zaterdag 2 februari 2013

Militanitisme voorbij het Zwarte Blok (2)


Over de rol die militanten in de antiglobaliseringsbeweging hebben gespeeld, denk ik dat er enkele dingen overwogen moeten worden door diegenen die hen en hun acties constant bekritiseren:

1. Ik geloof niet dat de beweging een zodanig aanwezige kracht zou zijn in het wereldwijde politieke discours van vandaag de dag, zonder haar meer militante delen. (Aangenomen dat een dergelijke aanwezigheid, onvermijdelijk behaald, gekanaliseerd en in stand gehouden door de corporatieve media iets positiefs is. Ikzelf ben hier niet geheel over uit, maar deze tekst is niet de plek om deze vraag te behandelen.) Waarom werd Seattle zo'n mijlsteen? Een jaar eerder waren er duizenden mensen die in allerhande steden wereldwijd hadden gedemonstreerd tegen de WTO bijeenkomst in Genève. Uiteraard er waren enkele factoren die Seattle speciaal maakte. Het gebeurde in de VS, dat een grote verrassing was aangezien er niet echt een wereldwijd beeld bestaat van Amerikanen die sociaal en ecologisch betrokken zijn. En ten tweede zorgde dit voor gegarandeerde aandacht en verslaggeving vanuit de door de VS gecontroleerde wereldwijde massa media. Er waren zeker indrukwekkende aantallen en een breed spectrum aan groepen aanwezig. Uiteraard. Echter de meeste aandacht werd gefocust op de rellen en mede dankzij dit werd het algemene kennis dat van nu af aan de (on)officiele machthebbers van deze wereld niet langer in staat zouden zijn om te dicteren en dirigeren zonder de inmenging van duizenden vastberaden individuen die zich verzetten tegen de kwade consequenties van hun macht en de manier waarop deze wordt uitgevoerd.  Als men gelooft dat de media tijd die is gebruikt om de rellen te verslaan anders zou zijn gebruikt om de problemen van de protestanten te behandelen, dan vind ik dit nogal naïef.  De militanten hebben geen media tijd van andere protestanten gestolen. Zij hebben media tijd voor de beweging vergaart. Was de verslaggeving meer sensationeel dan inhoudelijk? Uiteraard. Het alternatief was echter niet een diepte analyse over de fouten van het neoliberalisme - het alternatief was geen media aandacht in zijn geheel.

Mijn punten zijn a) dat de militanten een rol hebben gespeeld in de antiglobaliseringsbeweging en hebben geholpen om het te laten groeien als een potentiële revolutionaire kracht, en b) dat de tegenstanders van militante acties vandaag de dag maar al te graag de platformen gebruiken om hun mening te laten horen die juist door die militante acties gebouwd zijn.

2. Het zijn de militanten waarvoor hekken en robocops worden opgeworpen en burgerrechten worden opgeschort, in de naam van veiligheid voor de rijken en machtigen. Vreedzame protesten in de vorm van onaankondigende en onvoorziene massale sit-ins kunnen bijvoorbeeld voor gigantische verstoring en onderbreking zorgen. Hoewel als een continue vorm van protest kan deze makkelijk worden ingedamd (NGO's uitnodigen op bijeenkomsten, vreedzame protesten toestaan, enz.). Ze kunnen ongetwijfeld vervelend zijn voor corporatie-  en overheidsbonzen, maar ze geven hen geen angst. Het zijn de militante kameraden die hen angst aanjagen en het zijn de militanten die de overduidelijke en voelbare muur tussen "hen" en "ons" maken. Een muur die de WTO zich doet terug trekken naar de afgelegen Arabische Golf of die Klaus Schwab zijn WEF een jaar uit Davos doet verhuizen. (Het laatste voorbeeld laat ook zien dat het publiek niet altijd de kant van de meesters kiest tegen de militanten. De meeste Zwitsers ware blij om WEF te zien vertrekken en zij hadden er goede redenen voor. Zij hadden er genoeg van. Niet omdat een paar protestanten een aantal ruiten insloegen in Davos enkele jaren geleden. Nee, omdat het Zwitserse publiek de massale veiligheidsrepercussies als buiten proportioneel zagen en er geen belang bij hadden hun belastinggeld te zien verdwijnen in het beschermen van de wereldwijde politieke en economische elites.)

3. De mediafocus op rellen tijdens grote protesten zorgen er geenszins voor dat mensen zich afkeren. Ik weet dat het eerder nieuwsgierigheid oproept bij sommige mensen die anders niks zouden geven om mensen die spandoeken vast houden en straattheater spelen. Ik weet dat het de symbolische macht van het militantisme is die bepaalde jeugd aantrekt tot de beweging en hen motiveert om protestant te worden. (Wie stelt dat ze deze jongeren niet bij de protesten willen hebben omdat deze enkel gewelddadig zouden worden omdat zij hun woede uiten zonder sociaal bewustzijn, staat op een lijn met de anti-militante vooroordelen van de mainstream die ik eerder heb behandeld. Als deze jongeren enkel komen om hun woede te uiten, waarom doen ze dit dan bij een antiglobaliseringsprotest in plaats van een avondje "flikker meppen" of op een eendenjacht? Daarbij is kwaad zijn meer dan begrijpelijk en te rechtvaardigen bij jongeren die in deze maatschappij opgroeien. Persoonlijk ben ik er blij om dat zij in staat zijn om hun woede te richten tegen socio-politieke oorzaken in plaats van het willekeurig te doen.)

Ten slotte een kort woord over de oneindige beschuldigingen dat de militanten van het Zwart Blok hoofdzakelijk bestaan uit provocateurs en undercover politie en/of niet-politieke relschoppers:

Als je kijkt naar alle mensen die betrokken zijn bij militante protesten wereldwijd in de laatste 30 jaar, dan vind je ongetwijfeld individuen die voor de andere kant werken. Nou en? Een provocateur probeert langzaam je "Critical Mass Friday" of je anti-nucleaire basisgroep te ondermijnen en undercover agenten zijn overal te vinden.

Kan ik zweren dat er geen "alcoholisten", "hooligans" of pure "avonturiers" ooit deel hebben uitgemaakt van een militant protest? Nee dat kan ik niet. Nou en? Mensen zullen zich af en toe bij militante protesten gevoegd hebben omdat zij aangetrokken werden door de kans "hide-and-seek" met de politie te spelen in plaats van door politieke idealen. Gelukkig zijn de militanten geen totalitaire Partij die haar leden telt. Veel jonge fascisten pogo'en graag op de band "Rage Against The Machine". Verliest deze band hiermee haar politieke geloofwaardigheid? Op elke grote antiglobaliseringsbijeenkomst vind je mensen die denken dat abortus moord is, dat de sociale verzorgingsstaat een Stalinistisch gevaar voor de individuele vrijheid is of dat Mexicanen in Mexico horen. Zorgt dit ervoor dat deze bijeenkomsten moreel niet geloofwaardig meer zijn?

Ik kan niet in de hoofden van militanten kijken en dat wil ik ook niet. Ik kan enkel zeggen dat bijna geen van de militante activisten die ik heb ontmoet de laatste 10 jaar voldoen aan de stereotypen waar zij meestal mee geconfronteerd worden. Bijna alle activisten die ik ken en heb gekend waren politiek zeer toegewijd en permanent betrokken in discussies over verantwoording en de morele implicaties van hun acties. De beelden van de typische militant als een ruziezoekende dronken punker of een verwende middenklasse tiener met een zwak om flessen naar de politie te gooien is gewoon nergens op gebaseerd.


Over het Zwart Blok: 

Het "Zwart Blok" is een zeer losse term die verwijst naar wat meestal een netwerk is van verschillende in het zwart geklede en gemaskerde kleinere groepen die zich erop voorbereid hebben om de vernietiging van bezit in te zetten en straatgevechten met de politie aan te gaan, om zo hun politieke stempel te drukken op hun afkeer van de dominante politieke krachten. Zij richten hun woede naar wat zij zien als symbolen, vertegenwoordigers en/of verdedigers van een politiek en economisch systeem dat zij omver willen werpen. 

Hoewel het een terugkerend en redelijk gevestigd recent fenomeen in Noord-Amerika is, gaat de erfenis van het Zwart Blok terug naar de post '68 militante politieke straatoppositie in Europa waar het haar hoogtepunt kende binnen de Duitse kraakbeweging van het midden van de jaren '80. Hier brachten gevechten met de politie met regelmaat honderden, soms duizenden gemaskerde activisten in het zwart op de been, door hun verlangen om in opstand te komen tegen de Staat en de restricties van het Kapitaal op hun ideeën over individuele en collectieve vrijheid. De beruchte Hafenstrasse in Hamburg heeft een grote rol gespeeld om een autonomistische mythe te maken van deze gelegenheden. 

Voor mij bestaat er geen twijfel over het historisch belang en de legitimiteit van het Zwarte Blok in de strijd tegen de macht van de Staat en het Kapitaal. Tegelijkertijd denk ik dat het nog empirisch waar is, noch ideologisch gunstig om het militant verzet te reduceren tot de hedendaagse aanwezigheid, uiterlijkheid en activiteit van het Zwart Blok. 

Ten eerste, in veel gevallen zijn er ook individuen en groepen die niet in het zwart gekleed zijn, noch de intentie hebben betrokken te raken bij militante manieren van protesteren tijdens een bepaalde situatie. Om militante activiteiten te reduceren naar Zwart Blok activiteiten lijkt in deze zin gewoon vals. 

Ten tweede denk ik dat men vandaag de dag bepaalde problemen kan identificeren met Zwart Blok groepen, die niks te maken hebben met militant protest in het algemeen. De balngrijkste problemen in deze context zijn de volgende: 

Sectarianisme: Er zijn Zwart Blok activisten die zichzelf ongetwijfeld als superieur zien in de manier waarop zij de vijand aanvallen ten opzichte van andere protestanten. Elitisme brengt een beweging echter nergens. Boven alles is het een direct gevaar waardoor dingen fout kunnen gaan. 

Machismo: Het verbaal verheerlijken van geweld, meer of minder expliciet suggereren dat pacifisten lafaards zijn of opscheppen over de eigen bereidheid om "de politie aan te vallen" kan al zeer snel zielig en genant worden, of zelfs beledigend en dom. Het lijkt onmogelijk om te ontkennen dat deze neigingen altijd binnen bepaalde Zwart Blok groepen hebben bestaan. 

Ritualisme: Zoals ik heb uitgelegd heb ik in het algemeen geen probleem met de vernietiging van bezit of straatgevechten. Maar ik denk dat, net als bij andere middelen van verzet, zulke activiteiten een politieke betekenis en legitimiteit moeten krijgen door de context waarin zij gebeuren. Ruiten breken en flessen naar de politie smijten voldoet hierbij dus niet. Niet dat ik medelijden heb met een raam of een politie agent, maar zulk agressief gedrag is ongepast bij bepaalde gelegenheden. Als een groep kameraden zich vermaakt met dansen op revolutionaire beats tijdens een streetrave zonder een agent in zicht, dan is het slopen van een raam een ongepaste verstoring van het gevoel van solidariteit. Voor alles is een tijd. Het ritualiseren van het vernietigen van bezit of van straatgevechten met de politie leidt ertoe dat hun betekenis verdwijnt, net zoals ritualiseren dat met alles doet.

De uitstraling van het Zwart Blok: Het is niet te ontkennen dat het Zwart Blok er angstaanjagend uit ziet. Toegegeven in een historisch-politieke context is dit zeker zinvol. Echter zodra dit uit de context wordt getrokken, wordt een zwart kostuum met een masker al snel een uniform dat net zo belachelijk is als elk ander. In ieder geval het nodigt geenszins mensen uit zonder persoonlijke connectie met het Zwart Blok. Ik vraag me dan ook af of het helpt om de grenzen af te breken tussen militante en niet-militante protestanten. 

Trivialisering van geweld: Ik denk dat het Zwart Blok te veel wegkomt met onverantwoordelijk en onvoorzichtig gedrag. Ik zie de meeste acties als verre van willekeurig. Meestal worden de doelen met zorg gekozen en de mogelijke gevolgen van de aanvallen voor anderen goed overwogen. Maar niemand kan ontkennen dat fouten gebeuren - overal dus ook bij de acties van het Zwart Blok. Het probleem is dat zodra er geweld en vernietiging bij betrokken zijn, de gevolgen zeer dramatisch kunnen zijn. Een kleine winkel plunderen, een vijfdehands Mercedes van een arbeidersfamilie of het raken van een kameraad met een fles in plaats van de politie, zijn allen zaken die niet licht opgenomen dienen te worden, maar het komt voor. Toegegeven dit is een onvermijdelijk gevaar van militante protesten in het algemeen, maar nogmaals in de context van schijnbaar verplicht en geritualiseerd geweld dat sommige Zwart Blok groepen vandaag de dag erop na houden, kan dit oplopen tot een problematisch niveau. 

Om duidelijk te zijn: Deze kritieken op bepaalde aspecten van de rol die het Zwart Blok vandaag de dag speelt moeten begrepen worden als een kritiek uit solidariteit. Ik spreek me in het algemeen niet uit tegen het Zwart Blok en ik zou de laatste zijn om de kameraden van het Zwart Blok aan de vijand te verraden. De solidariteit is onaantastbaar. Maar binnen een revolutionair discours over verzet in het algemeen en met name militant verzet, denk ik dat de eerder genoemde aspecten overwogen moeten worden. Met name om het ons toe te staan bepaalde paden van analytisch en kritisch denken te bewandelen die de gelijkstelling van militant protest en het Zwart Blok wellicht niet doet: 

1. Bepaalde aspecten van het Zwart Blok bekritiseren zonder de kant van "de pacifisten" te kiezen.

2. Het Zwart Blok te bekritiseren zonder de kameraden die het vormen solidariteit te ontzeggen. 

3. Om te reflecteren over de mogelijkheid van militant verzet buiten het Zwart Blok.

Neem ze mee!

T. Gee - Vertaald door Vrije Nationalisten NB




vrijdag 1 februari 2013

Militantisme voorbij het Zwarte Blok (1)


Over terminologie: In de context van deze tekst duidt "pacifisme" op tegenstand tegen de vernietiging van bezit en fysieke aanvallen op veiligheidstroepen tijdens politieke protesten. "Geweld" duidt op zulke middelen en "militantisme" duidt op de bereidheid om dit uit te voeren. Met "Zwart Blok" wordt verwezen naar militanten die (meestal in kleine groepen) zich aansluiten bij protesten , gemaskerd,  gekleed in het zwart, soms bewapend en gereedheid om te demonstreren door hun verschijning. 


Sinds de vernietiging van eigendom voor veel media aandacht zorgde tijdens de massale anti-WTO protesten in Seattle, bestaat er een debat binnen de antiglobaliseringsbeweging over de legitimiteit en bruikbaarheid van militant verzet dat wordt ingezet in de strijd tegen de politieke en corporate machten die ons leven beheersen. Vaak blijven deze debatten hangen in pragmatische of ideologische confrontaties tussen pacifistische en niet-pacifistische benaderingen van verzet en meestal wordt het Zwart Blok gezien als de opstandige entiteit die het non-pacifisme vertegenwoordigt.

Deze korte tekst is een bescheiden bijdrage in het debat over de deugden (of ondeugden) van de vernietiging van eigendom en straatgevechten met veiligheidstroepen. De belangrijkste doelen zijn a) het recht te verdedigen van niet-pacifisten in het algemeen om te protesteren, b) om bepaalde hedendaagse aspecten van de cultuur van het Zwarte Blok te bekritiseren en daarmee c) verder te gaan dan een exclusieve connectie van militant protesteren naar Zwarte Blok tactieken. Ik hoop dat een dergelijke benadering kan helpen om de problemen die op het spel staan hier in een meer complexe manier te bediscussiëren.

Over de vernietiging van bezit en militantisme tegen orde in het algemeen:

De meest voorkomende kritiek die militante activisten meestal te horen krijgen is dat zij een bende van relschoppers, alcoholisten en professionele hooligans zijn met weinig (tot geen) ideologisch bewustzijn. Zij zouden geen vermogen tot organisatie hebben, geen serieuze politieke agenda hebben en geen echte politieke doelen, laat staan een idee over hoe men effectief een rechtvaardige samenleving van gelijken kan introduceren. De activisten worden ervan beschuldigd het kapitalisme niet te mogen omdat zij verliezers zijn, zij willen niet werken omdat zij lui zijn, zij mogen de politie niet omdat ze autoriteitsproblemen hebben of dat zij stenen gooien omdat zij geen hersens hebben. Kort gezegd  militante activisten zouden hetzelfde als voetbalhooligans zijn, die zich vermommen als anarchisten met grappige kleren en kapsels, maar enkel meedoen vanwege het geweld en niets anders.

Dat de gevestigde orde en de bourgeoisie zo'n beeld schetst is tot daaraan toe. Keer op keer is het vervelend, maar wat verwacht men anders? Meer storend is het feit dat het beeld dat over het Zwarte Blok wordt geschetst door vele "alternatieve", "linkse", "kritische" en zelfs zelfverklaarde "radicale" groepen en individuen vaak niet veel hiervan verschilt. In sommige verklaringen van pacifistische activisten na Seattle - op internet, in de kranten van de beweging en in persberichten aan de media - leek het erop dat de gemaskerde jongeren met gescheurde kleren en katapults in hun zakken hun grootste vijanden waren geworden; de corporate bonzen en regeringsleiders bleven buiten beeld. En na praktisch iedere grote anti-WTO, - G8 of -EU conferentie horen we dezelfde repeterende dis-associaties tegen de "gewelddadige" protestanten, dezelfde morele pogingen om hen te disciplineren alsof zij gemene, eigenwijze kinderen zijn. We horen dezelfde klachten over hoe zij wederom een protest hebben verstoord dat anders groots zou zijn geweest en hoe zij de toekomst van de beweging op het spel zouden zetten die zoveel vooruitzicht zou bieden op echte verandering. Een groot deel van de antiglobaliseringsbeweging, zo lijkt het, wil koste wat het kost militante activisten uit hun rijen weren. Zij willen hen in diskrediet brengen als serieuze politieke activisten, hen kameraadschap weigeren, hen het recht ontzeggen om zich te verzetten op de manier zoals zij zich willen verzetten en willen hun bijdrage aan de anti-neoliberale zaak niet accepteren. 

Ik ben zeer tegen deze sentimenten. Ik denk dat deze een combinatie vormen van onwetendheid, vooroordelen en eigengerechtigheid die zowel oneerlijk als kortzichtig zijn. 

Het gaat er niet om militante protestanten tot de avant-garde der bevrijding uit te roepen en hun methodes aan te wijzen als de enige van echt revolutionair karakter. Ik deel deze mening niet en ik ben het niet eens met kameraden die stellen dat het een defensieve reactie is op de permanente kritiek die zij van pacifistische activisten krijgen. Het heeft niets te maken met zelfmedelijden of huilen omdat men oneerlijk behandeld wordt als slachtoffers van een heksenjacht. Ik begrijp en respecteer dat mensen problemen hebben met militant protesteren, ik snap dat er problemen zijn met de houding van sommigen, dat er onverantwoordelijk en kinderachtige gedrag voorkomt en dat er bepaalde gevaren samen hangen met het gebruik van geweld als een legitiem politiek middel (meer hierover later). 

Toch denk ik dat militanten een legitieme kracht zijn binnen de radicale politiek en het zou mooi zijn als dit geaccepteerd en beaamd werd door activisten die verschillende vormen van verzet voorstaan. Met name omdat ik veel sympathie voel voor individuen die zich al bezig houden met militante vormen van protest en ik vind het meer gepast om hen te respecteren dan hen te demoniseren binnen de bredere context van de nieuwe sociale bewegingen. Ook omdat ik oprecht denk dat militante tactieken een positieve bijdrage kunnen leveren aan bewegingen die breed en divers van natuur zijn en dat zij dit in het geval van de anti-globalisatie campagnes al leverden. 

Mijn visie op militant protest kan wellicht het beste uitgelegd worden door te verwijzen naar mijn begrip van ethiek. Ik geloof niet dat ethiek over het vinden of introduceren van universele en algemene regels van gedrag gaat. Het gaat over het reflecteren op de socio-ecologische gevolgen van onze dagelijkse acties en het maken van concrete morele beslissingen die hierop gebaseerd zijn. Dus de grote vraag hier is of er goede morele redenen zijn voor iemand om zich te onthouden van het ingooien van de ruiten van MacDonalds, zelfs als hij of zij dat wilt. Of is er een morele reden om je te onthouden van een gevecht met de politie met fysieke middelen. En eerlijk gezegd ken ik geen van dat soort redenen. In het eerste geval gaat het om een raam dat bezit is van een corporatie die dagelijks miljoenen dollars verdient en volledig verzekerd is. Wat is nu het probleem hier? Bij het tweede geval snap ik simpelweg hoe de vaak brute en compromisloze verdediging door de quasi-militaire politie eenheden van een destructief globalistisch en economisch systeem een reactie kan uitlokken die verder gaat dan pacifistische modellen. Misschien is het deugdzaam om niet-gewelddadig te blijven als men bedreigd wordt met waterkanonnen, traangas of rubberen kogels, maar dat maakt een militante reactie niet minder deugdzaam in mijn optiek . (Toegegeven dit moet zaak van zaak bekeken worden, Ik heb uiteraard wel problemen met het plunderen van kleine winkels of anderen in gevaar brengen door ongecontroleerd te rellen. Maar het feit dat individuele activisten hun eigen individuele lijnen moeten trekken, maakt de symbolische ontheiliging van corporatief bezit of het gooien van spullen naar semi-militaire politie eenheden nog niet problematisch.) 

Het mag duidelijk zijn dat pacifistische activisten geloven dat er goede morele redenen zijn om zich te onthouden van zulke activiteiten. Sommigen van hen verwijzen naar een sterke morele code, vaak een strikte versie van wat zij begrijpen als een vorm van compromisloos pacifisme. Ik heb geen belang om mijzelf te mengen in een debat over wat pacifisme en geweld respectievelijk zijn. Ik beschouw een dergelijk debat niet als relevant voor deze tekst, omdat ik al bezwaar heb gemaakt tegen ethiek die zich centreert rond (statische, universele) morele codes, of deze nu pacifistisch zijn of niet. Ik vind mensen die pretenderen in een lijn te staan met de morele waarheid veel angstaanjagender dan jongeren die hun gezichten verbergen achter sjaals om iets in een winkelcentrum te slopen. Ik heb oprecht respect voor pacifistische vormen van protest, maar ik verwacht eveneens van de zelfbenoemde pacifisten om andere vormen van politiek protest te respecteren die onder hun definitie van geweld vallen. Diversiteit heerst. Het maakt mij ook niet uit of de vernietiging van bezit gewelddadig is, enkel of militante activisten moet worden toegestaan het te beoefenen binnen de context van een bredere sociale beweging. Ik denk dat dit mogelijk moet zijn. En geen enkele universele morele code kan mij van het tegendeel overtuigen, omdat het moeilijk is om mij te overtuigen met niet-legitieme en potentieel gevaarlijke abstracte constructies. 

Waarschijnlijk worden militanten echter niet bekritiseert voor hun gebrek aan morele rechtvaardiging, maar vaker voor hun politieke contra-productiviteit in de context van de hedendaagse globalistische politiek, dit geld met name voor de antiglobaliseringsbeweging. Ik neem deze tactische kritiek veel serieuzer dan de ideologische kritiek. Een van de belangrijkste argumenten is dat militanten slechts een kleine minderheid binnen de beweging vormen maar de meeste media aandacht krijgen vanwege hun vermogen om kansen te bieden voor sensationele berichtgeving over het protest, waardoor de publieke opinie verstoord wordt en het publiek niet ziet wie de protestanten nu eigenlijk zijn en wat zij echt willen. In plaats van bezorgde, maar nette burgers die opstaan voor sociale rechtvaardigheid, burgerrechten en bescherming van het milieu, die de wereldleiders verantwoordelijk houden, ziet het publiek een bende gekken die kicken op het kapot maken en verbranden van dingen. Dus de militanten versluieren de problemen met geweld. In plaats van debat over de reden waarom men protesteert  blijven de media en het publiek hangen bij beelden van straatgevechten. Uiteindelijk brengen de militanten de gehele beweging in diskrediet. Dit heeft enkele gevolgen: 1. De militanten geven de vijand een excuus om het niet te hebben over de problemen die de protestanten aan de kaak stellen: "Wij geven niet toe aan terrorisme!" 2. De militanten vervreemden het publiek van de beweging: wat anders zou groeien, kan nu uit elkaar vallen vanwege de roekeloosheid van enkele onverantwoordelijke baksteen fetisjisten  3. De militanten geven de veiligheidstroepen van Babylon een excuus om de beweging als geheel hard aan te vallen: politiegeweld op demonstraties, dagelijkse surveillance bij eenieder met een kritische geest en wellicht neo-McCarthynisme. 

Door een lijn te trekken tussen reformistische en revolutionaire politieke agenda's kan ik laten zien hoe ik denk over deze manier van denken:

In een reformistische context ben ik ervoor om (op zijn minst enkele van de) bovenstaande argumenten te overwegen. Als je doel sociale zekerheid voor arbeiders is, de bescherming van natuurgebieden, publieke controle over multinationale corporaties,  transparantie van het regeringsbeleid, een stop voor de permanente uitbreiding van het militaire complex of voor meer subsidie voor educatie en kunst (enzovoorts), dan zul je ongetwijfeld over deze tactieken moeten denken. Je wilt immers veranderingen binnen het systeem, dus speel je het spel volgens de regels. Eerlijk genoeg. Ik ben oprecht van mening dat tactische overwegingen soms belangrijk zijn, net zoals campagnes binnen het systeem soms belangrijk zijn, aangezien de hiervoor vermelde doelstellingen eerbaar zijn en het systeem potentieel duurzamer maken voor bepaalde individuen en/of gemeenschappen voor enige tijd. Net zoals ik vind dat militante activisten een eigen verantwoording hebben om hun eigen morele grenzen aan hun tactieken te stellen, vind ik ook dat zij een verantwoording hebben om niet mogelijk succes in reformistische campagnes op het spel te zetten door mogelijk ongepaste militante actie. Echter zoals eerder gezegd moet dit van zaak tot zaak bekeken worden en de verantwoording ligt bij de activist alleen. Op geen enkele manier staat dit in de weg van het algemeen revolutionair recht voor militante actie dat ik hen toe ken, noch betekent dit dat anderen hun adviseurs moeten te worden. 

Echter vanuit een revolutionair perspectief lijken de bovenstaande argumenten erg zwak:

Reputatie en media beeld? Weg ermee, ik dacht dat we geen Calvin Klein waren die zoveel mogelijk ondergoed probeert te verkopen via professionele manipulatieve marketing en PR campagnes. Wiens definitie van "respectabele" activisten zouden we moeten volgen? De New York Times? Oprah Winfrey? Tipper Gore? 

Een sympathieke inhoudelijke media verslaggeving? Dat geloof je toch zelf niet? Ik denk dat hier niet veel over gezegd hoeft te worden.

Het publiek vervreemden? Ten eerste, revolutionaire geesten worden niet vervreemd door enkele jongeren die stenen gooien. Ten tweede wat betekent deze notie? Impliceert dit niet een activistische avant-garde met een superieur sociaal bewustzijn wiens historische taak het is om de massa's te onderwijzen in plaats van hen te vervreemden? Hebben de massa's zelf geen wil en hersens? Als je mensen op TV politieauto's op hun kant ziet gooien en in de brand ziet steken, zou je jezelf dan niet afvragen waarom ze dat deden? En als die actie onderdeel was van een grote demonstratie waaronder duizenden vreedzame demonstranten, zou je jezelf dan niet afvragen wat de verschillen tussen hen waren? En waar de demonstratie nu eigenlijk over ging? En wat de verschillende groepen te zeggen hadden over hun motivaties en acties? Ja, waarschijnlijk zou je jezelf deze vragen stellen. Dus waarom zouden de massa's dit niet doen? Hebben zij niet de juiste kwaliteiten om een mening te vormen? Wie is hier de elitist? 

De dialoog met de vijand onmogelijk maken? Ik wil niet praten met Bill Gates of George W. Bush. Ik wil dat ze hun spullen pakken en oprotten. 

Een inval provoceren bij iedereen die bij de beweging betrokken is, ongeacht of deze vreedzaam of reformistisch zijn? Toegegeven, dat is een mogelijkheid en niet een die lichtelijk moet worden opgenomen. Echter als je revolutie nastreeft, wat wil je doen? Indimmen elke keer als de Staat haar lelijkste gezicht laat zien brengt ons nergens. En als een agent een vreedzame protestant neer knuppelt "omdat iemand een steen gooide", dan is het nog steeds de agent die met de knuppel zwaait en niet de kameraad die met de steen gooide. 

T. Gee - Vertaling door Vrije Nationalisten NB 




zondag 27 januari 2013

26-01-2013 Filmavond Autonome Nationalisten Vlaanderen

Zaterdag 26 januari organiseerde de Autonome Nationalisten een film avond over verschillende Nationalistische groeperingen uit de jaren '90, zoals de NPD en het Odal Aktiecomité. In de propvolle zaal werd naderhand door twee woordvoerders het idee achter het recent opgerichte concept van de Autonome Nationalisten Vlaanderen nog eens toegelicht en geplande acties voor 2013 voorgesteld . De Autonome Nationalisten riepen tevens op om op zaterdag 2 februari naar Parijs te gaan om deel te nemen aan de massabetoging tegen imperialisme. Binnenkort zullen we ongetwijfeld meer van dit initiatief gaan horen.    


donderdag 10 januari 2013

De oorsprong van het Nationaal-Syndicalisme


Begin 20ste eeuw creëerde een kleine groep Italiaanse non-conformisten geleid door Artuto Labriola een splintergroep binnen de Italiaanse Socialistische Partij (PSI). Zij beschuldigden de reformisten binnen de partij ervan enkel op te komen voor het industriële proletariaat uit Noord Italië en niet voor de massa's in het Zuiden, die de meerderheid van de bevolking vormde. Zij stelden dat de socialistische revolutie enkel gebracht kon worden door de organisatie van de gehele werkende klasse in strijdsyndicaten, deze konden het productieproces van de bourgeoisie overnemen. Deze revolutionair syndicalistische fractie ontstond in 1902 in Milaan met de oprichting van de publicatie van Avanguardia Socialista, die sterk beïnvloed werd door de filosofie van Georges Sorel. In deze tijd kende Italië een snelle economische groei en relatieve welvaart door het protectionistische beleid van de liberale regering van Giovanni Giolitti die zo het land een redelijke politieke stabiliteit bracht en op die manier links grotendeels wist te neutraliseren. Hoewel dit beleid het industriële Noorden sterk ten goede kwam, werd het agrarische Zuiden sterk getroffen.

Ondanks hun gewelddadige oppositie tegen de liberaal-democratie en het parlementarisme, verlieten de revolutionair syndicalisten de PSI niet voor 1907. Tijdens een congres in Ferrara werd besloten dat de revolutionair syndicalistische beweging de partijpolitiek zou verlaten om zich volledig te richtten op syndicale politiek. Vanaf dat moment streefden zij naar een syndicalisme dat exclusief radicaal, klasse-gecentreerd was en zich tegen de partijpolitiek keerde. Zij waren ervan overtuigd dat een goed georganiseerde proletarische elite altijd het conflict met de bourgeoisie kon zoeken en deze strijd kon winnen. Dit idee van een strijdbare syndicalistische elite werd in de praktijk gezet tijdens de algemene landbouw staking van 1 mei, 1908 in Parma. Deze staking vormde de climax van een conflict tussen agrarische arbeiders en de associatie van landeigenaren. De kamer van arbeid in Parma werd het zenuwcentrum van de beweging en een waar centrum van solidariteit. De stakers werden gesteund met de financiële bijdragen van alle leden van de syndicaten. Er was een hoge mate van discipline en organisatie die het toestond dat meer dan 33.000 arbeiders voor meer dan 3 maanden alle activiteiten stil konden leggen. De staking eindigde in juni toen incidenten met stakingsbrekers leidde tot een confrontatie met het leger die de kamer van arbeid bezette en het stakingsfonds in beslag nam. De socialistische beweging reageerde door de revolutionair syndicalisten te "excommuniceren" en de PSI verbande ze uit al hun activiteiten.

Een aanzienlijk deel van de leiders van de revolutionair syndicalistische beweging kwamen uit het Zuiden van Italië. Hoewel zij overduidelijk het socialisme in een traditie van rebellie plaatsten, kenden zij ook een oprecht verlangen om de massa's van agrarische arbeiders in de Mezzogiorno te steunen. Daarom zochten zij naar een model waarin zowel het industriële Noorden als het agrarische Zuiden bij de revolutie betrokken werden. Het was duidelijk dat Marx zijn determinisme niet zo uitpakte als voorspeld was en dus begon men de economische theorieën van Marx te herzien. Bovendien leidde in Italië de samenwerking tussen het reformistisch socialisme en de liberale bourgeoisie niet enkel tot een versterking van de bestaande orde, maar bovendien tot een grotere kloof tussen het industriële Noorden en het agrarische Zuiden. Een consequentie hiervan was massale emigratie vanuit het onderontwikkelde Zuiden - een probleem dat zowel de revolutionair syndicalisten als wel de radicale nationalisten bezig hield. Deze strijd tegen een systeem dat onderontwikkeling in de hand werkte en emigratie toestond (het verlies van de substantie van de natie) werd dan ook de katalysator die deze twee stromingen deed verenigen in een sociaal-nationale synthese.

Dit leidde tot een theoretische verschuiving van Sorel zijn antimilitarisme en socialistische internationale solidariteit naar het concept van nationale eenheid. De inzichten van Labriola ten opzichte van oorlog begonnen sinds 1907 langzaam te veranderen. Net zoals andere revolutionair syndicalistische theoretici zoals Orano en Olivetti begon hij meer en meer de visie te delen dat de concepten "natie" en "oorlog" niet per definitie tegenover de concepten "syndicalisme" en "socialisme" stonden en dus niet per definitie afgekeurd dienden te worden. Toen Orano in 1910 in Rome begon met de publicatie van "La lupa" probeerde hij bruggen te creëren tussen het revolutionaire syndicalisme en radicale nationalisme. Dit was een natuurlijke ontwikkeling die samenhing met het feit dat de radicale nationalisten de steun zochten binnen de nationale arbeidersklasse die hen op die manier een ingang in moderne politiek boden. Tegelijkertijd waren de revolutionair syndicalisten bezig om de inzichten rond de aard van relaties tussen de staat, arbeiders en natie te verduidelijken. Deze twee verschillende theoretische stromingen en gedachten over oorlog kwamen samen met de controverse rond de Libische crisis.

In de maanden voorafgaand aan de Libische oorlog was er een breed debat of Italië, Tripoli moest bezetten en een gewapend conflict met het Ottomaanse rijk moest aangaan. Binnen politiek links was er een unanieme tegenstand tegen deze oorlog. Toen de Italiaanse regering in september 1911 haar ultimatum aanbood aan het Ottomaanse rijk werd er een algemene staking uitgeroepen. Deze actie deed de regering echter niet haar besluit herzien en onder de bevolking - met name in het Zuiden - was er veel steun voor de operatie. Dit leidde uiteindelijk tot een breuk tussen de intellectuele kring van de revolutionair syndicalisten geleid door Labriola, Orano en Olivetti en de syndicale leiders geleid door De Ambris. Deze breuk duurde echter maar kort omdat de theoretici altijd al voorliepen op haar activisten. Deze intellectuelen vervulden de rol van avant garde omdat zij zich eerder distantieerden van de officiële partij lijnen en omdat de syndicale leiders en socialistische politici (zoals Mussolini) hun politieke formuleringen na enige tijd van twijfel meestal wel overnamen.

Het was echter niet alleen rond de kwestie oorlog waar de ideeën van de revolutionair syndicalistische intellectuelen van het officiële socialisme verschilden. In 1912 zette de revolutionair syndicalisten hun eigen unie op, de "Unione Sindicale Italiana" (USI), die aan het eind van het jaar meer dan 100.000 leden had. Deze unie adopteerde de traditionele antimilitaristische lijn van het syndicalisme, een lijn die stand hield tot aan de "rode week" (settima rossa). Deze week begon op 7 juni 1914 toen linkse militanten de straat op gingen om te demonstreren tegen het militarisme van de Republikeinse partij. Bij hun hoofdkwartier in Ancona loste de politie en de carabinieri schoten op de demonstranten wat resulteerde in 3 doden en vele gewonden. Hierop werd per direct een algemene staking uitgeroepen die navolging vond in geheel Italië. In Milaan leidde Corridoni en Mussolini van de PSI diverse demonstraties die vaak ontaarden in geweld, op sommige plekken namen de demonstraties de vorm aan van oprechte volksopstanden. Uiteindelijk moest het leger ingrijpen om de orde te herstellen.

Italië was nog niet bekomen van de schok van de settima rossa en werd al weer geconfronteerd met de dreiging van oorlog. Hoewel Italië in 1914 nog geen deel nam aan de oorlog, waren alle elementen binnen de revolutionair syndicalistische beweging het erover eens dat als Italië deel zou nemen aan de oorlog het aan de kant van Frankrijk en Groot-Brittannië moest zijn. Voor de revolutionair syndicalisten vertegenwoordigde de alliantie van het Pruisische rijk met Oostenrijk-Hongarije de ultieme reactie. Als consequentie hiervan zouden het de revolutionair syndicalisten zijn die het linkse interventionalistische kamp leidden zodra de oorlog eenmaal uitbrak. Dit zorgde voor onrust binnen de USI dat pleitte voor een Italiaanse neutraliteit in het conflict en dreigde de regering met een revolutionaire algemene staking als deze het land in oorlog zou willen stortten. In 1914 begon Alceste de Ambris een sterke aanval tegen het neutralisme en riep op om Frankrijk en Groot-Brittannië te steunen in hun oorlog tegen de Duitse reactie. Hij vergeleek de oorlog met de Franse revolutie. Dit leidde tot een diepe breuk in de USI organisatie waarbinnen de meerderheid geleid door de anarchist Armando Borghi voor neutralisme bleef pleiten. Een deel van de revolutionair syndicalisten verliet de USI en stichtte begin oktober de Fascio Rivoluzionario d'Azione. In diezelfde periode werd Mussolini onderdeel van deze beweging, nadat hij de neutralistische lijn van de PSI had verworpen.

Het merendeel van de leiders van de Fascio Rivoluzionario d'Azione melde zich conform hun ideeën aan om te vechten aan het front toen Italië in 1915 aan de oorlog deel ging nemen. Een klein aantal leiders bleef in onderlinge overeenkomst achter om de syndicaten te leiden. Sinds de oorlog was uitgebroken had de ideologische ontwikkeling van het Italiaanse revolutionair syndicalisme een punt bereikt waarop ze niet meer terug kon, de synthese van syndicalistisch socialisme en radicaal nationalisme die zich in 1914 begon te ontwikkelen maakte een gigantische evolutie door. Dit leidde in 1917 tot een proces waarin dit socialisme een meer en meer nationaal karakter begon te ontwikkelen en zich steeds meer af begon te zetten tegen haar Marxistische oorsprong. In het laatste jaar van de oorlog publiceerde Alceste De Ambris de krant "Il Rinnovamento", dat zich zou ontwikkelen tot het belangrijkste orgaan van Nationaal-Syndicalistische theoretici.

Uit deze intellectuele stroming werd in 1918 de "Unione Italiana del Lavoro" (Italiaanse Unie van de Arbeid) opgericht in Milaan. Tijdens de kritieke jaren van de "bienno rosse" (de 2 rode jaren van 1919-1920) werd de Italiaanse Unie van de Arbeid het centrum van nationaal syndicalistische ideeën. Toen in 1919 in Dalmine een staking uitbrak, konden de arbeiders van het syndicaat voor het eerst hun capaciteiten laten zien door zelf te participeren in het bestuur en de fabrieken effectiever te besturen dan hun eigenaren en met een eerlijkere winstverdeling. Enkele dagen later werd de staking verbroken door het leger. Een jaar later wijtten de leiders van deze staking hun falen aan de slechtbedoelde manipulaties van de PSI. Vanaf dat moment werden de Nationaal-Syndicalisten fervent voorstanders van het concept arbeiderszelfbestuur en participatie van arbeiders in het bestuur. Toen in Augustus/September, 1920 de revolutionair syndicalisten de controle over wisten te nemen in de Noordelijke industriële gordel, waren zij zich dan ook volledig bewust van het gevaar van een militair ingrijpen door de autoriteiten. Daaruit concludeerde zij dat succes alleen verzekerd kon worden als de arbeiders in staat zouden zijn om de gehele industriële sector over te nemen en erin slaagden om deze effectief te laten functioneren. Enkel op die manier kon de Staat en dus haar capaciteit tot "reactie" worden geneutraliseerd. Gedeeltelijke algemene stakingen werden door hen dan ook gezien als ineffectief en zouden bovendien enkel leiden tot meer repressie omdat zij niet in staat zouden zijn om een klap uit te delen aan de machinerie van de Staat.

De Nationaal-Syndicalisten presenteerden hun voorstel voor arbeiderszelfbestuur aan de premier Gioletti en wist zo het conflict te beëindigen doormiddel van een compromis. De regering stelde voor een plan voor industriële reorganisatie te adopteren, waarin arbeiders het recht verkregen om te participeren in het bestuur van een onderneming en stonden zelfs een beperkte controle over haar financiën toe. Gioletti was ervan overtuigt dat hij op deze manier een bolsjewistische revolutie had weten te voorkomen, maar vervreemde daardoor grote delen van de bourgeoisie van het liberale politieke systeem dat het representeerde. De gebeurtenissen in augustus en september 1920 werden gezien als het Italiaanse scenario voor een algemene staking die het land op de rand van revolutie en burgeroorlog kon zetten. De Nationaal-Syndicalisten waren er echter van overtuigd dat de echte aard van het conflict niet enkel economisch maar ook politiek van aard was. Ondanks dat de oorzaken economisch van aard waren, zouden deze niet tot een succesvolle conclusie worden gebracht zonder een politieke oplossing die op nationaal niveau werd toegepast. Uiteindelijk leidde dit tot een corporatistisch model dat volledig verschilde van het Marxistisch socialistische model dat 20 jaar eerder het theoretisch referentie punt vormde voor de revolutionair syndicalisten.


zondag 6 januari 2013

Agostino Lanzillo: De Zuiverende Oorlog


De in Italië geboren en getogen Agostino Lanzillo (1886-1952) was een discipel van Sorel en Pareta. De teksten van zijn hand bevatten een eigen interpretatie van Soreliaans syndicalisme en Paretiaans elitarisme. Hij was als journalist actief in de revolutionair syndicalistische beweging en sloot zich in 1914 bij Mussolini aan als staflid bij Popolo d’Italia. Zijn werk is nog steeds relevant in de context van de hedendaagse crisis en aan de vooravond van wellicht een nieuwe grote revolutionaire maatschappelijke transformatie.

“Het leek erop dat de kapitalistische klassen zelf als resultaat van hun uitgebreide en complexe netwerk van belangen, dat hen deed verenigen, de oorlog konden voorkomen; als bijgevolg dacht men dat het internationale proletariaat geconfronteerd met de onvermijdelijke dreiging van ongelimiteerde oorlog een revolutionaire beweging zou gaan maken. Echter toen de oorlog daadwerkelijk uitbrak bleek hoe verkeerd de socialistische voorspellingen waren: er was geen revolutionaire oppositie en de vijandelijkheden begonnen met de volledige en onvoorwaardelijke steun van de gehele natie.

Dit was het moment van de crisis: een gehele lijn van gedachten en actie werd gewist; de historische en ideologische structuur van het socialisme, dat de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw domineerde, stortte ineen en zaken namen een andere wending in contrast met dat van het socialisme.

In haar algemene opvatting, werd het socialisme gestoeld op klassenverschillen en de politieke evaluatie van deze verschillen: de oorlog heeft deze klassen achter zich gelaten en de natie een sterk gevoel van nationale eenheid terug gegeven. Socialisme baseert haar argumenten enkel op de diametrische oppositie van belangen binnen individuele landen en de oorlog liet de mogelijkheid zien om deze belangen te verenigen in de wil om een gemeenschappelijk erfgoed en gemeenschappelijke idealen te verdedigen met geweld. Een dergelijk hard bevochten conflict tussen volkeren en naties kan niet worden uitgelegd zonder de erkenning van een interne overeenkomst binnen deze volkeren; de algehele steun van alle klassen en dus ook die van de werkende klassen.

De kapitalistische samenleving heeft de wetenschappelijke benadering waar zij zichzelf op baseerde al snel achter zich gelaten en haar gehele organisatie is fundamenteel getransformeerd. Haar economische, juridische en politieke structuren zijn veranderd. Haar Laissez-Faire economische principes zijn verworpen door haar praktijk, wat leidde tot de ineenstorting van de geest der verovering, die het kapitalisme een zeer kort maar zeer intens moment van inspiratie gaf. Vanaf die tijd (de Franse revolutie) verviel de bourgeoisie in een onvermijdelijke aftakeling.

Haar creatieve en scheppende geest werd gebroken. Pacifisme vormt het meest gekarakteriseerde symptoom van deze tweede fase van onze samenleving. Pacifisme is het resultaat van de neiging om een equilibrium (evenwicht) te vinden; de noodzaak om te conserveren, tot een halt te komen. Pacifisme is de meest authentieke manifestatie van een maatschappelijk gebrek aan revolutionaire geest. De kapitalistische samenleving reageert pacifistisch om zowel tegenwicht te bieden aan de druk van klassenstrijd, alsmede tegen de druk van historische, economische en sociale conflicten tussen naties.

De trend richting pacifisme domineerde elk Europees land eind van de 19de eeuw. In bijna alle landen vormden nationalistische bewegingen minderheidsfracties. We moeten dus onthouden dat de nationalistische beweging uiterst recent is. Deze ontstonden rond 1900 in Frankrijk en in 1908 in Italië. Kort gezegd is dit een symptoom van de opening van een nieuwe historische horizon. Het is geen toeval dat zowel nationalistische als syndicalistische bewegingen tegelijkertijd verschenen.

Met deze dubbele reactie begon de wereldcrisis. De wederopstand van nationale ideologieën en de uitgesproken veranderingen in de houding van de arbeidersbeweging die het syndicalisme bracht, representeert een tendens richting de hervormingen van het allergrootste belang. De optimistische, pacifistische en reformistische democratische processen waren al te ver ontwikkeld, om door deze tendensen gestopt te worden, ongeacht of deze zich baseerden op de creatie van een nieuwe bourgeoisie, imperialistische ideeën of een hernieuwde geest van proletarische klassenstrijd. De decadentie van de maatschappij was te ver gevorderd en was te complex geworden, om gestopt te worden door normale middelen en door minderheidsbewegingen.

Oorlog is een reactie op verval. Oorlog is het bewijs dat de maatschappij niet kan ineenstorten omdat het iets ondefinieerbaars kent, dat ontpopt als een nieuwe uitgroei uit een oude verrotte boomstronk. Het bevestigt de oneindige kwaliteit van het leven.

Toen het leek dat de bestaande samenleving zich ging uitkristalliseren in vaste vormen, toen de krachten van rationalisme en intellectualisme leken te overwinnen om zo de historische cyclus van het kapitalisme te sluiten in strikte en rigide vormen, brak er vanuit een donderstorm een uitbarsting van een allesomvattende oorlog tussen naties. Ideeën, systemen en instituties storten ineen. De economie werd getransformeerd en alles dat eens stabiel leek werd vernietigd. Het was revolutie. Deze revolutie was de uitkomst van een eeuw vol gebeurtenissen, omdat het een oplossing had opgedrongen voor bepaalde historische, ethische, sociale en psychologische problemen.

Als de finale van een Beethovens symfonie nam deze oorlog alle thema’s in zich op die in het historische schema voorkomen en die onopgelost zijn gebleven. Het is de crisis der crisissen, de conclusie van elke gebeurtenis die men heeft laten wachten. Deze oorlog heeft de dichtste verbinding met de grote (Franse) revolutie. Elk van ons voelt instinctief dat dit moment, dit epiloog van deze grote tragedie die zich op slagvelden voltrekt, morgen leidt tot een grote, radicale en onvoorspelbare transformatie. Het is een universele oorlog die bouwt op de meest diepe, diverse en essentiële activiteiten van geest.

De belangrijkste reden voor de nederlaag van het socialisme ligt erin dat zij gevallen is voor de optimistische ideeën van de democratie. We kunnen dan ook zien dat de waarheid van het syndicalisme ligt in haar langdurige oppositie tegen het democratisch optimisme en het socialistisch materialisme. Haar kracht ligt in haar oneindige belang in het ontwikkelen van proletarisch bewustzijn, die afkeer heeft voor de zieke en corrupte mentaliteit van de bourgeoisie.

De antiparlementaire strijd van syndicalisten in Italië en Frankrijk is de meest glorieuze manifestatie van syndicalistische activiteit en staat wellicht aan de geboorte van de naoorlogse toekomst. Geen van de syndicalistische kritieken is beter gegrond dan hun weigering om de legitimiteit te erkennen van de strikt electorale mentaliteit van de bourgeois en socialistische partijen. De moderne samenleving geconfronteerd met het gevaar van de oorlog wordt zichtbaar getransformeerd en adopteert de psychologische houding die voldoet aan de eisen van deze tijd. Dus zullen we naar alle waarschijnlijkheid de formatie van een nieuwe ideologie meemaken die zich aanpast aan de historische situatie en eisen van een nieuwe beschaving.“