierbij wordt echter vergeten dat deze uitbuiting ook op socio-politiek niveau plaats vindt en dit is nu juist waar NGO's een centrale rol spelen. Enerzijds bekritiseren NGO's vermeende dictaturen en mensenrechtenschendingen en anderzijds werken ze met radicale socio-politieke bewegingen samen om volksbewegingen te laten collaboreren met de kapitalistische belangen die hun instituties en projecten financieren.
Met de opkomst van nationale en revolutionaire bewegingen die de imperialistische hegemonie bedreigen, schieten de NGO's al snel als paddestoelen uit de grond. Volksopstanden worden gefinancierd en gemanipuleerd met miljoenen aan fondsen vanuit buitenlandse agentschappen. Onder de sluier van "constructieve projecten" rekruteren NGO's lokale leiders en groepen om "de realiteit van het neoliberalisme" te omarmen. Terwijl het IMF en de Wereldbank privatiseringen van bovenaf opleggen, werken NGO's met hen samen door voor een privatisering vanaf de basis te pleiten.
In werkelijkheid zijn NGO's geenszins niet-gouvernementele organisaties. Zij worden direct of indirect gesubsidieerd door overheden of worden gefinancierd door corporate privé fondsen. Hun programma's worden niet bepaald door lokale initiatieven of nationale groepen, maar door buitenlandse donoren die de prestaties van de NGO's meten volgens hun eigen criteria en belangen. NGO's bevorderen een cultureel en economisch imperialisme; het globalisme. De agenda van NGO's loopt dan ook grotendeels synchroon met dat van het Westers globalistisch-imperialisme. Wil ditzelfde Westers globalistisch-imperialisme een regime omverwerpen, dan zullen NGO's eenzijdig de nadruk leggen op de vermeende mensenrechtenschendingen of het ondemocratisch karakter van dat regime, om zo de weg voor militaire interventie vrij te maken. Projecten worden vormgegeven volgens de richtlijnen en prioriteiten van imperialistische instituties en conform neoliberale maatstaven.
Het is geen toeval dat waar NGO's dominant werden binnen bepaalde naties of tijdens volksopstanden, onafhankelijke revolutionaire actie afnam en het neoliberalisme onbetwist bleef. De groei van NGO's valt samen met de globalisering, de verspreiding van het neoliberalisme en de toename van de armoede wereldwijd. Revolutionaire bewegingen en regimes zijn geneutraliseerd, en sociale bewegingen geïnfiltreerd  door NGO's. De algemene filosofie van de NGO’s is om zogenaamde “solidariteit” te transformeren in collaboratie met- en onderwerping aan het neoliberale globalistische systeem.
De concentratie van kapitaal en de groei van economische ongelijkheid neemt enkel toe dankzij de “zelfhulp” die de NGO’s bieden met hun micro ondernemingen. Terwijl instituties zoals de Wereldbank en het IMF de agrarische wereldhandel, die miljoenen boeren uitbuit en hectares aan land vergiftigt, exporteren, financieren ze tegelijkertijd de NGO’s en hun microprojecten. Deze ideologie van zogenaamde “solidariteit” verbindt de armen aan de basis via NGO’s met de neoliberalen aan de top. Zij fungeren als intellectuele politiemannen die definiëren wat acceptabel onderzoek is en die perspectieven over nationale bevrijding of klassenstrijd eruit filteren. Nationalisten en andere revolutionairen worden gestigmatiseerd als “extremisten”, terwijl de NGO’s zichzelf als “sociale wetenschappers” presenteren.
Dus hoewel de NGO’s op het eerste gezicht nobele en oprechte initiatieven lijken te zijn, dienen zij een meer duister doel. Met hun globalistische retoriek en fondsen vanuit de corporate wereld vormen zij de “radicale vleugel” van de gevestigde neoliberale wereldorde. De NGO is slechts een nieuwe strategie van het imperialisme; terwijl het IMF en de Wereldbank de nationale elites vanaf de top bewerken om zo de economie te plunderen, zorgen de NGO’s voor aanvullende activiteiten aan de basis waar zij de onvrede die door het plunderen van de economie ontstaat, neutraliseren of fragmenteren. Laat eenieder die zich met de mensenrechten retoriek van NGO’s zoals “Amnesty International”, “National Endowment for Democracy” en aanverwante organisaties bedient zich hiervan bewust zijn…    
    

maandag 15 april 2013

Ramiro Ledesma Ramos: Nationaal-Bolsjewiek?


Het is vandaag de dag lastig om over het Nationaal-Syndicalisme en haar grondlegger Ramiro Ledesma Ramos te praten. Dit is met name, omdat 38 jaar na de dood van Franco (hij stierf op 20 november 1975) officiele historici, de media en de meest rancuneuze mensen, of deze nu rechts of links zijn, zonder enige historische nauwgezetheid het Nationaal-Syndicalisme nog steeds valselijk met het Franco regime verbinden.  

Op 19 April 1937, door middel van de goedkeuring van het "decreet van eenmaking", creëerden Franco en Serrano Suñer een bastaard; genaamd de "FE-JONS". Van de oorspronkelijke JONS (Juntas de Ofensiva Nacional Sindicalista) bleef enkel de leus "Voor god, voor Spanje en voor de Nationaal-Syndicalistische revolutie" nog bestaan. Alhoewel er toen van een ware Nationaal-Syndicalistische revolutie al lang geen sprake meer was. Het Spaanse volk bleef bijna 40 jaar gevangen in Nationaal-Syndicalistische retoriek, maar zonder de bijbehorende essentie; de Nationaal-Syndicalistische geest en ideologie. Alles wat als Nationaal-Syndicalisme gerepresenteerd werd, was verstoord door de reactionaire elementen van het opkomende regime; de technocraten van Opus Dei, monarchisten en reactionair rechts. Alles met de rugdekking van de in Spanje zeer invloedrijke Katholieke kerk en het leger.

Ondertussen werden de authentieke Nationaal-Syndicalisten monddood gemaakt. Prominente JONS leden zoals Manuel Hedilla, Ruiz Castillejos, De los Santos en Chamarro werden tot de dood veroordeeld. Félix Gómez en Ángel Alcázar de Velasco moesten levenslang dwangarbeid verrichten, terwijl anderen jaren gevangenisstraf opgelegd kregen. Hun misdaad; verzet tegen het "decreet van eenmaking" en tegen het vergooien van het oorspronkelijke Nationaal-Syndicalistisch ideaal.

Sommige Nationaal-Syndicalisten dachten  dat zij door zich aan te sluiten bij het regime van generaal Franco hier invloed op uit konden oefenen. Terwijl de meeste leden uiteindelijk de "eenwording" met tegenzin accepteerden, riepen de meest vastberaden en compromisloze leden echter op tot een clandestiene strijd. Deze instelling was begrijpelijk voor een organisatie die op haar einde bijna volledig geïnfiltreerd was door de meest reactionaire en rechtse elementen. Zij misbruikten het Nationaal-Syndicalisme enkel om als politieke springplank te dienen en het te veranderen in een knuppelende bewaker van de bourgeoisie.

Als José Antonio Primo de Rivera (stichter van de Falange) de kritieken van Ramiro Ledesma Ramos had begrepen en geaccepteerd, had het lot van het Nationaal-Syndicalisme er ongetwijfeld compleet anders uit gezien. Beiden werden geëxecuteerd door het Franco regime, maar feitelijk stierven zij al dag na dag stukje bij beetje door en onder het reactionaire regime dat de oprechte idealen van het Nationaal-Syndicalisme veranderden in een vage schaduw van wat het eens geweest was.

Als het Nationaal-Bolsjewisme gedefinieerd kan worden als de harmonieuze unie van de meest radicale opvattingen van het nationaal en het sociaal revolutionaire, kunnen we met recht concluderen dat Ramiro Ledesma zeker als een Nationaal-Bolsjewiek geclassificeerd kan worden. Ramiro verenigde twee werelden: enerzijds het nationale idee; het vaderland als een historische onderneming en het historische bestaan van alle Spanjaarden, anderzijds het sociale idee; de socialistische economie die voor het brood en de economische welvaart van het gehele Spaanse volk moest zorgen.    

Sinds het begin wilden Ramiro en zijn JONS een brede proletarische basis creëren en alle arbeiders achter de nationale zaak verenigen. Dit was een trouwe weerspiegeling van hun sociale afkomst: het JONS bestond voornamelijk uit proletariërs, boeren en radicale intellectuelen die zich hartstochtelijk tegen de bourgeois orde verzetten.  

Ramiro veroordeelde zeer krachtig de rol van reactionair rechts en kenmerkte hen als het grootste kwaad dat het volk bedreigde. Hij verwierp hun "valse patriottisme"; met name dat van de klerikale krachten met hun geheime sacristieën. "Elke dag wordt het duidelijker dat de nationale zwakte van Spanje grotendeels voortkomt uit het valse en kille patriottisme van reactionair rechts" aldus Ramiro.    

Ramiro koppelde het lot van de volksgemeenschap altijd aan de eerlijke verdeling van haar rijkdom. Hij wilde de invloed van de parasitaire bankiers tegen gaan door de banken te nationaliseren, speculatie te verbieden en uitbuiting volledig uit te roeien. De JONS eiste een democratische garantie omtrent de volkseconomie; regulatie van de renteheffing; democratisering van het krediet; afschaffing van de gedwongen werkeloosheid; gelijkheid voor alle elementen die zich met productie bezig hielden en afschaffing van alle klasse privileges.

Net als andere Nationaal-Bolsjewieken van zijn tijd, aarzelde hij geen moment om het fascisme te bekritiseren als het te rechts en te reactionair werd. Hij stelde dat hoewel het fascisme de burgerlijke instituties van de bourgeoisie verslagen had en de proletariërs een nieuw moraal en politiek optimisme gegeven had, het er nog geenszins in geslaagd was om het groot kapitaal en de grootgrondbezitters te verslaan. Ramiro twijfelde eraan of het fascisme wel in staat was om het kapitalistisch systeem te elimineren, ten gunste van een nieuw regime dat zich baseert op de noden van het volk. Dit was dan ook een van de belangrijkste redenen waarom zijn kritieken gemarginaliseerd werden onder het regime van Franco, dat haar macht voornamelijk te danken had aan dat financierkapitalisme. 

Volgens Ramiro waren fascisten zoals Mussolini, Mosely en Primo de Rivera ingebed in geprivilegieerde sociale klassen en collaboreerden zij met alle reactionaire elementen binnen de samenleving. Hij sprak zich openlijk uit tegen de grootgrondbezitters en de feodale hordes die het land afnamen van de kleine boeren die het cultiveerden. Het Spaanse land was de natie en dus eiste hij nationalisatie van de vele miljoenen hectaren land die eigendom van de grootgrondbezitters waren. De JONS onder Ramiro nam nadrukkelijk afstand van de bourgeois vulgariteit en riep op tot een nationaal-proletarische revolutie waarin het nationale en sociale, het vaderland en de arbeid, verenigd werden.

Net als Duitse Nationaal-Bolsjewieken zoals Ernst Niekisch, die toenadering tot de Sovjet Unie zochten, erkende Ramiro Ledesma Ramos dat het Sovjet communisme zich steeds meer tot een waar Nationaal-Communisme ontwikkelde. Volgens hem nam Stalin afstand van de Leninistische idealen van de wereldrevolutie, ten gunste van de nationale Russische revolutie. Het mag echter duidelijk zijn dat Ramiro geen echte communist was, hij legde de nadruk nog steeds voornamelijk op het nationale idee, dat de culturele en historische waarden omvatte, die hij erkende als het belangrijkste nalatenschap van zijn natie.