maandag 16 juli 2012

Woorden, Bloed, Programma's en Strijdverbonden


Tijdens de conservatieve revolutie begin vorige eeuw ontwikkelden denkers als Ernst Jünger en Ernst Niekisch een alternatief socialisme gebaseerd op een model geïnspireerd door Friedrich Nietzsche. Niet socialisme als doctrine, maar als de vitale expressie van een opkomende mensheid, waarvan haar instincten nog steeds sterk, gezond en intact waren. Deze conservatief revolutionairen projecteerden zichzelf als de jonge generatie van Duitse nationalisten, wiens missiebereidheid en gedeelde identiteit grotendeels groeiden uit de eerste wereld oorlog. Deze oorlog had een nieuw nationalisme voortgebracht dat fundamenteel verschilde van het nationalisme dat hen voor ging. Het verschil tussen het oude en het nieuwe nationalisme en de zoektocht naar een unieke plaats voor dit nieuwe nationalisme in het politieke landschap van de Weimar republiek werd in 1929 uiteen gezet in het Deutsches Volkstum. Hier werd betoogd dat na 1919 eenieder had aangenomen dat iedere poging tot een coup d’êtat vanuit het conservatieve kamp erop gericht zou zijn om het concrete verleden te restaureren. Echter 10 jaar later had de politieke discussie dit primitieve denken overstegen en werd de conservatieve reactie achtergelaten. Deze politieke discussie had echter nog niet het punt bereikt waarop het een duidelijk geformuleerd alternatief kon bieden.

Hoewel de ene stroming binnen de conservatieve revolutie tot doel had om het socialisme te herdefiniëren, maar regelmatig terug viel in de traditie van rechts denken, had een andere stroming tot doel om rechts dichter naar het traditionele socialisme te trekken - de nationaal-revolutionairen. De belangrijkste groepen binnen deze stroming werden vertegenwoordigd door de Widerstand cirkel van Ernst Niekisch en de groep van sociaal-revolutionaire nationalisten van Karl O Paetel, die connecties hadden met de linkervleugel van de NSDAP - vertegenwoordigd door de gebroeders Strasser. Deze groepen hadden een voorkeur voor een alliantie tussen de Sovjet Unie en Duitsland, om gezamenlijk te strijden tegen het kapitalistische Westen. Waar de Duitse socialisten van de conservatieve revolutie geen duidelijke methode formuleerden over hoe zij de alomvattende sociale en economische gemeenschap die zij voor ogen hadden, wilden bereiken, riepen de nationaal-revolutionairen jonge nationalisten op om een front te vormen met het proletariaat. Zij beschouwden de uitbraak van de proletarische revolutie als de dag van afrekening voor de revolutionaire nationalistische beweging.

De conservatieve revolutionairen gingen verschillende fases door in hun houding tegenover politieke programma's. Zij namen afstand van de roep om duidelijkheid over politieke doelstellingen en ontwikkelden zich richting een anti-programmatisch activisme. Het ideaal van een sterke leider ontwikkelde zich eveneens tijdens de conservatieve revolutie. De woorden van Ernst Jünger over zelfopoffering hadden een politieke parallel met zijn verklaring in 1929 dat programma's onnodig waren en dat de jonge generatie nationalisten moest leren marcheren zonder vlag. Ernst Niekisch suggereerde dat de conservatieve revolutie de scheiding tussen links en rechts niet had weten te overkomen en dat het resultaat van die fout een terugtrekking van het probleem betekende. De taak om een programma uit te werken was niet langer van het grootste belang, die taak was voorbehouden aan het laatste stadium van het nationalisme. Ernst Jünger verklaarde dat het begin van het nationalisme niet werd gemarkeerd door de oprichting van een partij of programma. In de linkse krant Das Tagebuch nam Jünger een duidelijk standpunt in tegen de traditionele leerstellingen van het Duitse nationalisme. Hij verklaarde dat de doelstelling van het nationalisme als doel had een staat te creëren die alle Duitsers omarmde en die was gebaseerd op nationale, sociale en militaire principes. Deze woorden moesten een betekenis krijgen door het leven zelf. Het nationalisme had genoeg energie tot haar beschikking om zonder dogma rond te komen.

Deze verandering tussen 1925 en 1929 die leidde tot het verwerpen van programmatische dogma's kon gevonden worden in het debat, over wat het nationalistisch programma zou moeten zijn. Dit debat begon nadat Jünger in 1926 opriep tot een verenigd front van alle nationalistische krachten. De nieuwe nationalisten halverwege de jaren '20 voelden zich duidelijk gedwongen om een politiek programma te formuleren na de twee mislukte coups tegen de staat - de Kapp-Lüttwitz-Putch van 1920 en de Bierkeller Putch van 1923. Jünger stelde dat na de oorlog nationalisten de dingen waar zij voor stonden zagen aftakelen in miserabele dieptes. Zij wilden hun geloof vasthouden, dat de offers die zij gebracht hadden niet voor niets waren. Deze nationalisten bleven vasthouden aan traditie, maar gaven een nieuwe betekenis aan het woord. Traditie betekende niet langer de "vaste vorm" maar de "eeuwige en levende geest" die elke generatie moest herscheppen. Het idee van de vaste vorm greep terug op Oswald Spengler die dit zag als het kenmerk van de afstervende beschaving. Jünger gebruikte dit om erop te wijzen dat het handhaven van het traditionele nationalisme in het na-oorlogse tijdperk nutteloos was. Het ras dat door de oorlog gevormd was moest vechten om een nieuwe staat te stichtten gebaseerd, op de vier pilaren van het nieuwe nationalisme (nationaal - sociaal -militair - dictatoriaal). Deze staat zou radicaal anders zijn dan de Weimar republiek en het Kaiserreich omdat nationalisme revolutionair is en niet reactionair. In de vier pilaren van het nationalisme zag Jünger het basiskenmerk van alle buitenparlementaire nationalistische groeperingen.

Hij verklaarde dat de fijnere punten van deze principes nog verder uitgewerkt moesten worden. Individuele nationalistische groeperingen waren niet groot genoeg om onafhankelijk te opereren en daarom was het noodzakelijk om een nationalistisch front te vormen rond een duidelijk en beslissend programma. Een sociaal programma moest uitgewerkt worden omdat de afwezigheid hiervan voor bezorgdheid zorgt bij de leiders van de nationalistische arbeiders. Jünger vond dat de nationalistische arbeiders de aanvoering moesten behouden in de economische strijd terwijl nationalistische soldaten de machtstrijd moesten leiden. De arbeiders zouden ondersteund worden in hun strijd door nationalisten die de bourgeois ideologie van de oorlog verworpen hadden. In de afwezigheid van een enkele grote leider moest er een centrale raad van leiders worden geformeerd om de puurheid en helderheid van de beweging in stand te houden. Hij probeerde op deze manier nationalistische groeperingen te confronteren met het cruciale probleem van het afscheiden van het traditionele nationalisme van haar monarchistische overtuigingen. Op deze manier werd er getracht een nieuw nationalisme op te richten dat de arbeiders voor zich kon winnen.

In een poging om de revolutionaire nationalisten voorbij een louter negatieve houding te trekken, zochten hun leiders meermaals naar een grote persoonlijkheid die de beweging kon voorzien van eenheid en richting. Echter in de afwezigheid van een dergelijk leider bleven de doelstellingen vaag en gecentreerd rond het herstel van Duitsland. Door afstand te nemen van programmatische dogma's en van nationalisme een doelstelling te maken die in het hart van iedere overtuigde nationalist gekerfd was, nam hij afstand van het rationele debat. Activisme vormde vanaf toen het praktische alternatief; woorden en bloed, programma's en strijdverbonden werden tegenover elkaar gezet en de eerste verloor van de laatste. De poging om een revolutionair programma te formuleren resulteerde in een revolutionaire houding die niet duidelijk geformuleerd was.




donderdag 12 juli 2012

Maatschappij in de uitverkoop

In de schaduw van de “bevrijders” lurkte een duistere toekomst voor Europa. Ogenschijnlijk een zegen, een barmhartige altruïstische daad. In feite een vloek en een puur zelfzuchtige daad. 6 juli 1947, de dag dat de Europese landen hun ziel verkochten aan de duivel.

Marshallplan

Toen het eerste, naar aanleiding van het in werking treden van het Marshallplan, “Liberty schip” met Amerikaanse goederen arriveerde had Nederland al enige ervaring met en een soortement van fascinatie voor de banale Amerikaanse cultuur. Er waren immers ook Nederlanders aan het begin van de negentiende eeuw naar Amerika geëmigreerd. Er was toen echter nog maar sprake van een geringe invloed op onze eigen cultuur. De veramerikanisering van Nederland en Europa kwam pas echt goed op gang na het “accepteren” van de Marshallhulp.

Op zes juli 1947 werd er in Parijs een Europese conferentie georganiseerd naar aanleiding van de Trumandoctrine. De Europese landen moesten, om in aanmerking te komen voor de miljarden dollars “steun”, zich wel voegen naar de Amerikaanse voorwaarden; een Amerikaanse controlecommissie in ieder land, invoering van de vrije markt economie en het land moest opengesteld worden voor buitenlandse (dus Amerikaanse) ondernemingen en handel. Er moest een permanente Europese organisatie opgericht worden onder andere ter uitvoering van de Marshallhulp. Dit werd de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (de basis voor de huidige Europese Unie.) Ook werd er een clausule opgenomen waarin stond dat Amerika “de hulp” ten allen kon uitstellen of stilleggen als het ontvangende land iets ondernam dat niet “in overeenstemming met de belangen van Amerika” was. Zo is Nederland twee keer in de “problemen” gekomen; In 1949 vanwege de politionele acties in Nederlands-Indië en in 1950 omdat Nederland weigerde om troepen te sturen naar aanleiding van de oorlog tegen het communisme in Korea. De totale financiële “hulp” bedroeg ruim 11,6 miljard dollar en werd verdeeld over een totaal van 16 landen waaronder Turkije. Doch dit roept vragen op, daar Turkije gedurende de tweede wereldoorlog neutraal is gebleven. Me dunkt dat men in al het bovenstaande toch zekere parallellen moet herkennen met hedendaagse gebruikte technieken, gebeurtenissen en gedragingen.  

De Marshallhulp start definitief op 19 december 1947. Nederland sleepte relatief veel hulpgeld binnen; tot en met 1954 ontving ons land 1127 miljoen dollar. Circa 25 procent van dit bedrag werd besteed aan voedsel. Het gemiddelde aantal calorieën dat men tot zich nam/ kon nemen steeg in deze periode met 20 procent. Zonder de hulp zou de consumptie van calorieën gedurende een iets langere tijd op het niveau van 1947 zijn blijven steken, maar dat had geen onoverkomelijke ramp hoeven zijn. Men moet ook in rekenschap nemen dat de Nederlandse productie eind 1947 al weer op het vooroorlogse niveau was, Nederland had immers een heel ambitieus wederopbouwplan. Dezelfde groeicijfers zouden dus ook behaald zijn zonder de Amerikaanse hulp! Dit zou echter circa 7 maanden langer geduurd hebben. Om een Britse historicus te quoten: “Vergeleken bij de herstel- en investeringsprogramma’s  die de staten in West Europa zelf opstarten na de Tweede Wereldoorlog, is de hele Marshallhulp niet meer dan een druppel in de oceaan geweest.”  Waarom onze politici indertijd dan toch met het Marshallplan hebben ingestemd, is en blijft mij een vraag. 

Tot in hoeverre de Marshallhulp effectief bedoelt was om Europa weder op te bouwen is de vraag. Wie naar de achterliggende feiten kijkt, ziet dat het vanuit Amerikaans perspectief puur uit eigen belang voorgesteld werd. De Europese import uit Amerika was zeven keer zo groot als de Europese export naar Amerika met als gevolg; enorme tekorten op de handelsbalans en een acuut gebrek aan dollars. Dit zou tot devaluaties en hyperinflatie leiden, oftewel een onhoudbare situatie voor de eigen Amerikaanse economie. 

Waar het Marshallplan aanvankelijk bedoeld was om de ineenstorting van de wereldeconomie te voorkomen, kreeg het later een functie in de Koude Oorlog. Het geld moest een barrière opwerpen tegen de communistische dreiging. Landen die hulp ontvingen kregen een verbod om handel te drijven met de USSR opgelegd. Vanaf 1951 werd de “ontvangende”” landen ook verplicht om de militaire uitgaven te verhogen, dit in het “belang” van de Koude Oorlog. De Europese samenleving kreeg in die tijd steeds meer een Amerikaanse glans. Europa begon zich meer en meer te spiegelen aan de Amerikaanse way of life. 

De Marshallhulp speelde bij dit alles een sleutelrol. Niet alleen vanwege de dollars waarmee Amerikaanse goederen, grondstoffen en machines konden worden gekocht, en het welbegrepen Amerikaanse eigenbelang werd gediend, maar vooral wegens de visie waarmee het wederopbouwprogramma was opgezet. Om een voorbeeld te noemen; toen Nederland wegens geldgebrek geen Hollywood films wilde kopen kreeg het een minimum quotum van af te nemen Hollywood films opgelegd te financieren vanuit de Marshallhulp. 
Voor jongeren had de Amerikaanse consumptiemaatschappij een enorme verleiding, ze konden zich hiermee distantiëren van de oudere generatie. Het beeld dat men kreeg van Amerika was immers dat van het land van de ongekende mogelijkheden en rijkdom. De economische groei, onder andere door het Marshall-plan, de snelle modernisering en het luidruchtige Amerikaanse voorbeeld waren een tijdbom onder de traditionele verhoudingen. Langzaamaan kreeg de Amerikaanse consumptiemaatschappij steeds meer voet aan wal in Nederland. In de loop der tijd zie je ook dat steeds minder dingen die van oorsprong Amerikaans zijn als zodoende worden omschreven of ervaren. Supermarkten, barbequen, doe het zelven, pretparken, verkiezingscampagnes en fastfood worden niet meer als Amerikaans ervaren terwijl ze dit in de basis wel zijn.

Nederland hobbelt op Engeland na wel het meeste achter Amerika aan. Nederland is immers altijd een sterk naar buiten gericht en Angelsaksisch georiënteerd land geweest, wat de omstandigheden voor een “effectief cultureel beleid” in Nederland vrijwel ideaal voor Amerika maakte. Op ieder gebied van onze hedendaagse levenswijze is de Amerikaanse invloed terug te vinden; de consumptie, de wetenschap, journalistiek, politiek, bedrijfsvoering enzovoorts. Het lijkt bijna alsof wij de 51ste staat van Amerika zijn in plaats van een oude natiestaat in Europa. Tegenwoordig is overal ter wereld de Amerikaanse invloed zichtbaar en of voelbaar. Je kunt met recht zeggen dat Amerika de meest chronische besmettelijke ziekte ter wereld is! 

We moeten ons verzetten tegen de veramerikanisering en weer terug naar onze wortels en onze natuurlijke bondgenoten!




vrijdag 6 juli 2012

Nationaal Verzet editie 6 is uit


De 6de editie van ons blad is weer gratis verkrijgbaar via de gebruikelijke kanalen!

In deze editie:

De geschiedenis van het Nationaal-Bolsjewisme
"Sociaal-Fascisme": het Fascisme van links
Anarchisme en Fascisme: Antagonisten?
Lenin en de Revolutionaire Voorhoedepartij
Sociaal Revolutionair Nationalisme
Sociaal Revolutionair Nationalisme – II
Economische crisis: Meelopen of nadenken!
Franco Giorgio Freda; De ondefinieerbare Revolutionair
Bloed en Bodem: Voorhoede van Ecologisch gezond verstand



vrijdag 8 juni 2012

De geschiedenis van het Nationaal-Bolsjewisme

De Nationaal-Revolutionaire en de Nationaal-Bolsjewistische doctrine kunnen niet los worden gezien van de Franse intellectueel Georges Sorel en zijn grote theoretische invloed op het Socialisme en het Revolutionair Syndicalisme. Hij was een uniek figuur binnen de intellectuele elite van het Frankrijk van eind 19de - begin 20ste eeuw. Vanaf 1907 zocht Sorel naar een nieuwe benadering om tegenstand te bieden tegen de liberale plutocratie door de krachten van zowel de linker- als de rechterzijde van het politieke spectrum, die zich tegen het burgerlijke systeem verzetten, te benaderen. Via verschillende tijdschriften werd Sorel een belangrijke theoretische agitator, hiermee legde hij de basis voor de vroege Nationaal-Bolsjewisten en proto-Fascisten zoals Georges Valois, maar eveneens voor Revolutionair Syndicalisten en Socialisten zoals Edouard Berth. De gigantische invloed van Sorel in Europa werd geprezen door zowel Lenin als Mussolini, die beiden inspiratie vonden in de grote theoretische Socialist. Sorel zou nooit de belangrijke gevolgen van zijn doctrinaire invloed meemaken, in 1922 stierf hij zonder de overwinning van Mussolini in Italië of de creatie van de Sovjet Unie mee te maken.

De theorieën van Sorel vonden een belangrijke voortzetting in de Nationaal-Bolsjewistische tendensen binnen de Weimar republiek van de jaren '20 en '30. Zijn theorie over de algemene staking als strijdmiddel om het bourgeois regime omver te werpen vond hier veel navolging. Dit concept werd dan ook gretig overgenomen door Nationaal-Bolsjewisten zoals Wolffheim en Laufenberg, die de staking van de massa's zagen als een alternatief voor parlementaire actie. Op deze manier wilden zij druk zetten op de burgerlijke Staat zodat deze uiteindelijk definitief plaats zou maken voor de dictatuur van het proletariaat. In de Weimar republiek ontstond het Nationaal-Bolsjewisme uit twee politieke tendensen; een vanuit het Nationalistische kamp en de ander vanuit het Socialistische kamp. Aan de grondslag hiervan lag de frustratie over het schandelijke Dictaat van Versailles dat na WO 1 aan Duitsland en Italië werd opgelegd. De Germanist en Bolsjewist Paul Eltzbacher was een van de eersten die in 1919 in Berlijn een samenhangende doctrinaire manifestatie van het Nationaal-Bolsjewisme aanbood. Zijn ideeën vonden al snel ingang in het Communistische kamp via Karl Radek, functionaris binnen het Komintern en een van de voortrekkers van de Spartacusopstand.

Vanaf 1919 begon het Nationaal-Bolsjewisme zich in Duitsland te manifesteren als een coalitie tussen Nationalisme en Leninistisch-Communisme. Deze stroming werd met name vertegenwoordigd door Heinrich Laufenberg en Friedrich Wolffheim die actief betrokken waren bij de opbouw van de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD). Daar hun Nationaal-Bolsjewisme al snel serieuze concurrentie begon te vormen voor de internationalistische tendensen binnen de partij werden beiden in 1920 uit de partij verbannen. Hierop stichtten zij hun eigen dissidente Communistische partij - de Kommunistische Arbeiter-Partei Deutschlands (KAPD) - welke in 1922 op de Komintern gerepresenteerd werd. Hier pleitten Wolffheim en Laufenberg voor de creatie van een Duits rode leger om oorlog uit te roepen tegen de overwinnaars van Versailles. Nadat in 1933 het Hitleristische Nationaal-Socialisme de macht in Duitsland overnam, verdwenen sommige Nationaal-Bolsjewistische structuren binnen het intellectuele kader en politieke apparaat van het Derde rijk. Een van deze structuren was de Deutscher Fichte-Bund uit Hamburg die in de lijn van de KAPD stond en wist te overleven binnen het Derde rijk. Aangevoerd door Heinrich Kessenmaier had deze intellectuele en universitaire beweging vele parallellen binnen Europa. Onder hen bevond zich de Belgische Communist Jean-François Thiriart.

In de jaren '20 en '30 ontwikkelde het Nationaal-Bolsjewisme zich tot een belangrijk onderdeel van het intellectuele panorama van de Weimar republiek. Veel intellectuelen namen op de een of andere manier Nationaal-Bolsjewistische posities in. Een van de meest bekende vertegenwoordigers van het toenmalige Nationaal-Bolsjewisme is Ernst Niekisch. Niekisch ontwikkelde zich vanuit het Duitse Socialistische kamp al snel richting neo-Nationalistische posities via zijn uitgave "Widerstand". Hij oefende tot 1933 een aanzienlijke invloed uit op de Duitse jongerenbewegingen, voormalige Sociaal-Democraten, vakbonden en neo-Nationalisten. Na 1933 werd Niekisch een overtuigde anti-Hitlerist, wat hem uiteindelijk in een concentratiekamp deed belanden. Na de oorlog oefende het Nationaal-Bosjewisme nog grote invloed uit op de formatie van de Duitse Democratische Republiek (DDR).

In de jaren '60 zien we een herleving van het Nationaal-Bolsjewisme via de transnationale organisatie "Jong Europa" van Jean-François Thiriart. Binnen het politieke klimaat en "links - rechts" hokjesdenken van de jaren '60 werd deze organisatie echter al snel, onterecht, geclassificeerd als "extreem-rechts" of "Fascistisch". Echter uit de publicaties en echte geschiedenis van deze organisatie kan men enkel tot een andere conclusie komen. "Jong Europa" was een originele en niet classificeerbare beweging die zich bewoog buiten het "rechtse" en "linkse" conformisme om. De ideeën van deze organisatie leken veel op de posities op politiek-sociaal gebied van de Nationaal-Bolsjewistische syntheses uit de jaren '20 en '30. Jean-François Thiriart, de oprichter en belangrijkste theoreticus van "Jong Europa", structureerde de beweging volgens de principes van de Leninistische organisatorische orthodoxie. De doctrine van de beweging werd beschreven als een "Nationaal-Europees Communitarisme" waarvan het sociale karakter vanaf het begin werd benadrukt. "Jong Europa" pleitte voor een collaboratie van West Europa met de USSR om een geopolitiek blok van Dublin tot Vladivostock te creëren.

Nadat in '64 de anti-Communistische rechtervleugel van de organisatie werd geëlimineerd, legde "Jong Europa" zich toe op twee belangrijke oriëntaties; radicaal anti-Amerikanisme en een progressieve benadering van Nationaal-Communistische posities. Thiriart was ervan overtuigd dat zijn Communitarisme uiteindelijk het Communisme zou overtreffen. In 1965 definieerden zij het Communitarisme dan ook als een "Nationaal-Europees Socialisme" aangevuld met de voorspelling dat "ergens deze eeuw het Communisme, of zij het nu wil of niet, Communitair zou worden." Hier staat de geschiedenis aan zijn kant, want voor de val van het Sovjet blok, leidde de economische correcties die in Hongarije en Roemenië geïntroduceerd werden richting het Communitarisme. Echter in tegenstelling tot zijn Nationaal-Bolsjewistische voorgangers verwierp hij het landelijk Nationalisme en pleitte hij voor een meer pan-Europees Nationalisme gebaseerd op de regionale gemeenschap. Hij zag in de constructie van grote economische geopolitieke blokken de oplossing voor de uitdagingen van zijn tijdperk. Hiermee stond hij in een lijn met Niekisch die een constitutie voorstelde voor een Duits-Slavisch blok. Ondanks verschillende tactische successen viel de organisatie in 1969 uit elkaar, waarna Thiriart zich meer dan 10 jaar terugtrok uit de militante politiek.

Tegenstanders van het Nationaal-Bolsjeswisme leggen vaak onterecht een connectie met het Fascisme en Nationaal-Socialisme. Uiteraard is het noodzakelijk om te erkennen dat er relaties bestaan tussen het Nationaal-Bolsjewisme en de Fascistische en Nationaal-Socialistische doctrines, die allen in het begin van de 20ste eeuw ontstonden. Zowel het Nationaal-Bolsjewistische, Marxistisch-Leninistische gedachtegoed behoren net zoals het Fascisme en Nationaal-Socialisme tot de Socialistische filosofie van de 19de eeuw. Fascisme is onder de invloed van Sorel geboren in het linkse spectrum van de politiek. Het is het resultaat van een revisie van Marx zijn theorie waarin de klassenstrijd werd vervangen door de natie. Fascisme was niet enkel een reactionaire beweging, maar kende eveneens revolutionaire elementen. Een voorbeeld hiervan kunnen we vinden in Spanje, waar voor de burgeroorlog van 1936-1939 de Spaanse Falange nog werd betiteld als het "Bolsjewisme van rechts". Na de burgeroorlog ontnam het reactionaire regime van Franco, de Falange van haar macht en liet zij haar leider José Antonio Primo de Rivera executeren. Van haar revolutionaire en sociale inhoud ontdaan bleven de resten van de Falange bestaan als een excuus voor het reactionaire Franco regime dat voornamelijk steunde op de kerk en het leger.

Echter ondanks deze historische connecties verschillen het Fascisme en Nationaal-Socialisme fundamenteel van het Nationaal-Bolsjewisme. Hoewel allen een alliantie belichamen van een sociale en nationale ideologie, ligt het fundamentele verschil met Nationaal-Bolsjewisme in het Marxistische karakter ervan. Voor Fascistische en Nationaal-Socialistische bewegingen is het Marxisme een rivaal in de weg naar revolutie. Daarom wordt het nodig geacht het Marxisme te neutraliseren en het te bestrijden waardoor het anti-Communisme een belangrijke factor binnen deze doctrines wordt. Echter Nationaal-Bosjewisten beschouwen het Marxisme en Communisme niet als rivalen, maar als bondgenoten die noodzakelijk zullen integreren binnen een unitaire beweging tegen het kapitalistische en bourgeois systeem. Het is dit diepliggende streven naar een Nationaal-Communistische coalitie dat het Nationaal-Bolsjewisme onderscheid. Dit belichaamt de politieke en doctrinaire zoektocht van de Nationaal-Bolsjewisten van zowel de jaren '20, '30, '60 als de Nationaal-Bolsjewisten van vandaag de dag.

















donderdag 7 juni 2012

Franco Giorgio Freda; De ondefinieerbare Revolutionair

"Ik haat dit boek. Ik haat het met heel mijn hart. Het gaf mij glorie, dat armzalige ding dat beroemdheid heet, maar vormt eveneens de bron van al mij ellende. Voor dit boek heb ik vele maanden in de gevangenis gezeten, (...) justitiële vervolging zowel nietszeggend als wreed. Voor dit boek heb ik verraad van vrienden, kwader trouw, zelfzucht en de slechtheid van de mens ervaren. Vanuit dit boek is de domme legende ontstaan die mij voor cynisch en wreed uitmaakt, een soort Machiavelli vermomd als de kardinaal van Retz die zij in mij zien."

Hoewel dit geschreven is door Curzio Malaparte als introductie van zijn beroemde essay "Techniek van de coup", kon Giorgio Freda, auteur van "De desintegratie van het systeem", zich vereenzelvigen met deze woorden. Deze auteur, die een klein boekwerk schreef van ongeveer 60 goed gevulde pagina's, die de basis van het bourgeois systeem ondermijnde heeft jarenlange juridische vervolging en media hetzes moeten doorstaan. De jonge Platonist en Evolaanse advocaat Franco "Giorgio" Freda was een van de oprichters van de "Gruppo di Ar". De term die de groep als naam gekozen had - Ar - is symbolisch binnen vele Indo-Europese talen en vormt de semantische wortel die het idee van adel en aristocratie connoteert. In 1964 moest Freda voorkomen voor een pamflet dat het Zionistische beleid in Palestina afwees. Dit was slechts de eerste veroordeling van velen. Hetzelfde jaar nog publiceerde "Edizioni di Ar", een uitgeverij die hij had opgericht, zijn eerste boek; "Een essay over de ongelijkheid van rassen" door Arthur de Gobineau. Hierop volgde de kleine geschriften van Julius Evola en de werken van Corneliu Codreanu. Iedere titel had een circulatie van ongeveer 2000 stuks. 

Er waren twee constanten binnen de militante overtuiging van Freda; de strijd tegen het internationale Zionisme, waaronder Israel, dat hij zag als het front voor de strijd tegen het bourgeois liberalistisch systeem, wat zijn uitdrukking kreeg in het Amerikaans imperialisme dat Europa sinds 1945 teisterde. Met zijn anti-Zionisme was Fredo de eerste uitgever in Italië die de Palestijnse vrijheidsstrijders openlijk steunde, zelfs toen extreem-rechts belichaamd door de MSI (Movimento Sociale Italiano) Israel nog prees als "het bolwerk van het Westen tegen de door Moskou geknechte Arabieren." Hij was het die in Padua in maart 1969, in samenwerking met de Maoïstische groep "Potere Operairo" de allereerste grote bijeenkomst organiseerde die, in de aanwezigheid van afgevaardigden van Yasser Arafat zijn Fatah, het Palestijns verzet steunde. Dit werd hem nooit meer vergeven door de Zionistische lobby. Bovendien was hij, net zoals zoveel voorstaande intellectuelen, niet tevreden met enkel verbale steun aan Palestina en verstrekte hij in het geheim timers aan een veronderstelde vertegenwoordiger van Fatah. 

De desintegratie van het Systeem

Boven alles was Giorgio Freda een man van tekst. En wat een teksten. "De desintegratie van het systeem" werd in 1969 geschreven toen de studenten protesten nog in volle hevigheid bezig waren. Italië onderging geen plotselinge explosie en uitval zoals in Frankrijk, maar een "serviele Mei". Overtuigd van de noodzaak voor de radicale subversie van de burgerlijke wereld, geloofde Freda dat alles geprobeerd moest worden. Hij geloofde dat in een tijd waar zoveel mensen zochten naar een ware revolutionaire inhoud voor de studentenopstand, dat deze inhoud werd gegeven door de voorstanders van het orthodox Marxisme of sociaaldemocratisch reformisme. Het waren deze jongeren waar "De desintegratie van het systeem" voor bedoeld was. Verre van Freda zijn persoonlijke programma, synthetiseerde hij de gedeelde eisen van het gehele Nationaal-Revolutionaire milieu, van Giovane Europe (Jong Europa) tot en met Lotta di Popolo (Volksstrijd). 

De toon van zijn tekst was beslist aanvallend. Als een discipel van Evola, was Freda niet de eerste die niet enkel beleerd commentaar op zijn geschriften had, maar deze van theorie naar praktijk wilde bewegen. Men kan in "De desintegratie van het systeem" dan ook de politieke praktijk vinden van de theorie van Evola uit zijn boek "Riding the Tiger". Met dit boek gaf de baron het intellectuele kader, dat het geloof van Freda bevestigt dat er geen enkele compromis met het burgerlijke systeem gemaakt kan worden. Evola schrijft; "Er is een oplossing die sterk uitgesloten moet worden: dat is bouwen op datgene dat overleeft van de burgerlijke wereld." Hij voegt hieraan toe; "Het is misschien goed om datgene dat toch al wankelt en tot de wereld van gisteren behoort, ineen te doen storten, in plaats van te ondersteunen en daarmee op kunstmatige wijze het leven te verlengen.” 

In zijn boek is Freda zeker niet mild tegenover de idolen en waarden van de burgerlijke samenleving. Orde in het belang van orde, heilig privé eigendom, kapitalisme, moreel conformisme, eindeloos pro-Zionisme, philo-Amerikanisme, maar ook God, priesters, rechters en bankiers - niets en niemand ontsnapte aan zijn harde kritieken. Tegenover het dominante marktmodel bood hij een waar alternatief, namelijk de herleving van de traditionele doctrine van de Staat. Volledig in tegenstelling tot de pseudo-burgerlijke waarden, ontwikkelde hij een coherent Staats idee en beschreef hij de organisatie van een Communistische economie - een Spartaans elitaire Communisme dat meer gebaseerd op Plato is, dan op Marx. 

Als een man van actie was Freda ziek van de pseudo-intellectuelen aanhangers van Evola en Guenon, die zichzelf in hun Ivoren torens hadden opgesloten. Hij had harde woorden voor sommige Evolanen; "Het zijn steriele apologisten van het Staatsdiscours, aanbidders van abstracties, kampioenen van de conceptuele gebaren", in zijn ogen waren zij de berijders van papieren tijgers. "Voor ons betekent oprecht zijn in onze wereldvisie - en daarom de Staat - dat we hieraan voldoen en daarbij niets ongedaan laten om het op historische wijze te bereiken." In dit perspectief laat hij duidelijk zijn intentie zien om uit te reiken naar die sectoren, die betrokken zijn bij de doelstelling van het ontkennen van de burgerlijke wereld. Buitenparlementair extreem links behoorde hier in zijn visie eveneens toe en dus stelde hij een strategie voor die trouw was aan een gezamenlijke strijd tegen het systeem. Hij zocht dan ook actief contact met verschillende Maoïstische groepen zoals de "Potere Operaio" en de Communistische partij van de Italiaanse Marxisten-Leninisten.     

Slachtoffer van Democratie

Op 12 december 1969 explodeerde een bom bij de "Banca Nazionale dell'Agricoltura" in Piazzo Fontana in Milaan. Hierbij kwamen 16 mensen om het leven en raakten 87 mensen gewond. De Italiaanse sectie van de ultra-linkse "Situationistische Internationale" gaven als reactie op de aanslag een manifest uit genaamd "De Reichstag branden", waarin zij het regime ontmaskeren als de ware organisator van dit bloedbad. De Situationisten komen tot de conclusie dat de Piazza Fontana bomaanslag "noch anarchistisch, noch fascistisch was."    

Ondertussen vierde Franco "Giorgio" Freda nog steeds zijn intellectuele strijd tegen het systeem. In 1970 schreef hij een voorwoord bij een van de teksten van Evola waarin hij de mogelijkheid verwelkomde van stedelijke oorlogsvoering in Italië. In 1971 publiceerde "Edizioni di Ar", voor het eerst sinds 1945, wederom "De protocollen van de ouderen van Zion". Dezelfde maand nog werd Freda gearresteerd op verdenking van; het verspreiden van propaganda en van boeken die tot gewelddadige subversie oproepen. De repressieve machine begint vanaf dan te lopen. Voor het eerst sinds het einde van het fascistische regime probeerde een magistraat "Artikel 270" (wet tegen subversieve verenigingen) van de "Code Rocco" (vernoemd naar de procureur- generaal van Mussolini) toe te passen. Als antwoord hierop publiceerde "Edizioni di Ar" een collectie van Palestijnse poëzie - "De vijand van de mensheid" -, dit tot grote woede van de zionisten. In Juli 1971 paste de rechter de aanklachten nog eens aan en beschuldigde hij Freda ervan "propaganda te maken voor de gewelddadige subversie van de politieke, economische en sociale ontwikkeling van de Staat". Dit doormiddel van zijn boek "De desintegratie van het systeem" waarin hij zinspeelde op de gewelddadige subversie van de burgerlijke democratische Staat, om deze vervolgens te vervangen door een duidelijk gedefinieerde Volksstaat." Onaangetast door de repressie publiceerde "Edizioni di Ar" in 1971 de vertaling van de "Internationale Jood", geschreven door Henry Ford.  

Op 5 December 1971 werd Franco "Giorgio" Freda wederom gearresteerd. Hij werd niet langer vervolgd voor de misdaad van zijn meningen, maar werd ditmaal grof beschuldigd van het organiseren van het Piazza Fontana bloedbad. Omdat justitie er niet in geslaagd was om de "anarcho-fascisten" van die tijd te vervolgen, probeerden zij het nu bij de zogenaamde "Nazi-Maoïsten". De aanklachten jegens Freda waren enkel gebaseerd op twee bewijsstukken. Volgens justitie kocht hij dezelfde timers die waren gevonden in de bank, evenals de rugzakken waarin de bommen waren geplaatst. Maar hoewel Freda inderdaad timers had gekocht, had hij deze aan iemand van de Algerijnse geheime dienst gegeven die deze namens het Palestijnse volk vroeg. Onderzoek wees vervolgens uit dat er niets slechts 57 van deze timers in Italië verkocht waren - Freda had er 50 van gekocht - zoals de rechter beweerde, maar dat er enkele honderden timers in het land verkocht waren. Ook verschilden de modellen die Freda gekocht had van de timers die bij de aanslag gebruikt waren. Verder had de verkoper in Bologna die de rugzakken had verkocht, die bij de aanval gebruikt werden, Freda niet herkent als de koper maar twee politie officieren. Uiteraard wilde de rechter dit indirecte bewijs niet in overweging nemen. Hierop begon Freda zijn eenzame tour door de het Italiaanse gevangenisstelsel; Padua, Milaan en Trieste, gevolgd door Rome, Bari, Brindisi en Catanzaro.    

Hij werd door extreem-rechts - met name door de neofascistische MSI - gestigmatiseerd als een vermeende "Maoïst" en een agent van het Communistische China. Door legalistisch links en binnen zionistische cirkels werd hij dan weer uitgemaakt voor "nazi" en "antisemiet". Hij werd hierdoor eveneens angstvallig afgewezen door enkele buitenparlementaire linkse krachten waar hij eerder nog mee gecollaboreerd had. Uiteindelijk werd hem door de media het beruchte predicaat "Nazi-Maoïst" gegeven. Echter door de hype die deze term veroorzaakte raakte zijn voorraad van 1500 kopieën van " De desintegratie van het systeem" al snel uitverkocht. Enkele jaren later gaf Freda toe dat zijn teksten meer door links extremisten dan door rechts extremisten aangekocht waren.   

De Rechtszaak

De lange rechtszaak voor de bomaanslag bij Piazza Fontana begon in januari 1975, in de Assize rechtbank in Catanzaro. De anarchist Pietro Valpreda samen met zeven van zijn handlangers en de neofascist Giorgio Freda met 12 medeverdachten stonden terecht. Aan het einde van zijn detentie, in 1976, werd Freda vrijgelaten en mocht hij zijn straf voortzetten in huisarrest. De aanklachten tegen hem bleven echter intact. Dus toen hij in 1977 in het vooruitzicht van een levenslange gevangenisstraf stond, twijfelde hij geen moment om een interview te geven aan zijn vriend Claudio Mutti, waarin hij nogmaals de gewapende strijd voorstelde als de beste vorm van politieke oppositie in Italië.  

Overtuigd dat zijn lot en veroordeling vast stonden, vluchtte Freda in Oktober 1978 weg voor de autoriteiten. Hij werd in 1979 wederom gevangen genomen in Costa Rica, van waaruit hij met dwang werd teruggebracht door de Italiaanse politie om berecht te worden. Uiteindelijk werd hij in 1984 tijdens de vierde rechtszaak in verband met het Piazza Fontana bloedbad vrijgesproken. Hij werd echter wel schuldig verklaard aan een vermeende "subversieve vereniging" waarvoor hij tot een gevangenisstraf van 15 jaar werd veroordeeld. Na zijn vrijlating richtte hij het "Fronte Nazionale" op, waardoor hij wederom gearresteerd werd en in 1993 opnieuw aangeklaagd werd.