zaterdag 7 januari 2012

Politieke verklaring ACN/AKN

EEN OPROEP VOOR DE CONVERGENTIE VAN DE NATIONALE ANTI-KAPITALISTISCHE STRIJD!

In 2012 werd geheel Europa, evenals de gehele wereld, geconfronteerd met een extreem bedreigende vijand: totalitair kapitalisme. Veel landen waren al verloren en nog meer waren bestemd om er onder te bezwijken. We weten hoe ernstig de effecten zijn voor volkeren en hun omgeving.

Vandaag de dag is de schadelijkheid van kapitalisme feitelijk te goed ingeburgerd in geheel Europa: hebzucht, groeiende armoede, failissementen, werkloosheid, politieke corruptie en exploitatie zijn overal. Dit is niet, zoals zij zeggen, een ‘crisis’! Dit is de nieuwe structurele realiteit! Omdat kapitalisme het dominante systeem is. Het is een systematisch project van exploitatie van land en volk voor de financiele winst van een kleine groep van elites.

Onze strijd tegen kapitalisme begon niet gisteren, maar daarom is het duidelijk dat het tijd is om de traditionele strategie en tactieken te heroverwegen als het gaat om het verzet tegen een moderne kapitalistisch-dictatoriale staat. We moeten verschillende tactieken, frames en plaatsen gebruiken en de isolatie en separatie van de verschillende bestaande politieke realiteiten overwinnen. We moeten ons bovenal focussen op internationale convergentie, uitwisselen en delen van de praktijken voor de versterking van onze strijd!

Vanwege al deze redenen en na een goede tijd van collectieve discussies en analyses, hebben de deelnemers aan het antikapitalistische evenement in Milaan zich op 3 december verenigd in een collectieve informele groep genaamd ACN/AKN. Dit losse collectief, in een pluriformiteit van stemmen, kan een nieuw patroon voor ons worden om de verbinding te maken tussen lokale gevechten en wereldwijde strijd tegen kapitalisme!

ACN/AKN POLITIEKE VERKLARING

ACN/AKN (Anti-Capitalist Network) is een poging om de polymorfie van nationalistische anti-kapitalistische bewegingen in Europa te verbinden. Het is een gemeenschappelijke grond, een vrije vereniging van individuen, groepen en bewegingen die nieuwe manieren en middelen zoeken voor verzet tegen het dictatorschap van het kapitalistische systeem en de neo-liberale globalisering.

ACN/AKN is geen duidelijke groep of partij maar een poging om breed en los gedecentraliseerde politieke acties te verbinden onder gedeelde standpunten. Daarom heeft het geen leden of vertegenwoordigers, voormannen of leiderschap. ACN/AKN kan niet en zal niet een gemeenschappelijk beleid hebben, uitgezonderd van de gemeenschappelijke overeenkomst betreffende de vijf fundamentele richtlijnen:

1- Een zeer duidelijke afwijzing van kapitalisme, imperialisme en globalisering; onze naties moeten alle handelsovereenkomsten, instituties en regeringen afwijzen die de vernietigende globalisering promoten;

2- Het afwijzen van alle vormen en systemen van exploitatie, overheersing en winst. Het weigeren van het pad der kapitalistisch conformisme dat pseudoculturele standaarden (zoals consumentisme) toe staat en het weigeren van de sociale verplichtingen die het dagelijkse leven beheersen. Wij omarmen de volledige waardigheid van alle mensen, milieu en levende wezens;

3- De noodzaak om wijdverspreide woede te kanaliseren in activisme in plaats van berusting. We hebben confronterende propaganda en informatieve acties, het mengen van concepten, praktijken en oplossingen en de creatie van een waar grassroots alternatief nodig tegen de hedendaagse lelijke structuren van het economische en sociale leven. Laat zien dat het verzet nog steeds leeft en dat een andere manier mogelijk is!

4- Een oproep tot directe actie van protest (bijvoorbeeld tegen de sluiting van een fabriek of tegen tijdelijk werk), solidaire demonstratie, burgerlijke ongehoorzaamheid en steun aan de strijd van sociale bewegingen die pleiten voor vormen van verzet die respect voor leven en onderdrukte mensenrechten maximaliseren. Evenals de constructie van nationale en lokale ruimtes en alternatieven voor het globalistische kapitalisme.

5- Een organisatorische filosofie met concepten gebaseerd op volledige decentralisatie en autonomie.    

Activeren van Verzet en Onvrede! Tot op de frontlinie!





A CALL FOR CONVERGENCE OF NATIONAL ANTI-CAPITALIST STRUGGLES!

In 2012, the whole of Europe, as well as total globe, was confronted by one, extremely threatening enemy: totalitarian capitalism. Many countries were already lost, and more were destined to succumb. We know how its effects are severe, regarding to the peoples as well as their environment.

Today the harmfulness of capitalism is in fact too well established across Europe: greed, growing poverty, foreclosures and unemployment, political corruption and exploitation are everywhere. This is not, like they said, a ‘crisis’! This is the new structural reality! Because capitalism is a system of domination. It is a systematic project of exploitation of land and people for financial profit of a small group of élites.

Our struggle against capitalism did not start yesterday but it is clear, therefore, that it is time to rethink traditional strategy and tactics when it comes to opposing a modern capitalist-dictatorial state. We need to use different tactics, frames and places. And, overcoming the isolation and separation of the various, pre-existing political realities, we need above all to focus on international convergence, exchange and sharing of practices for the solidification of our struggle!

For all these reasons, and after a good time of collective discussions and analyses, the participants in the anticapitalist event held in Milan on 3 december have gathered in a collective informal group named ACN/AKN. This loose collective, in a plurality of voices, can be a new pattern for us to make the connection between local fights and global struggle against capitalism!


ACN/AKN POLITICAL STATEMENT

ACN/AKN (Anti-Capitalist Network) is an effort of linking the polymorfic nationalist anti-capitalist movements across Europe. It is a common ground, a free union of individuals, groups and movements who seek ways and means of opposing the dictatorship of capitalist system and neo-liberal globalization.

ACN/AKN is not a proper group or a party but an effort to widely and loosely link decentralized political actions under common points of views and that is why it has no members or representatives, chiefs or leadership. ACN/AKN could not and would not have a common policy, except the mutual agreement on the five basic directions:

1- A very clear rejection of capitalism, imperialism and globalization; our nations must refuse all trade agreements, institutions and goverments that promote destructive globalization;

2- The rejections of all forms and systems of exploitation, domination and profit.  The refuse of the path of capitalist conformity that allow pseudocultural standards (like consumerism) and social obligations to control everyday life. We embrace the full dignity of all human beings, environment and living beings;

3- The need to channel widespread anger into activism rather than resignation. We need confrontational propaganda and counterinformation actions, the mixing of concepts, practices and solutions and the creation of a truly grassroots alternative to the current ugly structures of economic and social life. Show that Resistance is still alive and that a different way it’s possible!

4- A call to direct action of protests (against a closure of a factory, for example, or against temporary work) and solidarity demonstration, civil disobedience and support for social movements' struggles, advocating forms of resistance which maximise respect for life and oppressed peoples' rights, as well as the construction of national and local spaces and alternatives to global capitalism.

5- An organisational philosophy with concepts based on full decentralisation and autonomy.

Activating Resistance & Dissent! See you on the frontline!

woensdag 4 januari 2012

De Nationaal-Revolutionaire beweging in de Weimar Republiek - Deel III

Enkele stromingen van de Nationaal-Bolsjewisten van de Weimar republiek

Ernst Niekisch, een leraar aan de lagere school in Augsburg, ontwikkelde zich in de Weimar republiek van een rechtse sociaal-democraat tot een radicaal Nationaal-Revolutionair, resp. Nationaal-Bolsjewist. Na een intermezzo bij de völkische-nationale “Hofgeismarer Kreis” binnen de SPD, treed hij in 1925 uit de partij. Samen met Augustus Winning richt hij nog in hetzelfde jaar de “Alte sozialdemokratische Partei” (ASP) op. In 1926 begint hij met het uitgeven van het tijdschrift “Widerstand – Blätter für sozialistische und nationalrevolutionäre Politiek”. Winning wordt het jaar daarop mede-uitgever. Nadat Niekisch in 1928 naar Berlijn verhuisd en daar de “Widerstand-Verlag” opricht, verschijnt het blad met de toevoeging “Zeitschrift für nationalrevolutionaire Politik”. Gedurende deze tijd ontwikkelt zich een hechte vriendschap met Ernst Jünger en diens broer Friedrich Georg, die beide actief aan “Widerstand” meewerken (tot aan het verbod in 1934).

De grootste respons vond “Widerstand” bij het nationalistische gedeelte van de intelligentsia, in de kringen van de Bündische jeugd en vooral bij de Wehrverbände (paramilitaire organisaties), zoals de Bund Oberland en de Jungdeutsche Orde.De Bund Oberland beschikte over ca. 12.000 man, met zwaartepunten in Franken, Beieren en Oostenrijk. Na het bloedige neerslaan van de radenbeweging ontwikkelde Oberland zich tot een soortement centrale voor nationalistische kadervorming en kon het rekenen op grote toeloop uit de jeugdbeweging, waar de Bund het tijdschrift “Das Dritte Reich” verspreidde (de hoofdredacteur van het “Dritte Reich”, Dr. Sondermann, werd in de loop der tijd een nauwe medewerker van Niekisch).

Niekisch onderhield goede betrekkingen tot alle grote Wehrverbände: In oktober 1928 gelukte het hem om de leiders van de Jungdeutsche Orde, de Wehrwolf, de Stahlhelm en de Bund Oberland bijeen te brengen om een “eenheidsfront” van de Wehrverbände te formeren. Ook bezat hij uitstekende contacten in kringen van de Reichswehr. Zo ongeveer vanaf 1929 had Niekisch zijn Nationaal-Bolsjewistische zienswijze volledig ontwikkeld. In de loop van 1930 vormden zich in tal van steden zogeheten “Widerstandskreise”, waar rondom heen zo'n 4000 personen zich groepeerden, zich oriënterend op het door Niekisch uitgegeven periodiek. De activisten stamden voornamelijk uit kringen rond Oberland en uit het universiteitsmilieu.

Niekisch deed herhaaldelijk pogingen om samen met de KPD tot een gemeenschappelijk politiek front te komen, in het bijzonder na de Programmatische Verklaring van het Centraal Comité van de KPD in 1930. Echter, met weinig resultaat. Tegen het Young-plan *** slaagde Niekisch erin om een alliantie van 32 nationale jeugdorganisaties te formeren, waaronder Deutsche Hochschulring, Jungstahlhelm, Hitlerjugend, Wehrwolf en Verein Deutscher Studenten alsmede tal van Bündische organisaties (1929/1930). Na de Machtübernahme in 1933 kon “Widerstand” nog tot eind 1934 verschijnen, de “Widerstandskreise” nog tot 1937 standhouden, toen werden Niekisch en nog 70 anderen gearresteerd. In 1939 volgde Niekisch's veroordeling tot levenslange gevangenisstraf wegens vermeend “hoogverraad” en “streven naar de heroprichting van politieke partijen”. Bij zijn bevrijding door het Rode Leger in 1945 is hij bijna blind en aan een kant verlamd. Na de oorlog brengt hij het tot gedeputeerde van de Volkskammer van de DDR. In 1953 verhuist hij naar Berlijn (W.), waar hij in 1967 overlijdt.

Afgezien van Niekisch waren de meeste Nationaal-Bolsjewisten in de eindfase van de Weimar republiek afkomstig uit de Bündische jeugdbeweging. Dit was ook het geval met de Berlijnse “Gruppe sozialrevolutionärer Nationalisten” (GSRN) rondom Karl Otto Paetel, die in 1930 werd opgericht. Haar vanaf 1931 verschijnende periodiek “Sozialistische Nation” droeg een tijdlang de toevoeging “Nationalbolschewistische Blätter”.

Paetel, die ook had deelgenomen aan de oprichting van de ASP o.l.v. Winning en Niekisch, publiceerde voordien al regelmatig in de “Nationalsozialistische Briefe”, een door Gregor Strasser uitgegeven discussie orgaan binnen de NSDAP. De GSRN werkte aanvankelijk enige tijd samen met de “Kampfgemeinschaft revolutionärer Nationalsozialisten” (KGRN) o.l.v. Otto Strasser. Deze was (in tegenstelling tot zijn broer Gregor) al in 1930 uit de NSDAP gestapt. Spoedig kwam het evenwel tot een breuk met Strasser, aangezien de GSRN – in tegenstelling tot Strasser's idee van “49% Staatsbezit” met betrekking tot de grote industrie – vasthield aan een “socialisering zonder compromissen”. De GSRN propageerde de klassenstrijd en stelde zich de “autarkie van de socialistische economische zone Rusland-Duitsland” ten doel. De GSRN streefde naar een samengaan met de KPD: Schouder aan schouder diende men samen met de proletarische kracht op te trekken en in dit huwelijk völkische substantie in te brengen. In 1932 ondersteunde men met alle kracht de verkiezingscampagne van KPD-presidentskanidaat Ernst Thälmann. Het aanbod van de zijde van de GSRN om tot een bondgenootschap te komen, stootte bij de KPD evenwel op de nodige scepsis.

Eind januari 1933 lanceerde Paetel zijn National-Bolschewistische Manifest, dat uitmondde in de oproep tot oprichting van een “Nationaal-Bolsjewistische politieke partij” met aan het hoofd Ernst Niekisch en de leider van de “landvolk”-beweging Claus Heim (KPD). De Gestapo nam het Manifest in februari 1933 in beslag. Paetel kreeg een beroeps- en publicatieverbod opgelegd. In 1939 werd hij (bij verstek) ter dood veroordeeld, hij slaagde er echter in bijtijds te emigreren.

Nog weer een andere Nationaal-Bolsjewistische tendens in de eindfase van 'Weimar' groepeerde zich rond het tijdschrift “Gegner”, dat werd uitgegeven vanaf 1932 door Harro Schulze-Boysen, een vriend van Paetel. De lezerskring bestond voor het overgrote deel uit studenten, met name in Berlijn. In een reeks van steden formeerden zich zogeheten “Gegner-Leeskringen” waarvan alleen al in Berlijn er vier bestonden.

“De wereldbeschouwing van “Gegner” was in essentie een typische vermenging van neo-nationalisme en “Jugendbewegter” ideologie. Men streefde naar “furchtlosem Einsatz” en benadrukte hierbij het “onverwaardelijke Schulze-Boysen”. Het Hitlerisme werd als verachtelijk opportunisme onderscheiden van het waarachtig nationalisme”. (Louis Dupeux)

Evenals Niekisch e.a. Propageerde men een “Querfront”, een “nieuw front van de jonge generatie”. Begrippen als “links” en “rechts” waren in deze samenhang achterhaald. Zo liet Gegner ook herhaaldelijk Communisten aan het woord. Het doel was de vorming van een “derde Pruisen”. Vijandschap tegenover de burgerlijke democratie en elitair voorhoede denken kenmerkte evenzeer de ideologie van de “Gegner kreis”.

“Het geloof in de meerderheid is naar mogelijkheid vervangen door het inzicht, dat slechts een tot het uiterste gedisciplineerde en intern gesloten minderheid de beslissing kan forceren”. (Gegner d.d. 5 april 1932)

In de laatste uitgave van Gegner, deze verscheen op 20 april 1933, werd het Hitler-regiem vanuit een zo te zeggen “rechts” gezichtspunt aangevallen. Het regiem was nog te zeer verbonden met de reactie, daarom diende de nationale revolutie met alle kracht te worden voortgezet. Daarop werden Schulze-Boysen en ettelijke geestverwanten op 26 april door de SS gearresteerd en zwaar mishandeld. Één van Schulze-Boysen's strijdmakkers, Henry Erlanger, wordt voor zijn ogen door de SS'ers doodgeslagen. Vanwege de goede connecties van zijn ouders met hoge Nationaal-Socialistische functionarissen komt Schulze-Boysen na vijf dagen weer op vrije voeten. Wat blijft is zijn haat jegens het Hitler-regiem.

Omstreeks 1936 begint hij met het opbouwen van een ondergronds netwerk, dat vanaf 1939 werkzaam is voor de Sovjet-Russische militaire inlichtingendienst en één van de meest efficiënte verzetsorganisatie tegen het Hitler-regiem zal worden, de “Rote Kapelle”. In 1942 werden de meeste leden van de Berlijnse groep van de “Rote Kapelle” gearresteerd, Harro Schulze-Boysen zelf wordt eind december 1942 geëxecuteerd.

*** Young-plan
Met dit plan legden de overwinnaars van de Wereldoorlog (de Entente-mogendheden)
in 1930 in Den Haag de definitieve regeling van de herstelbetaling (Reparationen)
door het Reich vast.

Met dank aan NSA/ANS


De Nationaal-Revolutionaire beweging in de Weimar Republiek - Deel I & Deel II

Van de zogeheten “Nouvelle Droite” tot militante revolutionairen beroept een belangrijk gedeelte van de huidige scene zich op begrippen als “Querfront”, “Nationaal-Bolsjewisme”of “Nationaal-Revolutionairen”. Allemaal begrippen die hun oorsprong voornamelijk in de periode van de Weimar republiek kennen. In de onderstaande beschouwing zal worden getracht deze begrippen te definiëren vanuit hun historische ontwikkeling om met het gebruik ervan in de huidige tijd als revolutionairen zinvol om te kunnen gaan.

De Nationaal-Revolutionaren in de Weimar republiek zijn niet alleen op grond van hun
volledig andere maatschappelijke invloed slecht te vergelijken met de huidige Nationaal-Revolutionaire groeperingen. Het wezenlijke verschil ligt daarin besloten, dat de vertegenwoordigers van de “Nouvelle Droites” (maar ook van de militante stroming) praktisch geen enkel eigen en/of nieuwe ideologische gedachte hebben ontwikkeld. Veeleer bediende men zich in het historische “aanbod” van ideologieën (van de “Jungkonservativen” tot en met de Nationale Socialisten) zoals het toevallig in de kraam te pas kwam. Zo wordt bijvoorbeeld de NR-theorecticus Henning Eichberg (actief in de jaren '70 en '80) in het algemeen beschouwd als de grondlegger van het zogeheten “regionalisme concept”. Feit is echter dat de Nationaal-Revolutionair Friedrich Hielscher al in de twintiger jaren een regionalisering van Europa propageerde, doordat hij eiste, dat de afzonderlijke nationale staten, ten gunste van een groter Reich, dienden op te gaan in afzonderlijke “stammen en landschappen” (regio's).

Vooral vanwege hun ideologisch eclecticisme (samenraapsel van verschillende ideologieën) zijn de huidige NR stromingen slechts in beperkte mate te onderscheiden naar de criteria, die voor de tijd van de Weimar republiek gelden.

“Conservatieve revolutie” en “Revolutionair Nationalisme”

Onder de “Konservative Revolution” verstaan we die stroming binnen de nationale beweging, die zich ontwikkelde na de verloren Wereldoorlog en de ineenstorting van het keizerrijk (1918/1919) in scherpe frontstelling tegenover de oude monarchisten. Tegenover deze reactionairen zette men de ideeën van 1914, tegenover de klassenmaatschappij de volksgemeenschap, tegenover de nationale staat van het prototype Bismarck (Tweede Rijk) het “Derde rijk” en tegenover het primaat van de economie, het primaat van de politiek, gedragen door een elitaire “voorhoede”. Hoofdvijand was het liberalisme. Men wilde niets meer en niets minder dan het uitwissen van de sporen van de Grote Franse Revolutie en in haar plaats nieuwe
waarden in voeren.

De theoretici van de “Konservative Revolution” waren Oswald Sprengler en Arthur Moeller van den Brück, die in 1919 samen met andere (zich als “Jonge Conservatieven” betitelende) nationalen de “Juni-club” en later het “Politieke College” oprichtte. Zij werden het ideologische referentiepunt van de nationale beweging. Één stroming binnen de “Konservative Revolution” noemde zich eind 20er jaren “Nationaal-Revolutionairen”. Deze propageerden een “Duitse revolutie”, voor hen identiek aan de Wereldoorlog en de ideeën van 1914. Hun referentiepunt: De stellingoorlog en de daarmee verbonden accentuering van strijd, dood en frontsoldatendom. Dienovereenkomstig was dan ook het beeld van de Staat: De hiërarchische structuur van het leger werd op de Staat geprojecteerd. In plaats van de (civiele) burger kwam het prototype van de frontsoldaat en/of arbeider (de “arbeider-soldaat” bij Niekische; vandaar de hamer en het zwaard en de kleuren rood en zwart, symbolisch voor de symbiose van arbeidersklasse en frontsoldatendom). De manifesten van de Nationaal-Revolutionairen zijn “in hun doelstelling niet doordachter als die der “völkischen”, maar ze zijn harder, wilder, strijdlustiger als alle andere antidemocratische publicaties. De haat van de Nationaal-Revolutionairen jegens het bestaande regiem is meer geconcentreerd, meer samen gebald, meedogenloos als de oorlog, waaruit ze zijn voortgekomen.

De Nationaal-Revolutionairen waren met name vertegenwoordigd in de voormalige Freikorps eenheden en directe actiegroepen zoals Bund Oberland en Wehrwolf, evenals in de gelederen van de Bündische jeugd. Ook de door Augustus Winning en Ernst Niekisch opgerichte “Alte Sozial-demokratische Partei” (ASP) belichaamde in verregaande mate de ideologie van het “revolutionaire nationalisme”.

Als de ideologische persoonlijkheid bij uitstek van de Nationaal-Revolutionairen gold
Ernst Jünger.



Deel II

Nationaal-Bolsjewisme

Ook het begrip “Nationaal-Bolsjewisme” wordt thans veel bediscussieerd. Burgerlijke historici, zoals bijvoorbeeld Kurt Sontheimer of Otto-Ernst Schüddekopf, passen dit begrip in de regel toe op zowel nationalistische initiatieven binnen de KPD als ook op tendenzen binnen de Nationaal-Revolutionaire beweging: “Het (begrip “Nationaal-Bolsjewisme”) betreft nationalistische tendensen binnen het Duitse communisme en socialistische stromingen binnen het rechts-radicale kamp. Alleen al vanwege hun radicalisme moesten beide stromingen noodzakelijkerwijze steeds opnieuw met elkaar in aanraking komen, in vriendschap of in vijandschap. Dit gelijkschakelen van “nationalisme van links” met “socialisme van rechts” is niet alleen van weinig nut bij het verduidelijken van het begrip. Maar ook geschiedkundig onjuist. Het radicale nationalisme van de KPD, zoals dat tot uitdrukking kwam in bijvoorbeeld de Schlageter-koers (1923) of later in de “Programmatische verklaring m.b.t. de nationale en sociale bevrijding van het Duitse volk” (1930), was één zaak, het “Bolsjewisme” van de nationale beweging een geheel andere.*

De “Schlageter- (en later ”Scheringer-”) koers was in de eerste plaatst bedacht als toenadering tot de nationaal denkende massa's, doordat men (de KPD) poogde zich als de “waarachtige vertegenwoordigers” van de zaak van het Duitse volk te profileren. **

Een zeer veel meer accurate definitie van het begrip “Nationaal-Bolsjewisme” levert de Fransman Louis Dupeux (ook een bourgeois-historicus). Hij omschrijft het “echte” Nationaal-Bolsjewisme als de “meest zuivere en meest harde vorm van het Duitse nationalisme”. “Het Nationaal-Bolsjewisme is eigenlijk geen aparte ideologie, maar slechts een 'Nebensystem' van de Konservative Revolution, waarvan het alle basiswaarden onderschrijft: Het volk in zijn eigen völkische identiteit, de “gebonden” en gestructureerde gemeenschap, boven alles staat en natie als onverbrekelijk geheel met de alleen aanspraak op het politieke. De meeste protagonisten zelf hebben het heel vaak verworpen om als “Nationaal-Bolsjewist” te worden gekwalificeerd, en het zou dan ook beter zijn om hen “radicale Nationaal-Revolutionairen” te noemen. In hun onvoorwaardelijk nationalisme gingen ze veel verder dan het historische “Fascisme” van de ideologische reactie.

De ideologie der Nationaal-Bolsjewisten

Één van de voornaamste representanten van de Nationaal-Bolsjewisten in de eindfase van de Weimar republiek was Ernst Niekisch. Aan de hand van zijn uitlatingen kan men in grote lijnen de ideologie van het radicale NR, resp. van het Nationaal-Bolsjewisme, schetsen. Niet alleen het nationalisme, maar ook de absolute vijandschap tegenover de ideeën van 1789, d.w.z. Van de Grote Franse Revolutie en de gedachte van het liberalisme, kenmerkt het Nationaal-Bolsjewisme als onderdeel van de Konservative Revolution.

“Omdat het gaat om zijn of niet zijn, blijft Duitsland, indien het zichzelf wil blijven bewaren, het zwaarste niet bespaard: de Bartholomeusnacht en de Siciliaanse Vesper tegenover alles, wat aan Westers in haar leeft. Met meedogenloze hardheid dient het alles in zichzelf uit te roeien, wat in haar met het Westen is verbonden.” (Niekisch, E)

In zijn werk “Gedanken über deutsche Politiek” (1929) formuleert Niekisch de “Querfrontstrategie” ter formulering van een “nieuw front” (Neue Front) van de nationale beweging, een strategie, die op dat tijdstip nagenoeg alle stromingen van de “Konservative Revolution” (met uitzondering van de NSDAP!) voorstonden. De Nationaal-Bolsjewisten wilden echter, en dat onderscheidde hen van de andere stromingen, vooral ook en met name de Duitse communisten (KPD) mee in dit “nieuwe front” opnemen. Geenszins echter was hij voorstander van een Sovjet-Duitsland:

“Duitsland wijst het af om het Bolsjewisme over te nemen. Veeleer ontwikkelt het zijn eigen bijzondere, de ideeën van 1789 diametraal tegenovergestelde, levensvorm vanuit het zichzelf”. (Niekisch – Entscheidung 1930)

Echter verschilden de Nationaal-Bolsjewisten vooral van andere nationalen, zoals de Jung Konservativen, de Strasseristen of de NSDAP, wat betreft hun concept m.b.t. De buitenlandse politiek. Ze waren de meest radicale voorvechters van de zogeheten “Ostoriëntatie”, d.w.z. van een bondgenootschap van het Reich met Sovjet-Rusland tegen het plutocratische Westen. Niekisch:

“Daar waar Germaans bloed zich vermengt met Slavisch bloed, daar ontstaat een echte Staat. Pruisen was ontstaan uit een vermenging van Germaans met Slavisch. In het Ostraum, uit Germaans-Slavisch levensbloed, rees Pruisen tot grootsheid. Wij trekken naar het Oosten en vinden nieuwe wortels en tegelijkertijd onze missie. Een nieuw centrum zal ontstaan, zich uitstrekkend van de Stille Oceaan tot aan de Rijn, van Wladiwostok tot aan Vlissingen. Duitsland als het brein, de organisator en onderdeel van een vanaf de Grote Oceaan tot aan de Rijn uitstrekkend Statenblok”. (Niekisch – Entscheidung 1930)

Niekisch's anti-Hitlerisme

In 1932 stelde Niekisch in zijn brochure “Hitler – ein Deutsches Verhängnis” dat Hitler een typische vertegenwoordiger van het Avondland was, precies als alle anderen, omdat hij zich zo heftig tegenover het Bolsjewisme opstelde. Terwijl het “schanddiktat” van Versailles nota bene “voor Duitsland zeer veel verderfelijker is, als het Bolsjewisme dat ooit zou kunnen zijn”. Daarboven wordt Hitler zijn legalisme heftig
bekritiseerd. Hitler zijn legalisme vloeit voort uit het feit, dat deze afkomstig is uit het katholieke Oostenrijk en Beieren, die altijd al onder invloed van het decadente Rome en het Middellandse Zee gebied hadden gestaan. Dit in tegenstelling tot het protestantse Pruisen. (Niekische – Hitler; ein Deutsches Verhängnis)



* “Schlageter” koers van de KPD. Nadat de Reichsregering achterop was geraakt met de herstelbetalingen aan de Entente, bezette het Franse imperialisme (gesteund door België) in januari 1923 het Ruhrgebied. Daarop kwam het tot gewapend verzet (sabotage en 'directe actie') van de kant van de nationalistische actiegroepen. In mei 1923 veroordeelde een Frans krijgsraad de eerste luitenant en Freikorps veteraan Albert-Leo Schlageter als leider van een sabotage-eenheid ter dood. Zijn executie leidde tot een golf van nationalistische verontwaardiging in het Reich. De KPD sloot zich hierbij aan en lanceerde de oproep “weg met de regering van de nationale schande en van het volksverraad!” (gericht tegen de Reichsregering – Cuno). Karl Radek (specialist van de Kommunisitsche Internationale inzake Duitse vraagstukken en deel uitmakend van de leiding van de KPD) hielde vervolgens in juni 1923 zijn legendarische “Schlageter-Rede”, waarin hij Schlageter roemde als “martelaar van het Duitse Nationalisme”, vermoord door “de beulsknechten van het Franse imperialisme”.

** Programmatische Verklaring inzake de nationale en sociale bevrijding van het Duitse Volk (oproep van het Centraal Comité der KPD) Citaat: “Wij zullen het roofzuchtige “vredesverdrag” van Versailles en het Young-plan, dat Duitsland knecht, verscheuren en zullen alle internationale schulden en herstelbetalingen annuleren”. “Is het huidige Duitsland weerloos en geïsoleerd, zo zal Sovjet-Duitsland geen overvallen van buitenlandse imperialisten hoeven te vrezen”.

Met dank aan NSA/ANS



dinsdag 3 januari 2012

Nationalisme en Klasse: Verzet tegen het Internationalisme

Dat de moderne etnisch nationalistische en anti-globalistische verzetsbeweging een uitgesproken klassenkarakter heeft valt moeilijk te ontkennen. Het is een simpel feit dat de Europese nationalistische bewegingen grotendeels bestaan uit de werkende klasse en lage middenklasse die de ideologische arrogantie trotseren van een mondiale elite die de internationalistische ambities van het moderne wereldkapitalisme behartigt. Nationalisme vindt zijn kracht in diegenen die zijn verdreven door deze nieuwe orde van wereldwijd kapitalisme. Dit is een overwelmende meerderheid van arbeiders en kleine ondernemers die niets te winnen hebben bij internationalisatie. Als resultaat hiervan hebben diegenen die wel winnen bij de tirannieke macht van het internationaal kapitaal getracht de stemmers van modern links te mobiliseren. Zij worden ingezet om de enige middelen te vernietigen waarmee sociale samenwerking en politieke mobilisatie mogelijk is; namelijk etnisch nationalisme en de heropbouw van de culturele samenleving.

Wie zegt dat sommige fenomenen een “klassenkarakter” hebben zegt dat het een belangrijk economisch component heeft. Het zegt echter niet dat alles simpelweg terug te herleiden is naar klasse of dat klassenstructuur gebruikt kan worden om politieke fenomenen in zijn geheel uit te leggen. Niets is in zijn geheel te reduceren naar klasse of een ander simplistisch stempel dat de moderne sociale wetenschap heeft uitgevonden. Het moderne etnisch nationalisme heeft echter een complex startpunt dat haar een dreiging voor de hedendaagse kapitalistische wereldhegemonie maakt. Het biedt namelijk een reactie tegen het overheersend wereldwijde systeem van vrijhandel en haar binnenlandse sociale reorganisatie. Wanneer het internationaal kapitaal de natie en hun moreel bestaan als onafhankelijke entiteiten omver wil werpen dan zullen de klassen die slachtoffer worden van dit proces teruggrijpen naar het idee van de natie als middel van vergelding. Wat men eerst als een vanzelfsprekendheid zag wordt nu een politieke noodzaak. De objectieve realiteit van natieschap en cultuur krijgt hiermee haar subjectieve kracht.

Nationalisme kent een krachtig economisch component en omvat daarom een uitgesproken klasse component. Internationale vrije handel heeft het leven van miljoenen arbeiders en gehele gemeenschappen verwoest die afhankelijk waren van een bepaalde manier van economisch leven. De geïsoleerde consument heeft de actieve burger en de etnische gemeenschap die hem voedt vervangen. De “gemassificeerde mens” heeft geen enkele controle over de werking van de mondiale economie. Hierdoor wordt de transformatie van burgers naar consumenten accuraat begrepen als een functie voor politieke dominantie. Gehele gemeenschappen worden uitgeroeid wanneer bedrijven naar ontwikkelingslanden verhuizen in een zoektocht naar goedkope en meer gewillige arbeidskrachten. De kapitalistische elite heeft eveneens geëxperimenteerd met het importeren van goedkope arbeidskrachten om de werkende klasse in eigen land te vervangen. Zij werken niet enkel goedkoper maar zijn eveneens moeilijk om te organiseren vanwege de grote linguïstische en culturele barrières. Belangrijker voor het systeem is dat hun aanwezigheid de werkende klasse zal blijven verdelen door etnische verschillen en culturele tegenstellingen die elke vorm van politieke organisatie onmogelijk maakt. In andere woorden; de economische strijd krijgt een nationaal karakter terwijl de nationale strijd een klassenkarakter krijgt. Terwijl kapitalisme de massale invoer van culturele vreemdelingen gebruikt om de solidariteit onder de werkende klasse tegen te gaan dan wordt de modern linkse visie op economie irrelevant omdat zij de nationale, etnische en culturele aspecten van internationale economische organisatie negeren.

Om de natie te laten integreren in de nieuwe economische orde van vrijhandel en mondiaal bestuur moet de etnische samenstelling van een land eveneens aangepast worden. Dit is de cruciale connectie die modern links weigert te maken. Het is niet in het belang van het internationaal kapitaal om etnisch nationalisme te tolereren om de reden dat zij streeft naar een wereld zonder grenzen dat leidt tot de maximalisatie van consumptie in een gestandaardiseerde vorm en wat leidt tot makkelijke marketing. Het resultaat daarvan is dat etnische homogeniteit tot het verleden gaat behoren. De kapitalistische elite eist een mondiale invoering van het multiculturalisme als de semiofficiële nationale heersende ideologie. De moderne ideologieën van het multiculturalisme stammen direct af van de politieke en sociale eisen die het international kapitaal stelt. Simpel gezegd; het internationaal kapitaal kan niet goed functioneren als volkeren een sociale cohesie hebben binnen hun eigen culturele structuur. Multiculturalisme is dan ook een wezenlijk onderdeel van de marketing structuur van het internationale kapitalisme. Wanneer de wereld een grote marktplaats wordt zonder rekening te houden met etnische diversiteit of natie, dan wordt nationalisme de dodelijke vijand van het geïnternationaliseerde kapitalisme. De meest efficiënte marketing is de standaardisatie van de markt zelf, wat feitelijk neerkomt op de wereldwijde standaardisatie van smaak, etniciteit en moraal.

Het resultaat hiervan is dat nationalisme – de wil om het locale en etnische terug te eisen – een klasse vooruitzicht ontwikkeld vanwege de klassennatuur van het economische systeem van overheersing. Vanuit een puur economisch standpunt is het voor de benadeelde groepen overduidelijk dat zij niks te winnen en alles te verliezen hebben binnen de mondiale economische plantage die de nieuwe elite ons oplegt. De werkende klasse weet dat het bestaan van een vrijhandelsregime en een competitie met ontwikkelingslanden – binnen en buiten het eigen land – hun economische veiligheid aantast. Het gebruik van culturele vreemdelingen en ontwikkelingslanden om winsten te maximaliseren en elke mobilisatie van de werkende klasse te elimineren voegt een nationaal element aan het economische toe. Managend personeel beseft goed dat als megacorporaties consolideren, het lagere management en administratieve functies als eerste zullen verdwijnen. Kleine ondernemers zijn zich ervan bewust dat als de megacorporaties een marktaandeel willen deze kleine ondernemers als “overbodig” en “inefficiënt” worden beschouwd en daarom geëlimineerd zullen moeten worden. Met andere woorden; elk kleinbedrijf wordt vernietigd door de megacorporatie. Deze megacorporaties krijgen hierdoor automatisch een groter aandeel in de markt. Kleine ondernemers en het management van conglomeraten zijn niet van dezelfde klasse en evenmin delen zij politieke denkbeelden. Zij zijn inherent tegenstanders. De natuur van de globalisering betekent voor alle slachtoffers van internationalisatie, dat het economische doordrenkt is met het nationale aspect.

Modern links heeft al enkele decennia haar hoofd in het zand gestoken met betrekking tot een objectieve klassenanalyse in relatie tot nationalisme. Zij hebben een voorspelbare coalitie gesloten met de megacorporaties en lobbyen voor meer immigratie en meer multiculturalisme. Daarmee heeft modern links het vuile werk opgeknapt voor het internationaal kapitaal door de noodzaak voor culturele gemeenschappelijkheid te ontkennen en zo gewillig mee te werken aan de politieke verandering die de nieuwe kapitalistische elite doorvoert. Hiermee heeft zij alle pogingen om de levens van de werkende klasse te verbeteren gesaboteerd door verdeeldheid en economische dislocatie actief te steunen. Het is overduidelijk waarom de kapitalistische elite zich de afgelopen decennia heeft bekeerd tot het linkse multiculturalisme en haar op alle gebieden financieel ondersteunt. Het is economisch gezien immers efficiënter om in een oppervlakkige mondiale samenleving te handelen en maar een enkele mondiale markt te hebben in plaats van producten te slijten aan letterlijk duizenden verschillende nationale groepen. Als bedrijven hun winsten en marktaandeel willen maximaliseren dan moeten de verschillen tussen mensen verdwijnen, een wereldregering wordt noodzakelijk. Hieruit volgt dat alle vormen van etnisch nationalisme zullen moeten worden geëlimineerd. De sociale theorie van het nationalisme stelt als een van haar belangrijkste voorwaarden dat iedere vorm van sociale samenwerking tot stand komt - en behouden wordt - door substantiële en belangrijke culturele, linguïstische, etnische en morele overeenkomsten. Een individu ontwikkelt zich binnen een dergelijke omgeving op een manier waarop hij zichzelf in de ander herkent. Dat gevoel heeft in de geschiedenis door nationalistische agitatie gehele imperia ten val gebracht. Het wist naties eeuwenlang bij elkaar te houden ondanks vele obstakels en bedreigingen. Economie en klassen als op zichzelf staande fenomenen hebben niet de kracht om dit soort kracht en samenwerking te realiseren. Enkel in relatie tot het nationalisme kunnen deze hun volledige kracht benutten en verzet bieden tegen het systeem van de internationalistische elite.

Met dank aan NSP

Het begrip “Querfront”

Een historische beschouwing

Binnen de beweging vindt momenteel een hevige discussie plaats omtrent het begrip “Querfront”. Deze discussie is onder andere in gang gezet doordat het autonome deel van de beweging met Palestinasjaals, antikapitalistische leuzen en Ché Guevara shirts op een demonstratie verscheen. Sindsdien wordt het begrip te pas en (nog vaker) te onpas gebruikt. De poging om bepaalde revolutionaire symboliek, stijlen en taal- en kledinggebruik over te nemen door autonome activisten, van diverse politieke kleuren, leidt binnen de beweging maar al te vaak tot onzekerheid en twijfel. Men heeft moeite deze nieuwe “subculturele uitingen” te duiden wat betreft theorie en terminologie. Vaak volgt in dit verband de gebruikelijke verwijzing naar een vermeende “Querfront strategie” van militante anti systeemkrachten of van “Nationaal Bolsjewistische” theoretici.

Of en in hoeverre het begrip “Querfront” inderdaad geschikt is om het huidige proces van het in toenemende mate vervagen van grenzen tussen “links” en “rechts” nauwkeurig te beschrijven, mag evenwel ten zeerste worden betwijfeld. Ten eerste is het begrip afkomstig uit een specifieke historische context, die niet zonder meer op de huidige verhoudingen van toepassing is. Ten tweede suggereert het een innerlijke samenhang zowel qua inhoud als qua concept, die op die wijze noch in het heden bestaat en noch in het verleden bestond.

Het begrip “Querfront” - resp. “Querfront strategie” - dook tijdens het politiek-ideologische debat in de Weimar republiek voor de eerste keer op. Dit was in het begin van de jaren 30 tegen de achtergrond van de in verregaande mate autoritair regerende “Präsidial regimes” (door de Rijkspresident van bovenaf benoemde en met behulp van speciale noodwetgeving – Notstandgesetze – regerende reactionaire minderheidskabinetten). Geen enkele van de tussen maart 1930 – januari 1933 regerende Rijkskanseliers (Heinrich Brüning, Franz von Papen en Kurt von Schleicher) konden steunen op een parlementaire meerderheid of op een brede maatschappelijke basis. Weliswaar juichten de diverse fracties – van de Nationaal-Conservatieven tot diep in het burgerlijke kamp – de onoverzienbare uitholling van de parlementaire instituties toe. Over consistente politieke concepten of strategieën beschikten al deze groeperingen echter niet. Met name de door de uiterst reactionaire kanselier Von Papen gevolgde onvoorwaardelijk ondernemers- en Junkervriendelijke koers bleek niet in staat om het Nationaal-Conservatieve spectrum te kunnen verenigen. Het “kabinet der baronnen” (het reactionaire noodkabinet – Von Papen) leed dan ook al na slechts vijf maanden schipbreuk in november 1932 (de legendarische BVG-staking gaf haar het laatste zetje).

De opvolger van Von Papen als kanselier- Rijksweergeneraal Kurt von Schleicher- was er daarom veel aan gelegen om een bredere maatschappelijke en politieke ondersteuning voor zijn presidentieel regime te bewerkstelligen. In deze situatie groeide het idee van een “Quer”, dwarsliggend ten opzichte van de ideologische scheidslijn van de traditionele politieke partijen. Een bondgenootschap, bestaande uit de Reichswehr, de vakbonden en de linkervleugel van de NSDAP. Dit eventuele bondgenootschap groeide gedurende een korte periode uit tot een serieuze politieke optie. De verschillende ideeën en verwachtingen, die de diverse propagandisten van het “Querfront” met dit concept associeerden, lagen evenwel ten dele aanzienlijk uiteen.

Op theoretisch-ideologisch niveau was het “Querfront” in toonaangevende mate ontwikkeld door vertegenwoordigers van de Nationaal Revolutionaire TAT-kring en door hen in talrijke publicaties, zoals in de “TAT” en in de “Tägliche Rundschau”, geformuleerd. Door middel van de heerschappij van Von Schleicher hoopten de auteurs te komen tot de definitieve afschaffing van de Weimar republiek en tot beslissende stappen in de richting van een op de “volkswil” gebaseerde autoritaire staat.

De politieke stellingnames van Von Schleicher leken inderdaad op talrijke punten met die van de TAT-kring overeen te komen. Al gedurende de Eerste Wereldoorlog had de generaal zich ervoor sterk gemaakt om sleutelindustrieën aan een strikte controle van staatswege te onderwerpen, oorlogswinsten zwaar te belasten en prijsstabilisaties desnoods met behulp van bepaalde vormen van dwangbestuur te realiseren. Ook als Rijkskanselier stond hij voor een meer nadrukkelijke verdediging van de belangen van de staat tegenover de industrie en overwoog hij bovendien om tot gedeeltelijke nationalisaties over te gaan.

De ideeën van Von Schleicher hadden echter in tegenstelling tot die van de TAT-kring niet tot doel een nieuwe staatsvorm te scheppen en een vorm van het Nationale Socialisme door te doen breken. Veeleer was het denken en handelen van de Rijkskanselier gevormd door pragmatische militaire categorieën. Voor alles ging het er Von Schleicher om, om het scheppen van een sociale massabasis voor zijn presidentieel regime (dat op lange termijn ten minste gedeeltelijke wezenskenmerken van een Bonapartistische militaire dictatuur zou hebben gehad).

Inderdaad gingen er in de herfst van 1932 zowel binnen de Allgemeine Deutsche Gewerkschaftsbund (ADGB) alsook binnen de linkervleugel van de NSDAP steeds meer stemmen op, die een deelname aan een eventueel “Querfront” niet langer uitsloten. Zo hadden al sinds het begin van de 30’er jaren Nationaal-Corporatistische tendensen in toenemende mate binnen de ADGB voet aan de grond gekregen, terwijl tegelijkertijd het vakbondsinterne debat met betrekking tot de razendsnel groeiende Nationaal-Socialistische beweging grotendeels uitbleef.

Bovendien werd zowel binnen de bij de ADGB aangesloten afzonderlijke vakbonden - met het oog op de dramatische stijgende werkloosheid - in toenemende mate de roep naar een werkverschaffingprogramma van staatswege luider. Dit zorgde voor aanzienlijke conflicten met de leiding van de SPD. De traditioneel nauwe band tussen de vakbeweging ener- en de Sociaal-Democratie anderzijds was zodoende dat Gregor Strasser- fractievoorzitter van de NSDAP in de Rijksdag en de belichaming van de antikapitalistische vleugel binnen de partij- er al in mei 1932 in een opmerkelijke redevoering in de Rijksdag een economisch urgentieprogramma over ontvouwde. Dit kwam op talrijke punten zeer sterk overeen met het werkverschaffingprogramma van de vakbeweging.

Gedurende de zomer en herfst van 1932 vonden er een reeks van verkennende voorbesprekingen plaats tussen de ADGB leiding ener- en de Rijksregering anderzijds teneinde alle opties van een “regering van alle volkskrachten”- met inbegrip van de NSDAP - in kaart te brengen. Gregor Strasser had op zijn beurt officiële besprekingen met zowel Von Schleicher als ook met de leider van de (Sociaal-Democratische) Reichsbanner. Met de leiding van de ADGB stond hij in indirect contact. Of er ook nog rechtstreekse onderhandelingen - betreffende de vorming van een eventueel “Querfront”- tussen Von Schleicher, vakbondsleiders en Nationaal-Socialistische economen plaatsvond, is tot op heden nog altijd niet volledig duidelijk.

Vanaf eind augustus 1932 beschouwden de toenmalige politieke waarnemers de vorming van een kabinet bestaande uit Von Schleicher, Strasser en Leipart (ADGB-voorzitter) zeer zeker als een serieuze politieke mogelijkheid. Toen Von Schleicher begin december 1932 tot Rijkskanselier werd benoemd, was het concept van een “Querfront” reeds door de feiten ingehaald. Binnen de NSDAP bleek Strasser voor zijn concept onvoldoende steun te kunnen verwerven. Op 8 december trok hij daaruit zijn conclusies en trad af als fractievoorzitter. Ook al zijn andere partijfuncties legde hij hierop neer.

Ook de vakbeweging schrok in laatste instantie er voor terug om een dusdanig ondubbelzinnige positie in te nemen ten gunste van Von Schleicher's presidentieel regime. Dit te meer omdat de SPD leiding immense druk uitoefende op de leiding van de ADGB. De ambivalente houding van de vakbeweging tegenover de Nationaal-Socialistische beweging bleef evenwel bestaan. Het kabinet Von Schleicher, op dat moment totaal geïsoleerd, hield nog geen twee maanden stand. Op 30 januari 1933 werd Adolf Hitler tot Rijkskanselier benoemd. Eerst nog in een coalitiekabinet met de Duits Nationalen en met Von Papen als vice-kanselier. Drie maanden later, op 1 mei 1933, ondersteunde de ADGB de oproep van het Nationaal-Socialistische regime voor de “Tag der nationalen Arbeit” en marcheerde tezamen met alle Nationale krachten op straat. Zij waren in de overtuiging dat ook in het nieuwe Duitsland de vakbeweging een organisch onderdeel van het geheel zou zijn. Reeds de volgende dag hield de ADGB op te bestaan en werd in zijn totaliteit overgeheveld naar het nieuw gevormde Deutsche Arbeitsfront (DAF). Dit was de uiterste consequentie van het Nationaal-Corporatisme.
                                                          
Personen:

Strasser, Gregor (1892–1934)

1921 toetreding tot de NSDAP, gouwleider Niederbayern, 1924-1932 lid van de Rijksdag, 1926-1930 propagandaleider, 1932 afgetreden. Tijdens de “Röhmputsch”  vermoord.

Schleicher, Kurt von (1882-1934)

Reichswehr, generaal, Rijkskanselier; dec. 1932 – jan. 1933. Tijdens de “Röhmputsch”  vermoord.

Papen, Franz von (1879-1969)

Politicus Zentrumpartei (kath.), 1932 Rijkskanselier, speelde 1933 cruciale rol bij de benoeming van A. Hitler tot Rijkskanselier, 1933/34 vice-kanselier, 1933-44 ambassadeur in Wenen en Ankara.

Brüning, Heinrich (1875-1970)

Politicus Zentrumpartei, 1930-1932 Rijkskanselier, bijnaam de “Hungerkanzler”.

Geraadpleegde literatuur:

– Breuer, Stefan
   Ordnungen der Ungleichheit – die deutsche Rechte im Widerstreit ihrer ideen 1871-
   1945

   Darmstadt 2001

– Breuer, Stefan
   Anatomie der konservativen Revolution
   Darmstadt 1995

– Schildt, Axel
   Militärische Ratio und integration der Gewerkschaften: Zur querfrontkonzeption
   der Reichswehrführung am Ende der Weimar Republiek

   In: Richard Saage (hg): Solidargeimeinschaft und klassenkampf. Frankf. /m. 1986
   p. 346-364



Met dank aan de kameraden van NSA/ANS