zondag 2 oktober 2011

De Kracht van Mythes

“Het legioen van de Aartsengel Michael” (ook wel bekend als de IJzeren Garde) was niet enkel een politieke groep, maar eveneens een religieuze en militante orde. Deze orde begreep het belang en de macht van mythes. De legionairs beweging wist bijna onoverkoombare obstakels te overwinnen vanwege hun onherroepelijke geloof in God en Natie.

“Het legioen wenst verenigd te blijven zelfs als zij de verkeerde weg kiest. Als het legioen eindigt in de hel, dan zal het nog steeds verenigd zijn. Nadat we met succes de hel veroverd hebben, keren we victorieus terug. Het maakt niet uit of we winnen, verliezen of onze levens moeten offeren. Het belangrijkste is dat we het samen doen als een entiteit van ijzer.”

Corneliu Zelea Codreanu   

 

Mythes creëren een beweging. De waarheid van een mythe is niet onbelangrijk, maar vormt niet de bepalende factor bij de mobilisatie van de massa’s. Een succesvolle mythe raakt het hart van de massa, het laat het sneller en harder kloppen. Uiteraard zal de mythe die gisteren mensen bergen liet verplaatsen wellicht vandaag de dag niet langer capabel zijn om enige reactie te veroorzaken. Marx mag dan wellicht op bijna alle gebieden fout zijn, dit doet echter niets af aan het feit dat de massa’s die gevoed worden door het Marxisme anders handelen dan dat ze zonder het Marxisme zouden doen. Hetzelfde geld voor de IJzeren Garde, zelfs al is God allang dood en de Natie niet meer dan een constructie, het geloof in de oneindige waarheid en waarde van die twee gaf de legionairs de onweerstaanbare kracht die enkel ontstaat wanneer men voelt dat men voor een hoger en groter doel strijdt.

Millennia lang hebben religieuze mythes gedomineerd, de laatste eeuwen hebben we de opkomst en wellicht ook de val meegemaakt van de mythes over Nationalisme en de klassenstrijd. Geen van deze grote mythes zijn dood, maar hun macht is afgenomen. We leven, wellicht voor het eerst sinds de creatie van gesproken taal, in een wereld zonder grote mythes. Hetgeen er de afgelopen tijd het meest in de buurt kwam was de creatie van de Liberale mythe. De langzame maar constante progressie, die ieder zou bevoordelen, is echter doder dan de andere mythes. Sommigen zullen stellen dat “mensenrechten” een moderne Liberale mythe zouden vormen, maar aangezien haar functie eerder is om te legitimeren dan om te mobiliseren is dit simpelweg niet het geval.     

Mythes zijn in zekere zin neutraal, want het is essentieel dat dezelfde mythe gebruikt kan worden voor de mobilisatie van mensen in geheel verschillende directies. Linksen beschuldigen vaak het Christendom er van dat het een middel is om het status quo te bewaren. Dat dit niet het geval is kan men onder andere zien bij het Legioen van de Aartsengel Michael, maar ook bij de bevrijdende theologen in Zuid Amerika. Hetzelfde gaat op voor bijvoorbeeld het Nationalisme. Hoewel het vaak een conservatieve kracht is geweest, hoeft dit niet altijd het geval te zijn. Men moet dan ook dialectisch naar mythes kijken; dat wat bedoeld was om te preserveren of legitimeren kan in feite een andere directie mobiliseren.

“Dit land sterft niet door een gebrek aan mensen, of een gebrek aan programma’s, dat is in ieder geval onze mening. Met andere woorden, het zijn niet programma’s die we moeten hebben, maar mensen, nieuwe mensen.”

Corneliu Zelea Codreanu 1903-1938


“Iedere stap naar echte beweging is veel belangrijker dan een dozijn programma’s”

Karl Marx 1818-1883


zaterdag 1 oktober 2011

De Tweede Revolutie

In de Nederlandse beweging worden de kameraden die zich met de revolutionaire stroming bezighouden vaak “Nationaal Bolsjewistisch“ genoemd. Zij zouden niets met “onze wereldbeschouwing“ delen, de ideologie zou “te rood” of “te links” zijn. Deze kameraden schijnen vergeten te zijn dat onze vlag ook grotendeels rood is. Hoewel de uitvinder van deze vlag – een zeer getalenteerde kunstenaar en demagoog – wellicht gedacht kon hebben dat hij Socialisten en Communisten met deze kleuren tot aanhangers en kiezers kon maken, namen desondanks miljoenen SA mannen, NSDAP partijleden en stemmers het Socialisme in hun programma en partijnaam zeer serieus. Zij zagen zichzelf als oprechte Socialisten.

Daarom werd ongeveer een jaar voor de verovering van de macht in 1933 een poging gedaan om een tweede revolutie te beginnen. Ernst Röhm was evenals Hitler niet echt Socialistisch aangaande privé eigendom, maar wou alsnog – zeker ook uit persoonlijke ambitie – de SA tot “Volksheer” uitbreiden. Deze zou de Reichswehr als onder order moeten hebben. De reactionairen van de Reichswehr zagen dit streven van Röhm als een ongemakkelijk iets (evenals later het streven van Hitler – na de aanslag van de reactionairen rondom von Staufenberg, toen Röhm allang geëlimineerd was...).

Hitler- wiens absolute macht in 1934 nog niet verzekerd was - werd omringd door de
Reactionaire vice Kanselier Franz von Papen en de rijkspresident Paul von Hindenburg. Ook bevond hij zich tussen de krachten van de “tweede revolutie“ (Röhm, de SA en de gebroeders Strasser) die ideologisch voet bij stuk hielden maar door de machtspolitiek van 1934 geëlimineerd werden. Tot deze groep behoorden enerzijds Feder en aanvankelijk Goebbels - die later opportunistisch van kant verwisselde –.

De reactionairen bestonden grotendeels uit twee groepen. De moderne reactionairen (de Duitse financieel: Reichsbank president Hjalmar Schacht en Umfeld; de zware industrie: Friedrich Flick, de contactpersonen van Hermann Göring, enz.) en de deftige reactionairen (grootgrondbezitters: de kring rondom von Papen en von Hindenburg Jr. en Sr., het grotendeels uit de adel afkomstige officierenkorps van de Reichswehr). Beide reactionaire groepen bedreigden de koers naar macht van Hitler, waardoor deze nu gedwongen werd om te beslissen welke kant hij zou kiezen. Het valt moeilijk te ontkennen dat de reactionairen de sterkste troefkaart in handen hadden. Hitler moest een besluit nemen tussen kameraadschap en trouw enerzijds en machtsbehoud anderzijds. Zijn besluit is inmiddels bekend, evenals de tragische gebeurtenissen die hierop volgden. De homoseksualiteit van Röhm zou al langer intern en in het openbaar (door communistisch kranten zoals de „Rote Fahne“) bekend zijn geweest; deze ononderbouwde bewering heeft meegespeeld in de actie van 30 juni 1934 (ook wel bekend als “de nacht van de lange messen”). Iets wat later niets anders dan een propaganda leugen bleek te zijn. De ware reactie – vertegenwoordigd door Himmler en Goering – boden later de Westerse machten een verbond aan tegen het oprukkende Bolsjewisme, waarbij Hitler Goering nog met de strop bedreigde als dit bondgenootschap achter zijn rug om gesloten zou worden.

De “tweede revolutie“ behelsde de “diepste antikapitalistische verlangens van het Duitse volk“ (Gregor Strasser), echter op geen enkel moment was er sprake van een putsch of een staatsgreep die tegen Hitler gepland werd. In tegendeel: de langjarige vriend en kameraad van Hitler, Ernst Röhm, wilde gemeenschappelijk met zijn Führer – en onder zijn bevel – deze tweede revolutie doorvoeren. Alle andere beweringen zijn simpelweg propaganda leugens. Dat in SA kringen wapens werden verzameld is geen argument voor een SA putsch tegen Hitler, maar kwam voort uit het feit dat de SA leiding zich voor een eventuele confrontatie met de Reichswehr wilde uitrusten. Voor deze confrontatie moest Hitler gewonnen worden, die echter – zoals bekend – voor de reactionaire zijde gekozen heeft.

Bij de nacht van de lange messen werd onder andere Gregor Strasser gelyncht, zijn broer Otto was eerder in 1930 al uit de partij gestapt onder het credo „Die Sozialisten verlassen die NSDAP“ en bevond zich omstreeks 1934 in het buitenland. Hij keerde zich vooral tegen het feit dat onder het regime van Hitler (tijdens de bijeenkomsten van 1926 in Bamberg) de socialistische programmapunten (Nr. 11-18) van het 25 punten programma van 1920 geleidelijk hieruit zouden verdwijnen. Hitler was van mening dat hij aandacht moest geven aan de reactionaire kringen, waar hij later in 1933 zijn weg naar de macht aan te danken had.

Zo was de Duitse kapitalist Hjalmar Schacht niet tevreden met punt 11 van het partijprogramma: „Afschaffing van elk inkomen dat zonder het verrichten van arbeid is ontstaan. Breking met de renteslavernij!“. Dit punt zou een nationalisering van de banken en naamloze vennootschappen, sluiting van de beurzen en – het daarmee gepaard gaande – verbod op privé winst op krediettransacties betekenen. Daarvan is onder druk van de reactionairen niets terecht gekomen. Gottfried Feder werd door Schacht aan de kant geschoven. Het is de toenmalige machthebbers echter wel gelukt om de nationale staatscontrole over de financiële- en muntpolitiek te verkrijgen (wat zeker een van de belangrijkste redenen voor de geallieerde krachten was om een oorlog tegen het Deutsche Reich door te zetten). Maar de rente – die in iedere markteconomie onvermijdbaar is – bleef bestaan. Ook punt 12 werd niet toegepast: „Gezien het enorme offer aan levens en eigendommen die elke oorlog van een natie vergt, moet persoonlijke verrijking als een misdaad tegen de staat worden beschouwd. Wij eisen derhalve confiscatie zonder aanzien des persoon van alle oorlogswinsten.“ Punt 13 was nauw met punt 11 verbonden: „Wij eisen nationalisatie van alle vennootschappelijke bedrijven (trusts).“ Kapitaalvennootschappen (Aktiengesellschaften, GmbHs) werden echter tussen 1933 en 1945 niet genationaliseerd zoals het partijprogramma voor schreef. De beurzen werden in Duitsland niet gesloten en zelfs de buitenlandse concerns konden verder produceren. Zo maakte Opel in de tweede wereldoorlog een grootte opkomst als leverancier voor de Wehrmacht, terwijl het moederbedrijf van Opel het Amerikaanse General Motors juist leverde aan het leger van de VS dat in Europa tegen het Deutsche Reich vocht.  Ook van punt 14, „Wij eisen de winstverdeling van grootbedrijven“ is na 1933 niks terecht gekomen, de beoogde winstverdeling kwam niet.

Ook werden de grote warenhuizen niet gemeentelijk zoals dat was opgenomen in punt 16 van het NSDAP programma. Veel kleine detailhandels werden teleurgesteld na 1933 en het verdwijnen van deze kleine detailhandels bevoordeelde de grote bedrijven. Vandaag de dag heeft men in de grote steden veel moeite om een bakker te vinden die geen onderdeel is van een bakkerij keten. De slager is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor de supermarkt en de vrije tankstations zijn vandaag de dag door Esso en Shell opgeslokt. Ook de kleine bouwbedrijven zijn door grote bouwbedrijven verdreven. Deze ontwikkeling had men in 1933 al kunnen stoppen.       

Punt 18 “Wij eisen meedogenloos optreden tegen hen, die door hun werkzaamheid het algemeen welzijn benadelen. Volksverraders, woekeraars en dergelijken zullen zonder onderscheid van ras of geloof ter dood veroordeeld worden” werd slechts deels doorgevoerd. Het waren vooral veel Joodse speculanten die werden uitgesorteerd, echter bleven veel Duitse miljonairs, zoals de Quandts buiten schot. Een bizar voorbeeld is de grote Duitse sigaren magnaat Reemtsma, die met zijn geprivatiseerde monopolie op levering aan het Oostfront een gigantisch vermogen verzamelde. Met dit vermogen financierde hij na 1945 de Antifa structuren in Duitsland. Hier zien we dus weer dat het kapitalisme altijd weer nieuwe uitdagingen biedt.      

We kunnen hieruit opmaken dat “onze wereldbeschouwing” zich op zeer dun ijs bevindt. Op “ons programma” kunnen de Hitlerianen en andere reactionairen zich in ieder geval niet beroepen. Vandaag de dag zijn er gelukkig steeds meer jonge nationalisten die het dogmatisme achter zich laten en de tweede revolutie onderschrijven. Wij geloven dan ook in het compromisloze revolutionaire Nationale Socialisme en de bewerkstelliging van de tweede revolutie! 





Het Woeker Kapitalisme en de Crisis



Griekenland werd het eerste slachtoffer van het schuldensysteem dat door de instituties van het internationaal financierkapitalisme is opgelegd aan alle Europese Naties. Tot deze Naties behoren niet enkel de Zuid Europese Naties zoals Spanje en Italië, maar ook Nederland, België en Duitsland. Daarom is de strijd van het Griekse volk een symbool geworden voor de Europese revolutionaire strijd tegen het gehele internationale financiële en monetaire systeem.

Om deze reden is het belangrijk dat revolutionaire groeperingen, volksorganisaties en massale protestbewegingen zoals we die in Griekenland, Spanje en andere delen van Europa zien erkennen dat de aard van het hedendaags Kapitalisme veranderd is. Waar het Kapitalisme vroeger een internationaal systeem creëerde waar de winst van het productieve industriële het belangrijkste onderwerp was, is dit vandaag de dag veranderd naar het onproductieve woeker Kapitalisme dat door private banken wordt gebruikt om te speculeren in de casino economieën van de financiële markten. Op deze manier parasiteert het woeker Kapitalisme op het productieve industriële Kapitalisme, waardoor gigantische schuld en rente lasten worden opgelegd aan bedrijven en gehele Naties. Via deze weg leidt dit tot hogere prijzen, lagere lonen en minder publieke uitgaven.

Woeker centraliseert rijkdom, het past de modus van produceren niet aan, maar zuigt het uit als een parasiet en maakt het ziek. Het zuigt bloed, doodt de zenuwen en dwingt om te reproduceren onder nog meer ontmoedigende omstandigheden. Woeker Kapitaal confronteert de arbeider niet zoals het Industrieel Kapitaal dit doet, maar verarmt de modus van productie en verzwakt de productieve krachten in plaats van deze te ontwikkelen.

Hoe zijn we hierin beland?

De financialisering van het internationale Kapitalisme is een gevolg van de technologische vooruitgang op het gebied van de geld productie zelf – met name de vervanging van zowel, goud, papiergeld, papieren aandelen en obligaties door de elektronische digitalisering van geld. Ook is het bankwezen sinds het afschaffen van de goud standaard en de deregulatie van het bankieren in staat om “geld uit het niets” te creëren. Zij zijn nu in staat lening deposito’s met een druk op een computerknop op de rekening van leners te plaatsen. Op deze manier kunnen ze “fictief geld” op een massale schaal ophopen, omdat in het systeem van fractioneel bankieren enkel een piepklein deel van wat de banken uitlenen gedekt moet worden door de bank haar eigen monetaire reserves. Dit is de echte reden voor de kredietbubbel die we in de laatste decennia hebben zien toenemen.

Als resultaat van de langdurige privatisering van de eigen “centrale banken” – zoals de Bank of England, De Nederlandsche Bank of de US Federal reserve – zijn regeringen geheel afhankelijk geworden van het lenen van de financiële markten en private banken om hun uitgaven te dekken. Ironisch genoeg moeten onze regeringen nu op kosten van de volksgemeenschap juist die banken “redden” en “uitkopen” waarvan blijkt dat hun massale fictieve activa is gebaseerd op teveel leningen met hoge risico’s.

Het Historische Precedent

De situatie in Griekenland en in andere gebieden heeft een historische precedent in de gigantische schuld die Duitsland werd opgelegd na het Verdrag van Versailles. Feitelijk gaat dit nog verder terug in de tijd, tot Abraham Lincoln die zijn leger niet langer kon financieren door te lenen bij private bankiers. De uitdaging was in beide gevallen hetzelfde; men moest het soevereine recht verkrijgen voor alle Naties om hun eigen geld uit te geven en in hun eigen economie te investeren – dit zonder van private banken te lenen en schuld op te bouwen. Lincoln deed dit door de uitgave van zijn eigen onafhankelijke munt, de “Greenbacks”. Dit was dan ook de voornaamste reden voor de financiering door private banken van Koning George zijn oorlog tegen de opstandige Amerikaanse kolonisten. De “Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog” was feitelijk een oorlog voor financiële onafhankelijkheid.

Toen Adolf Hitler aan de macht kwam in Duitsland gaf deze met hetzelfde doel zijn eigen geld uit in de vorm van de “Währung der Arbeit”. Binnen twee jaar werd het werkeloosheidsprobleem compleet opgelost en stond het land weer op haar voeten. Het had een stabiele munt zonder schuld of inflatie. Dit terwijl in de VS en andere Westerse landen veel mensen werkeloos waren en in grote armoede leefden. Duitsland slaagde er zelfs in haar buitenlandse handel weer te stimuleren ondanks dat ze geen buitenlands krediet ontving en door veel landen economisch geboycot werd. Dit werd gerealiseerd via een systeem van ruilhandel; materiaal en goederen werden rechtstreeks geruild met andere landen om via deze weg de internationale banken te omzeilen. Dit systeem van uitwisseling vond plaats zonder schuld en zonder handelstekorten. Adolf Hitler werd door het Duitse volk gewaardeerd voor dit economische wonder, hij wist Duitsland tijdelijk te redden van een Engelse economische theorie – de theorie dat geld moet worden geleend bij een privaat banken kartel in plaats van dat het rechtstreeks kon worden uitgegeven door de Staat. De nationaal revolutionairen gingen nog een stap verder en pleitten voor de aanpak van de bankiers magnaten die hun wil aan het land oplegden. Zij eisten de proletarische nationalisatie van de banken en afschaffing van de schulden aan Duitse en Buitenlandse kapitalisten.

Sinds begin vorige eeuw maakte het internationaal Kapitalisme een ontwikkeling door waarbij het internationaal financierkapitaal de overhand kreeg op het Nationaal Kapitaal. Hierdoor ontstond een nieuwe financiële oligarchie.

Het Kapitalisme Bestrijden!

Met dit besef omtrent de hedendaagse economische crisis in ons achterhoofd is het noodzakelijk om te begrijpen dat het niet genoeg is voor protestanten en revolutionairen om van hun regering te eisen dat deze verdere leningen van de internationale centrale banken weigeren en dat de bestaande schulden worden kwijtgescholden. Dit alleen zal het probleem namelijk  niet oplossen. Het is niet genoeg om massaler te demonstreren, het parlement te bestormen en de macht te grijpen tenzij men weet wat men met deze macht moet doen. Het principiële doel van alle volksorganisaties en revolutionaire groepen in Griekenland, Spanje en andere delen van Europa moet erop gericht zijn dat hun Naties het soevereine recht krijgen om hun eigen rentevrije geld uit te geven.

Enkel via deze weg zullen zij in staat zijn een nieuwe economie op te bouwen en hun staatsschulden aan het internationaal bankierssysteem kwijt te schelden. Via deze weg kunnen landen zoals Griekenland en Spanje een voorbeeld stellen voor andere Naties en een wereldrevolutie ontketenen die de monetaire macht van het internationale financierkapitalisme zal kunnen doen vernietigen.

Hitler, Mussolini en het Kapitaal

Om de belangrijkste kenmerken van het Fascistische Italië en Nationaal-Socialistisch Duitsland te evalueren, dienen wij de regimes te beoordelen op grond van hun oorspronkelijke principes. Kapitalisme houdt zich fundamenteel bezig met de economie, om deze reden moeten de Hitleriaanse en Mussoliniaanse systemen bestudeerd worden in overeenstemming met hun theoretische en praktische benaderingen van de industrie, de landbouw en het bedrijfsleven.

In het geval van de NSDAP bestond het 25 punten program van Gottfried Feder al toen Hitler lid werd van de partij in 1919. Ditzelfde programma werd in februari 1920 officieel verklaard. Deze principes bevatten een sterk element van Socialisme, of op zijn minst een eigen interpretatie hiervan door de NSDAP. Echter ondanks de vroege retoriek zijn deze Socialistische elementen nooit concreet in praktijk gebracht, iets waar we later op terug komen. Ook in Italië probeerde Mussolini met zijn Fascistische partij een synthese te formuleren met Nationalistische en Socialistische ideeën. Begin vorige eeuw werden veel Italiaanse intellectuelen beïnvloed door het Syndicalisme, een economische doctrine die ontwikkeld werd door George Sorel om de grenzen van het Marxistisch Socialisme te overstijgen. In feite probeerde het Syndicalisme het Marxisme en Populisme te combineren door de productie middelen van private industriëlen over te brengen naar vakbonden. Na ongeveer een decennium van verval, werd het Syndicalisme nieuw leven in geblazen door de opkomst van de Fascistische partij in Italië. Syndicalisme belichaamde het anti politieke, totalitaire Corporatisme, dat op veel manieren de belangrijkste stuwkracht achter het toenmalige Fascisme was. Duitsland en Italië handelden op grond van specifieke theoretische programma’s, de vraag is echter in hoeverre deze ideologische concepten ook daadwerkelijk werden toegepast op het vlak van industrie, landbouw en bedrijfsleven.

Het 25 punten program van de NSDAP beloofde Duitse arbeiders een vorm van winstverdeling voor allen. Gottfried Feder stelde dat “het delen van de winst een eis is die zo natuurlijk en zo sociaal rechtvaardig is, dat er niets tegen dit principe kan worden ingebracht.” Daarin heeft Feder natuurlijk gelijk. Terwijl zijn partij claimde de nationalisatie van het groot bedrijfsleven na te streven, om het hart en de geest van het Duitse electoraat te winnen, werd het principe van economische decentralisatie al snel verlaten door Hitler die een meer empirisch beleid doorvoerde. De NSDAP wist opportunistisch gebruik te maken van de publieke steun aan autarkische economieën, die haar wortels had in Duitsland haar karakteristieke tegenstand tegen buitenlandse controle. Toen het Duitse proletariaat werd overtuigd om zichzelf te mobiliseren voor het algemeen welzijn als lid van de gemeenschap, was de belangrijkste prioriteit van veel van hun meesters het verkrijgen van grote winst ten koste van de gemeenschap. De financiële rol van het groot bedrijfsleven komen we later nog op terug. Zodra de NSDAP in 1933 aan de macht kwam werden de bedrijven en trusts, die de “hebzucht van het kapitalisme” vertegenwoordigden (zoals Feder het stelde), niet vervangen door nationalisatie. Het negeren van de ideologische principes uit het 25 punten programma door Hitler leidde onvermijdelijk tot de groei van grote private bedrijven. In 1936 werd Hjalmar Schacht door Herman Goering vervangen als economische minister en werd er een oorlogseconomie gerealiseerd. Het nieuwe vierjaren plan van Goering, dat ontworpen was om Duitsland zelfvoorzienend te maken, resulteerde erin dat gigantische fabrieken zoals de “Herman Goering Werke”, die synthetische rubber, textiel en brandstof produceerden, enorme winst boekten. De voorgenomen nationalisatie en de economische zelfbeschikking voor Duitse arbeiders werd opgeofferd in het belang van een vorm van concurrentie die niet geheel los stond van het Britse of Amerikaanse Kapitalisme. Terwijl de theoretische principes van de NSDAP ideologie een unieke economische situatie bepleitte, wijst de industriële praktijk van het Nationaal-Socialisme uit dat deze niet overeenkomt met dat theoretische economische systeem. 



Het syndicalisme van Mussolini claimde eveneens de economische bevrijding van industriële arbeiders. In een artikel van Agostino Lanzillo in de “Il popolo d’Italia” werd gesuggereerd dat het Syndicalisme zich inzette voor een vorm van representatie die gebaseerd was op de economische groepen en welke zou leiden tot “de authentieke representatie van de legitieme belangen en de organische krachten van het land.” Het Syndicalisme was inderdaad ontwikkeld om de industriële strijd te minimaliseren en het productieve potentieel te mobiliseren in het belang van de gemeenschap als geheel. In 1925 begon Mussolini met zijn zoektocht om de Corporatistische Staat te creëren, waarbij hij de vakbonden en arbeidersorganisaties achter zich liet. Hij stichtte 22 corporaties, elk van deze bestond uit delegaties vanuit de arbeidersklasse en hun werkgevers. In 1929 kondigde Mussolini aan dat het antagonisme tussen kapitaal en arbeid ten einde was, beide zijden van de industrie werkten samen met een volledige gelijkheid van rechten en plichten. Feitelijk kwam het erop neer dat de leden van zijn eigen Fascistische partij de fabrieksarbeiders goed in de gaten hielden, terwijl de delegaties in praktijk weinig in te brengen hadden over de lonen en de prijzen. Daarbij kregen veel partijleden de beste banen en gebruikten hun positie om hun zakken te vullen. Ergo, terwijl het Italiaanse Fascisme claimde anti kapitalistisch te zijn vanwege haar aanpassing van de relatie tussen werkgever en werknemer, was zij feitelijk niet veel anders dan de bestaande economische doctrines die men rechts binnen het politieke spectrum vond.                    

Als we kijken naar de agrarische sector in Duitsland zien we dat ondanks de toezegging van landhervorming en programma punt 17 - Wij eisen een ingrijpende hervorming van het grondbezit, aangepast aan onze nationale behoeften, een wet, die inbeslagneming van land ten dienste van de gemeente zonder schadevergoeding toelaat; die rente voor grondbezit afschaft en landspeculatie voorkomt -, waren de 25 punten nogal vaag op dit gebied. Echter op 25 januari 1930 publiceerde Gottfried Feder een uitgebreide reportage waarin de partij haar maatregelen tegen het belasten van boeren, buitenlandse import, Joodse interventie tussen producent en consument en hoge prijzen uiteen werd gezet. In plaats van het bestaande systeem pleitte de NSDAP ervoor dat het erfelijk recht afgeschaft moest worden en dat het land gecontroleerd moest worden door de boeren zelf. In 1933 was de positie van de boeren extreem onzeker, maar tot zo ver had de minister van landbouw Walther Darre nog geen enkele concrete poging gedaan om een einde aan het lijden van de boeren te maken. De landbouw werkers werden oneerlijk verdeeld in drie rivaliserende klassen, de grootgrond bezitters bleven hun grond via pure Kapitalistische lijn besturen. Het lijkt er dan ook op dat de Nationaal-Socialisten onder leiding van Hitler in de praktijk geen uniek economisch systeem hadden geïmplementeerd, maar Feder zijn 25 punten programma compleet hebben genegeerd om de doctrines van het Nationalisme en het Kapitalisme te gebruiken voor hun eigen doeleinden. In 1925 was Mussolini bezorgd over het aantal overheidsuitgaven die gericht waren op de invoer van landbouw producten uit het buitenland. Als een gevolg hiervan begon hij de “strijd voor tarwe”; het ceremonieel schenken van prijzen aan de boeren die het meeste tarwe produceerden. Terwijl de productie van tarwe in 1939 was verdubbeld, leidde het opzij zetten van land voor deze doelstelling tot een reductie bij andere gewassen. De “strijd voor land” in 1926 waarbij Italiaanse moerassen en achterland werden veranderd in landbouw grond, was vooral bedoeld om de Italiaanse economie weer sterker te maken in plaats van de situatie van boeren te verbeteren. Het is moeilijk om te bepalen hoe efficiënt het Fascistische landbouw beleid was omdat Mussolini de ware effecten van zijn beleid vaak wist te verbergen.

De voornaamste reden waarom de regerende Italiaanse Fascisten en Duitse Nationaal-Socialisten niet al hun economische principes in de praktijk implementeerden, kan men zoeken bij de gevestigde belangen. Mussolini werd gefinancierd door bankieren, industriëlen en landeigenaren. Het is dus weinig verassend dat niet veel van zijn economische beleid in de praktijk werd gebracht. Ondanks de afgunst die Mussolini voelde jegens de rijke klasse, heeft hij hen nooit gedwongen om zich te conformeren aan zijn regime. In plaats dat Mussolini een unieke vorm van economisch beleid representeert, representeert hij door het tolereren van de voorkeur van zijn financiers een misleidende vorm van Kapitalisme achter een Nationalistische façade. Ook Hitler werd gefinancierd door een grote groep van rijke Duitse industriëlen en grote conglomeraten zoals I.G. Farben. In 1919 gaf Krupp al financiële steun aan een van de reactionaire groepen die de basis hebben gevormd voor de latere Hitleriaanse ideologie. In 1924 gaven andere prominente industriëlen en financiers, waaronder Fritz Thysson, Albert Vogler, Adolf Kildorf en Kurt von Schroder in het geheim geld aan de Nationaal-Socialisten. Er is ook bewijs dat Hitler clandestien werd gefinancierd door een groep van zakenmensen uit New York, waaronder delegaties van de Ford Motor Company en de Rockefeller Chase Bank. Iets dat in het licht van het meer recentere “wapens voor Irak” schandaal natuurlijk niet geheel onaannemelijk is. Terwijl het 25 punten programma er zeer duidelijk over was dat zelfverrijking ten koste van het volk bestraft werd met de dood, zorgde het daarop volgende herbewapeningprogramma en de wil om de “primaat van beleid” te herstellen ervoor dat er een ongelofelijk paradox ontstond. Hitler wenste de Duitse Kapitalisten voor zijn eigen doelen te gebruiken, maar waarom zouden deze rijke en invloedrijke individuen een man steunen die op papier hun gigantische industriële concerns wilde ontmantelen? Helaas is welvaart altijd de bepalende factor geweest achter politieke macht en dat maakt van Hitler dan ook een gewillig instrument voor deze Kapitalisten.         

Het is dan ook de moeite waard om aan te halen dat Otto Strasser, een leidende kracht binnen de NSDAP, die het verraad van Hitler aan de economische principes van de partij aan de kaak stelde, gedwongen werd om voor zijn leven te vluchten nadat hij in 1930 zijn lidmaatschap moest opzeggen. Om de natuur van het Hitleriaanse economische systeem te begrijpen kunnen we kijken naar het antwoord op de verdediging van Strasser van het oprechte Nationaal-Socialisme. Hitler stelde dat het Socialisme van Strasser “niets anders is dan Marxisme”. “De massa van de werkende klasse wil enkel brood en spelen. Zij zullen nooit de betekenis van een ideaal begrijpen en we kunnen dan ook niet hopen dat we hen ervoor kunnen winnen.”   



Hoewel de originele programma’s van zowel de Duitse NSDAP als de Italiaanse Fascistische partij openlijk anti Kapitalistisch van aard waren en een eigen vorm van industrieel en agrarisch Socialisme omarmden, werden deze ideologische principes al snel verworpen toen Hitler en Mussolini zichzelf realiseerden dat gigantische financiële contributies hen zeer goed konden ondersteunen in het vervullen van hun persoonlijke doelen en objectieven. Beide verrieden de Socialistische principes van hun manifesten en capituleerden voor de Kapitalistische klasse. Ondanks de intellectuele helderheid en de vooruitziende blik in hun originele politieke principes, hebben het Fascisme en Nationaal-Socialisme nooit een eigen uniek economisch systeem weten te verwezenlijken in de praktijk. Zij zijn een klassiek voorbeeld geworden van hoe het Kapitalisme zichzelf weet te regenereren in het gezicht van een acute economische crisis en de constante dreiging van een oprechte revolutionaire oproer.   

vrijdag 16 september 2011

Ras en Raciale verschillen

Ras en raciaal verschil is een onderwerp dat veel mensen graag vermijden. Sommige beschouwen dit als onbeleefd terwijl anderen het als beledigend ervaren en discussiëren over een wettelijk verbod hierop. Tegenwoordig gaat men al zo ver dat het bestaan van rassen ontkend wordt. Anderen stellen weer dat ras enkel in een onbetekenende en onbelangrijke vorm bestaat en dat deze vanwege “universalistische menselijke redenen” moeten verdwijnen.   Uiteraard zijn er ook nog mensen – binnen alle rassen – die geloven dat hun raciale oorsprong hen wijs, goed en superieur maakt. Deze groep kan soms zeer beledigend zijn en ideeën over genocide erop na houden. Dat maakt het bestaan van rassen echter niet ongeldig. De oude Chinezen die anderen volkeren barbaars noemden, de Hitleriaan die toevlucht nam tot valse esthetiek of de Zionistische Jood die gelooft dat andere volkeren lagere entiteiten zijn, wordt te vaak gebruikt als een excuus om iedere theorie over ras te verwerpen die het een deugd vindt dat rassen bestaan.      

Wij moeten niet bang zijn om over ras te discussiëren en we moeten accepteren dat rassen bestaan. Daarom moeten we onszelf de vraag stellen; “Waar komen rassen vandaan? En wat betekent dit? 

Ras en soort zijn twee verschillende begrippen. De mens is als geheel een ras, maar binnen deze familie bestaan verschillende rassen. Het is niet anders als in de dierenwereld; je hebt honden, katten, walvissen, herten enzovoorts, maar binnen al deze “soorten” bestaan verschillende “rassen”. Het is wellicht een simpel voorbeeld, maar neem bijvoorbeeld de hond als soort. Je hebt de Duitse Herder, de Fox Terriër en de Husky, dit zijn allen honden, maar zijn zeer verschillend in uiterlijk, formaat en temperament. Deze kunnen mengen als je het wilt, maar het gevoel van individualiteit raakt hier uiteindelijk door verloren.

We kunnen dit ook op de mensheid betrekken, we lopen allen op twee benen, hebben een hoofd en armen. We denken na en hebben allen liefde nodig, we communiceren met elkaar en voelen onszelf met elkaar verbonden. Er is geen enkele twijfel dat wij speciale “dieren” zijn. In wezen hebben wij een zelfbewustzijn, filosofen hebben al lange tijd gedebatteerd over die notie. Het is de capaciteit om in “hogere” termen te denken, in morele termen om te onderscheiden wat men wil en wat men nodig heeft, om onze impulsen te reguleren en sociaal te handelen, dit maakt de menselijke soort speciaal.

Tussen de verschillende rassen kunnen we grote verschillen zien. Niet enkel in huidskleur, maar ook in mentaliteit, fysieke vermogens en gezondheid. Het Negroïde ras is over het algemeen een meer fysiek ras dan bijvoorbeeld de Aziaten of “Indianen”. Het kent de bekende capaciteiten in bepaalde sporten, muziek en arbeid (hoe cliché dit ook klinkt). Enkele Aziatische groepen hebben daarentegen weer een hoger IQ dan de Europeaan en de capaciteit voor een goede toepassing van de opsmuk van het leven en cultuur. De Europeaan is over het algemeen meer praktische en wetenschappelijk. En de Semitische groepen hebben de capaciteit om een ingewikkeld religieus systeem en Gnostisch denken te ontwikkelen. Op sommige vlakken lijkt de een “beter” te zijn dan de ander en op andere vlakken “minder” dan de ander. 

Er zijn ook verschillen binnen rassen te zien, waar men deze kan onderverdelen in subgroepen. We kunnen hierbij naar de Europeanen kijken. Deze zijn allen blank, maar Italianen verschillen van Zweden, de Duitsers verschillen qua cultuur en temperament van de Russen. Maar dit verschil is vooral gebaseerd op gewoonten, die worden beïnvloed door de cultuur waarin zij leven. Er zijn echter ook anatomische variaties. Dit kunnen we bijvoorbeeld ook terug zien binnen het Aziatisch ras. Een Japanner heeft duidelijk andere uiterlijke karakteristieken dan een Vietnamees; een Han Chinees is weer anders dan Taiwanees. Enzovoorts.


Dit verschil tussen rassen en deze variatie binnen rassen is een natuurlijk verschijnsel. We zouden kunnen stellen dat God het zo gemaakt heeft (vanuit religieus standpunt) of we kunnen stellen dat de natuur dit gecreëerd heeft (vanuit een Darwinistisch standpunt). Het is een feit van het bestaan, het verschil binnen de mensheid kan niet afgekeurd worden maar enkel geaccepteerd worden. Wanneer we het geaccepteerd hebben, kunnen we het vieren. Vanuit een religieus oogpunt moet men stellen dat het zo gemaakt is door God en er niet mee gerommeld mag worden. Vanuit een wetenschappelijk standpunt moeten we tot de conclusie komen dat men het natuurlijk proces niet moet verstoren. We kunnen stellen dat een propere discussie over het bestaan van ras zorgt voor een ware revolutie binnen de filosofie van de politiek correctheid.      

Men ziet het als men reist, zodra men de grens over is betreedt men een nieuwe wereld. Het landschap en de architectuur kan wellicht hetzelfde zijn, maar de mensen en culturen zijn anders. En dat is iets dat we moeten behouden. Kijk naar de situatie in Europa, er leven zoveel andere rassen in Engeland dat Londen voor meer dan de helft bestaat uit niet blanke immigranten. Als we bepaalde landen in de Arabische wereld bezoeken zouden we denken dat we in Pakistan zouden zitten. Als we naar India gaan vinden we mensen die Amerikaan willen zijn en enkel Engels praten. Welk effect heeft deze pseudo-globalisering op de economieën van deze landen? Wat betekent dit voor het erfgoed van alle inheemse volkeren? Het zijn altijd “nummers” en “invloed” wat volkeren ertoe drijft een beetje levensruimte te eisen. Men hoeft niet boos te worden als Libië haar vele gastarbeiders naar huis stuurt of Nigeria haar illegale immigranten uitzet. Ook hoeft men niet boos te worden als een Nederlander zichzelf de vraag stelt waarom hij zoveel Marokkanen in zijn land moet hebben. Het lijkt erop dat als iedereen op zijn “plaats” was, zichzelf was, er minder spanning en meer respect zou zijn.  

Waar eindigt al die druk voor het globale “wereldvolk”? Wat als iedereen een bastaard ras werd en er geen Aziaten, Afrikanen, Europeanen of Indianen meer zouden bestaan? Laten we aannemen dat er geen raciale diversiteit meer is tussen volkeren. Laten we aannemen dat we allen een taal leren, een geldsysteem gebruiken, alle grenzen laten verdwijnen en in een grote marktplaats gaan wonen. Wat is het grote voordeel hiervan en wie wint hierbij? Geloven we nu echt dat dit leidt tot een betere mensheid of een meer harmonieuze en voortvarende wereld? En buiten dat, kunnen we aannemen dat men de mensheid simpelweg in een blender kan stoppen en de differentiatie kan laten verdwijnen?

Uiteraard heeft datgene wat anders is de aantrekkingskracht van iets exotisch en dus zal er altijd rassenmenging op kleine schaal zijn. Op bepaalde plekken en in verschillende tijden heeft dit waarneembaar plaats gevonden; de historische en culturele krachten produceren nieuwe resultaten over lange periodes. Maar als we geconfronteerd worden met diegene die suggereren dat het de norm zou moeten zijn, dan moeten we handelen om de grootschalige vernietiging van identiteiten tegen te gaan en de diversiteit die de mensheid kent te behouden.      

Diegene die het “wereldvolk” resultaat aanmoedigt kan handelen vanuit naïviteit, stommiteit of hebzucht. Maar er is een druk van Westerse liberalen, cultuur marxisten, kapitalisten van alle rassen, theologen en anderen om een “wereldvolk” te creëren. Allerhande wereldverbeteraars en liberalen promoten het idee dat diversiteit niets is. Er kan geen twijfel over bestaan dat dit idee vooral diegenen dient die streven naar de afbraak van alle grenzen; de mensheid wordt immers makkelijker “gemanaged” binnen een globale markt. Deze visie is een monstruositeit, raciaal verschil en diversiteit is een groot goed. We evolueren niet op natuurlijke wijze naar het “grote bruine ras” maar we worden enkel herplaatst.     

Binnen de Westerse samenleving betreedt men gevaarlijke grond door ras te bediscussiëren, maar we moeten dit ervoor over hebben. We moeten geloven dat het overleven van de verschillende rassen net zo belangrijk is als het overleven van de walvis, tijger of olifant. Het is een waardig doel als viering van de diversiteit die essentieel is voor de menselijke vooruitgang. We zijn nog steeds een familie.       

Om dit doel aan te houden moeten we afstand nemen van iedere notie die stelt dat het ene ras beter is dan het andere ras en deze binnen een hiërarchie plaatst. Omdat verschillende rassen verschillende vaardigheden hebben, hun voor en nadelen, kunnen we dit nu juist niet doen. In feite zijn alle rassen gelijk, maar ze zijn niet hetzelfde. We kunnen en moeten accepteren dat deze verschillen worden vast gelegd in onze culturen. Zij definiëren ieder ras, ieder subtype en ieder volk. Onze cultuur vormt het raam naar onze ziel, culturen zijn dan ook een schat. Ze kunnen door elk menselijk typen gewaardeerd worden maar enkel volledig geleefd en gewaardeerd worden door de groep die deze geschapen heeft. Een ras en een natie moet het recht hebben haar cultuur en identiteit te bewaren. Als een ras of andere groep haar eigen cultuur heeft, is het haar recht om dit te behouden.    

We kunnen een wereld hebben waarin volkeren binnen hun eigen gebieden leven als alternatief voor de Nieuwe Wereld Orde van chaos en vernietiging. Maar de agenda van politieke liberalen, de massa media en de entertainment industrie promoten multiculturalisme (wat feitelijk liberale monocultuur is) binnen onze Westerse samenlevingen wat ertoe leidt dat onze Europese culturen vernietigd worden. Dit model wordt echter ook steeds meer opgelegd aan andere volkeren als onderdeel van het imperialisme van de Nieuwe Wereld orde. Het is een apart imperialisme dat de veroverde haar cultuur ontneemt en de ontheemding van hen laat fuseren met de ontheemding van de ander. Gelukkig komen steeds meer mensen in opstand tegen dit model.         

In een wereld die zichzelf lijkt te verliezen en afdaalt in conflict moeten we naar de oorzaken zoeken. Deze liggen niet in de natuurlijke rivaliteit tussen rassen noch heeft deze rivaliteit de mens naar de afgrond van vernietiging gebracht. Als we terug naar de geschiedenis kijken waren er zeker raciale conflicten en kwaadaardige daden bij betrokken. Echter het verleden laat ook zien dat het principe van diversiteit essentieel is voor algemene vooruitgang. Wat deze verschillen ook waren en welke twisten deze ook produceerden, boven alles lag er een idee van bepaalde veiligheid in de arrangementen. Dit staat nu onder druk door het valse “antiracisme” van het Wereldvolk-isme.    

Laten we discussiëren over ras. Laat ons zien of het beschermen van ras het Wereldvolk-isme kan aanklagen. Dit zou een goed begin zijn, als de vruchten van deze discussie ons smaken kunnen we er verder mee. Het kan het revolutionaire idee zijn dat tegenwicht biedt aan de sleur, de conformiteit, de vernietiging en de globalisering.